Grootschalige hypotheekfraude, faciliterende rol van verdachte

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1056

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift. Deze feiten zijn gepleegd in het kader van een crimineel samenwerkingsverband, waarbinnen verdachte, medeverdachte 3 en rechtspersoon bedrijf 1 actief zijn geweest. Door de organisatie is met behulp van katvangers hypotheekfraude gepleegd. Deze katvangers waren veelal van Vietnamese afkomst en waren de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig. Verdachte heeft bij het voorgaande een faciliterende rol gespeeld door bedrijven op naam te nemen en valse werkgeversverklaringen te ondertekenen.

 

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat:

  1. 1. De Bovenregionale Recherche Noordoost Nederland (BRNON) heeft gehandeld in strijd met artikel 152 Sv, door geen proces-verbaal op te maken van contacten met fraudespecialisten van banken, en
  2. De kennisname van het dossier “naam” aan de verdediging is onthouden, zodat er sprake is van een schending van het recht op kennisname van processtukken, en
  3. Verbalisant in strijd met de waarheid verklaringen heeft afgelegd over het dossier “naam” en daardoor de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft geschonden.

De advocaat-generaal heeft voornoemd verweer bestreden en tot ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie geconcludeerd.

Bij de beoordeling van het verweer stelt het hof voorop dat uit het dossier voldoende blijkt naar aanleiding waarvan het onderzoek Kastanje is aangevangen en hoe na verloop van tijd de verdenking jegens verdachte is ontstaan. De rechtbank heeft hieromtrent overwogen:

“De Rabobank heeft naar aanleiding van een brand in een woning in plaats, waar een hennepkwekerij werd aangetroffen en ten aanzien waarvan de aflossingen van de ten behoeve van die woning afgesloten hypothecaire lening vervolgens stopten, intern onderzoek gedaan naar mogelijke hypotheekfraude ten aanzien van de financiering van die woning. (…)

Naar aanleiding van dit interne onderzoek heeft de Rabobank in het najaar van 2006 aangifte gedaan van negen gevallen van zogenaamde hypotheekfraude. In de onderscheiden aangiftes wordt door de bank verklaard - kort gezegd - dat zij vermoedt dat de bij die bank afgesloten hypothecaire lening is verkregen door overlegging van één of meerdere valse werkgeversverklaringen en valse loonspecificaties welke afkomstig zijn van de ondernemingen bedrijf 1 of bedrijf 2. Er wordt in die aangiften uitgebreid en gedetailleerd aangegeven op welke wijze de fraude zou hebben plaatsgevonden en welke personen en bedrijven daarbij betrokken zouden zijn. Op de bij die aangiften

gevoegde werkgeversverklaringen staat als werkgever en ondertekenaar verdachte vermeld en ze zijn voorzien van een firmastempel. Verdachte was volgens het uittreksel uit het voor een ieder toegankelijke handelsregister van de Kamer van Koophandel algemeen directeur van bedrijf 1 en de eenmanszaak bedrijf 2 werd voor zijn rekening gedreven.”

Deze overweging van de rechtbank is juist. Het hof neemt die over. Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof aldus van oordeel dat volstrekt helder en controleerbaar is op welke wijze en op welk moment de verdenking jegens verdachte is gerezen. Uit het dossier blijkt tevens het verband met andere rechtspersonen en medeverdachten als medeverdachte 1, medeverdachte 2 en medeverdachte 3 en hoe de verdenking in dat opzicht is ontstaan.

Zowel ten aanzien van de gestelde schending van de verbaliseringsplicht als ten aanzien van het ontbreken van het dossier naam heeft de raadsman enkel aangevoerd dat hierdoor mogelijk relevante informatie aan verdachte is onthouden, zonder dit op enige wijze te concretiseren.

Het hof heeft, gelet op bovenstaand relaas omtrent de totstandkoming van de verdenking jegens verdachte en het feit dat er door de verdediging niets is aangevoerd dat erop zou kunnen wijzen dat één en ander toch anders is geweest, geen aanleiding te veronderstellen dat er op enige wijze informatie aan verdachte is onthouden die voor de beoordeling van zijn zaak relevant is. Voor zover er derhalve al sprake zou zijn van een schending van de verbaliseringsplicht en/of het recht op kennisname van processtukken, is niet gebleken in welk opzicht verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad. De door de raadsman geschetste situatie waarin beginselen van een behoorlijke procesorde in ernstige mate zijn geschonden waardoor doelbewust of met een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan en/of dat er gehandeld is in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt, doet zich niet voor.

Ten aanzien van de verklaring van verbalisant stelt het hof voorop dat niet is gebleken dat verbalisant bewust onjuiste verklaringen heeft afgelegd zoals door de raadsman is aangevoerd. Voorts geldt dat, voor zover er verschillen zijn vast te stellen tussen de verklaring van verbalisant en de overige gegevens uit het dossier aangaande de totstandkoming van de verdenking ten opzichte van verdachte, deze verschillen niet zodanig zijn dat op grond daarvan geconcludeerd zou moeten worden dat er concrete feiten en omstandigheden verborgen zijn gehouden ten aanzien van die totstandkoming van de verdenking. Zij kunnen derhalve niet de conclusie rechtvaardigen dat er doelbewust of met een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, noch dat er is gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt.

Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Oordeel hof 

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op het moment van ondertekenen van de werkgeversverklaringen wist dat deze vals waren.

De advocaat-generaal heeft voornoemd verweer bestreden en tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten geconcludeerd.

Het hof overweegt als volgt.

Feit 1 (werkgeversverklaring medeverdachte 4)

Uit het dossier blijkt dat in het kader van de aanvraag van een hypothecaire lening voor de woning aan adres 1 een werkgeversverklaring op naam van medeverdachte 4 is ingediend, welke is ondertekend door verdachte. Volgens deze werkgeversverklaring is medeverdachte 4 sinds 1 november 2004 in dienst bij het bedrijf 1 als algemeen medewerker. medeverdachte 4 heeft bij de politie evenwel verklaard dat zij dit bedrijf niet kent en nooit voor dit bedrijf heeft gewerkt. De werkgeversverklaring die ten behoeve van de verkrijging van een hypothecaire geldlening aan de Rabobank is overgelegd, berust, gezien het hiervoor overwogene, niet op de waarheid en kan als vals worden aangemerkt.

Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is verdachte sinds 7 september 2004 directeur en enig aandeelhouder van het bedrijf 1. Verdachte heeft hieromtrent bij de politie verklaard: “Dit bedrijf is van mij geweest, maar medeverdachte 3 runde het bedrijf. Ik was eigenlijk alleen op papier eigenaar. Ik ken mevrouw medeverdachte 4 niet en weet dus ook niet of zij daar wel of niet gewerkt heeft. medeverdachte 3 heeft mij gevraagd dit bedrijf op naam te zetten.” Nadat verdachte werd voorgehouden dat medeverdachte 4 heeft verklaard dat zij in werkelijkheid niet bij bedrijf 1 heeft gewerkt, heeft verdachte verklaard: “Ik ken die mensen helemaal niet. Ik wist niet wie er kwamen. Van de feitelijke gang van zaken wist ik ook niets af. Ik had het bedrijf, zoals ik zei, alleen op papier. Ik kwam daar ook helemaal niet. Ik heb donderdag al aangegeven dat dit mijn handtekening was (het hof begrijpt: de handtekening op de werkgeversverklaring). Als medeverdachte 3 aan mij vroeg om een handtekening te zetten onder een werkgeversverklaring, dan deed ik dat. (…)” In een eerdere verklaring heeft verdachte aangegeven dat hij voor het feit dat hij voor medeverdachte 3 een BV op naam zou nemen een vergoeding van € 2.500,- zou ontvangen. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat medeverdachte 3 alle documenten regelde en dat verdachte slechts hoefde te tekenen. Verdachte heeft onder andere werkgeversverklaringen ondertekend, waarbij hij heeft verklaard dat hij nooit heeft gezien dat de (vermeende) werknemers daadwerkelijk aan het werk waren en dat hij ook nooit iemand opdracht heeft gegeven om bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Verdachte kende de mensen waarvoor hij de werkgeversverklaringen ondertekende niet en heeft ze ook nooit gezien. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij ook een bankrekening heeft geopend op naam van de onderneming en dat hij alles aan medeverdachte 3 heeft afgegeven, dus ook de pasjes.

Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat verdachtes taak beperkt was tot het tekenen van de werkgeversverklaring en het dus niet anders geweest kan zijn dan dat een ander de daarop vermelde gegevens heeft ingevuld.

Omtrent de vraag of verdachte bij het ondertekenen van de werkgeversverklaring wist dat de informatie daarop vals was, stelt het hof voorop dat verdachte formeel eigenaar en directeur was van bedrijf 1 maar dat hij - zoals hiervoor aangegeven - van de feitelijke gang van zaken niets afwist en dat hij ook niet wist wie er wel of niet werkte.

Het hof is van oordeel dat indien iemand, van wiens betrouwbaarheid niet is gebleken, een ander vraagt om tegen betaling een bedrijf op naam te krijgen en daarbij een rekening te openen waarvan de bankpas moet worden afgegeven, zoals hiervoor omschreven, dit moet worden aangemerkt als een zeer ongebruikelijke situatie die reden vormt voor waakzaamheid. Immers, een verdachte relatief onbekende persoon die claimt zelf geen bedrijf in eigendom te kunnen hebben, vraagt hem mee te werken aan een constructie die niet conform de werkelijkheid is. Verdachte heeft vrijwillig ingestemd met het creëren van deze schijnconstructie. Verdachte is vervolgens in de hoedanigheid van directeur overgegaan tot het tekenen van stukken, waaronder een werkgeversverklaring, zonder op enigerlei wijze na te gaan of de gegevens op die door hem getekende werkgeversverklaring conform de werkelijkheid waren.

Onder deze omstandigheden levert de medewerking aan een dergelijke constructie de aanmerkelijke kans op dat het bedrijf in verband kan worden gebracht met het plegen van strafbare feiten en dat de te ondertekenen stukken niet berusten op waarheidsgetrouwe informatie. Aldus kan worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem getekende werkgeversverklaring vals was.

Een werkgeversverklaring wordt per definitie tegenover derden gebruikt bij het aangaan van financiële verplichtingen, met als doel het aantonen van een dienstverband en bijbehorend salaris. Uit het feit dat verdachte een dergelijke werkgeversverklaring heeft ondertekend, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat hij dat heeft gedaan met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Feit 2 (werkgeversverklaring medeverdachte 5)

Op 16 februari 2009 is door aangever van de Rabobank Noordwest Friesland U.A. te Leeuwarden aangifte gedaan. Blijkens de aangifte hebben medeverdachte 9 en medeverdachte 5 op 15 juni 2005 bij de Rabobank een aanvraag ingediend voor een financiering ten behoeve van de door hen op 19 mei 2005 gekochte woning aan adres 2. Bij deze aanvraag is door medeverdachte 5 een werkgeversverklaring overgelegd, welke op 18 mei 2005 is ondertekend door verdachte. Volgens de werkgeversverklaring is medeverdachte 5 vanaf 1 februari 2005 werkzaam bij het bedrijf bedrijf 2 als assistent bedrijfsleidster. Medeverdachte 5 heeft bij de politie verklaard dat zij in werkelijkheid niet voor het bedrijf bedrijf 2 heeft gewerkt. De werkgeversverklaring die bij de hypotheekaanvraag aan de Rabobank is overgelegd, kan gezien het voorgaande als vals worden aangemerkt.

Uit de handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel blijkt dat het bedrijf 2 is opgericht op 10 januari 2005 en dat het geen BV maar een eenmanszaak betrof die voor rekening van verdachte werd gedreven. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het bedrijf 2 het tweede bedrijf was dat hij op verzoek van medeverdachte 3 op naam heeft gekregen. Verdachte: “Het werd mij zo gebracht dat ik meer geld zou krijgen omdat ik dan twee keer de winstpremie zou ontvangen. Ik had namelijk twee bedrijven op naam”. Verdachte heeft voorts erkend dat hij ook voor het bedrijf 2 werkgeversverklaringen heeft ondertekend, waaronder die van medeverdachte 5.

Op basis van het voorgaande, daaronder begrepen hetgeen bij feit 1 werd overwogen over de handelwijze van verdachte bij het ondertekenen van werkgeversverklaringen, kan worden vastgesteld dat verdachte voornoemde werkgeversverklaring heeft ondertekend en dat een ander de gegevens op de werkgeversverklaring heeft ingevuld.

Overeenkomstig hetgeen bij de bespreking van feit 1 is overwogen acht het hof bewezen dat verdachte door aldus te handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem ondertekende werkgeversverklaring vals was en dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte dat heeft gedaan met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Medeplegen

Met betrekking tot zowel feit 1 als feit 2 geldt dat sprake is van medeplegen, nu iemand anders de gegevens heeft ingevuld en verdachte, conform de afspraak met medeverdachte 3, de stukken heeft ondertekend. Aldus was sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en één of meerdere andere perso(o)n(en).

Feit 3 (deelname aan een criminele organisatie)

Onder 3 wordt verdachte verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, valsheid in geschrifte, hennepteelt en/of witwassen. Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad van het in georganiseerd verband plegen van strafbare feiten en/of dat hij deel heeft uitgemaakt van een dergelijke organisatie zodat hij van feit 3 dient te worden vrijgesproken.

Onder een organisatie zoals hiervoor bedoeld wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen verdachte en ten minste één andere persoon. Een zekere bestendigheid is vereist, echter is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband telkens dezelfde is.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van een dergelijke organisatie. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij als directeur van bedrijf 1 en bedrijf 2 meerdere werkgeversverklaringen heeft ondertekend, volgens hem in totaal maximaal 10. Naast de onder 1 en 2 ten laste gelegde werkgeversverklaringen blijkt uit het dossier dat verdachte werkgeversverklaringen op naam van medeverdachte 10, medeverdachte 11, medeverdachte 12, medeverdachte 13 en medeverdachte 14 heeft ondertekend, welke werkgeversverklaringen door een ander waren ingevuld en vervolgens zijn gebruikt voor de koop van woningen en het verkrijgen van de daarvoor benodigde hypothecaire leningen. Verdachte heeft hierbij telkens gehandeld op verzoek van medeverdachte 3, van wie is gebleken dat dit medeverdachte medeverdachte 3 betreft. In weerwil van verdachtes ontkenning, ziet het hof, gelet op verdachtes verklaring omtrent de gang van zaken en het aantal ondertekende verklaringen, alsmede het voor het oog gelijkende handschrift gebruikt voor de handtekening onder de model-werkgeversverklaring van medeverdachte 14 ten opzichte van de verklaringen waarvan verdachte aangeeft dat het wel zijn handtekening is (vgl. Bv. medeverdachte 4 en medeverdachte 5) die eronder staat, geen aanleiding om aan te nemen dat verdachte de model-werkgeversverklaring van medeverdachte 14 niet heeft ondertekend.

Zoals onder feit 1 en 2 is overwogen is een werkgeversverklaring per definitie bedoeld om tegenover derden te worden gebruikt bij het aangaan van financiële verplichtingen, met als doel het aantonen van een dienstverband en bijbehorend salaris. Door het onder voornoemde omstandigheden ondertekenen van dergelijke stukken heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat deze stukken zouden worden gebruikt bij het oplichten van derden, en tevens dat daarmee gelden of goederen werden verkregen die zouden worden witgewassen.

Aldus kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn bedrijven 1 en 2 op een duurzame en gestructureerde wijze met medeverdachte 3 heeft/hebben samengewerkt, met het doel het plegen van oplichting, valsheid in geschrifte en witwassen. Dat de organisatie zich tevens schuldig heeft gemaakt aan hennepteelt en dat verdachte daarvan wetenschap heeft gehad en/of daarbij betrokken is geweest, kan niet worden bewezen zodat hij van dat onderdeel wordt vrijgesproken.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring 

  • Feit 1 en 2: medeplegen van valsheid in geschrift.
  • Feit 4: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF