Veroordeling wegens witwassen: toetsingskader verwijt witwassen en verweer daartegen

Gerechtshof Amsterdam 18 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5279

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 13 april 2012 tot en met 29 september 2012, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in verenging met een of meer ander(en), althans alleen, 12.050 euro en/of 4.496,61 euro en/of 10.050,63 euro en/of 2.550 euro en/of 19.615 euro, althans een of meer geldbedrag(en), heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, terwijl hij/zij wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Bespreking van bewijsverweren

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat geenszins is komen vast te staan dat er sprake is van een criminele herkomst van de gelden en dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte wist dan wel had moeten vermoeden dat sprake was van crimineel geld.

a. Afkomstig uit enig misdrijf?

Toetsingskader

Bij de beoordeling van het tenlastegelegde feit stelt het hof het volgende voorop. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval als zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel “afkomstig uit enig misdrijf” bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo een verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof zal ook het onderhavige verwijt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.

Vermoeden van witwassen

De verdachte heeft op meerdere momenten, ten opzichte van zijn legale inkomenssituatie, voor zover daarvan is gebleken, grote geldbedragen ontvangen op zijn bankrekeningen via stortingen uit het buitenland. Van deze grote bedragen heeft hij steeds in een betrekkelijk kort tijdsbestek het grootste deel contant opgenomen. Hij nam veelvuldig de maximaal per dag toegestane hoeveelheid geld op via geldautomaten. Tweemaal heeft hij grote bedragen opgenomen in een casino. Bij de verdachte zijn negen bankpassen aangetroffen. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij die nodig heeft voor zijn bedrijf, maar enige transactie met die bankpassen ten behoeve van zijn bedrijf is gesteld noch gebleken.

Gelet op het voorgaande is het vermoeden gerechtvaardigd dat de geldbedragen in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld.

Verklaring herkomst geld

De verdachte heeft verklaard dat hij zijn bankpas aan naam ter beschikking heeft gesteld, zodat deze geld kon storten op de bij de pas behorende rekening. Het betrof volgens de verdachte een vriendendienst. Hoewel in een zeer laat stadium, is uiteindelijk onderzoek gedaan naar deze naam. naam kon echter niet worden getraceerd. Ook heeft het Openbaar Ministerie onderzoek gedaan naar de rekeningen van waaraf de bedragen naar de verdachte zijn overgemaakt. Daarbij heeft het alleen zogenoemde ‘moneyhouses’ kunnen traceren en geen concrete personen.

Nu de verklaring die de verdachte heeft gegeven naar het oordeel van het hof niet kan worden aangemerkt als een plausibele, verifieerbare verklaring over de legale herkomst van de geldbedragen, is geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

b. Wetenschap?

Voor een bewezenverklaring van het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel “wist” is vereist dat de verdachte wetenschap had dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig waren. Met de verdediging is het hof van oordeel dat van een dergelijke wetenschap onvoldoende is gebleken.

c. Schuld?

Daarmee resteert de vraag of de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig waren, waardoor sprake is van schuldwitwassen.

Het hof is van oordeel dat de verdachte, gelet op het feit dat hij meermalen relatief grote geldbedragen heeft ontvangen op zijn bankrekening via stortingen uit het buitenland en deze grote bedragen steeds in een betrekkelijk kort tijdsbestek contant heeft opgenomen, redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat dit geld van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft geen vragen gesteld omtrent de herkomst van het uit het buitenland gestorte geld, het geld zonder meer opgenomen en vervolgens contant aan een derde overgedragen. De verdachte is daarbij (minst genomen) in die mate tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht, dat hij met de voor schuldwitwassen vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen.

Conclusie

Het hof is van oordeel dat – gelet op het voorgaande – het niet anders kan zijn dan dat het geld middellijk of onmiddellijk – afkomstig was uit enig misdrijf en dat de verdachte dat redelijkerwijs heeft moeten vermoeden. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

  • Schuldwitwassen, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 80 uur. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Faillissementsfraude: Wegens gezondheidstoestand wordt voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd met als bijzondere voorwaarde dat verdachte tijdens zijn proeftijd niet het beroep van statutair directeur zal uitoefenen

Gerechtshof Amsterdam 18 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5311

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude bij drie faillissementen. Een waardevolle auto en een geldbedrag zijn onttrokken aan de boedel. Voorts heeft de verdachte zijn administratieve verplichtingen verzaakt en aldus kwam er voor de curatoren onvoldoende zicht op de boedel om de belangen van crediteuren te behartigen.

Mede gezien een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie kan de verdachte worden aangemerkt als beroepsfraudeur, voor wie (ook) het faillissement een doelbewust instrument is om zich op onrechtmatige wijze te verrijken ten koste van anderen.

In beginsel acht het hof slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende sanctie. Hetgeen namens de verdachte ten aanzien van zijn gezondheidstoestand naar voren is gebracht, is echter dermate zorgelijk dat reeds op voorhand bij de detentiegeschiktheid vraagtekens worden gesteld. Voorts is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en is de verdachte in 2013 in België tot (onder meer) veertig maanden gevangenisstraf en een geldboete van € 11.000 veroordeeld. Het hof acht het derhalve aangewezen de op te leggen straf in geheel voorwaardelijke vorm op te leggen.

Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. Om de stelt het hof daarbij een proeftijd van drie jaar vast met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd niet het beroep van statutair directeur van een rechtspersoon mag uitoefenen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof: 'Dynamische verkeerscontrole' onrechtmatig

Gerechtshof Amsterdam 21 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5307 Het gerechtshof Amsterdam heeft een stafzaak behandeld waarin sprake was van een zogenoemde 'dynamische verkeerscontrole'. Bij de doorzoeking van de auto van de verdachte is bijna een kilo wiet aangetroffen. De verdachte is vervolgd voor het bezit daarvan. Het hof acht de verkeerscontrole onrechtmatig. Om die reden moet de vondst van de wiet van het bewijs worden uitgesloten. Dit heeft geleid tot vrijspraak van de verdachte.

Feiten

De verbalisanten 1 en 2, in uniform gekleed en rijdend in een surveillancevoertuig, zagen op 3 juni 2013 een BMW X6 rijden met daarin twee personen. Verbalisant 3 - ten aanzien van wie in het desbetreffende proces-verbaal niet is gerelateerd waar hij zich bevond - deed vervolgens via de portofoon navraag over het kenteken van de auto. Het bleek om een auto van Maatschappij bedrijf te gaan, een firma waarvan, naar de verbalisanten bekend was, veel criminelen gebruik maakten. Verbalisant 1 en verbalisant 2 gaven de bestuurder een stopteken teneinde een verkeerscontrole uit te voeren. Verbalisant 1 deelde de bestuurder, die later de verdachte bleek te zijn, mede dat hij in verband met een verkeerscontrole staande was gehouden en vorderde inzage in diens rijbewijs en in de kentekenpapieren van het voertuig.

Vervolgens deelde verbalisant 1 de bestuurder en de bijrijder mede dat in Amsterdam West een groot aantal geweldsdelicten plaatsvond en dat daarbij de laatste tijd ook vaak was geschoten, en vroeg hij toestemming de bestuurder en de bijrijder te fouilleren en de auto te doorzoeken. De verdachte gaf daar toestemming voor. De bijrijder bleek geboren te Joegoslavië.

Bij opening van de achterklep van de auto, roken de verbalisanten direct een zeer sterke lucht die zij herkenden als de geur van wiet. In de achterklep (het hof begrijpt: de achterbak) vonden zij een zwartkleurige tas met daarin een Albert Heijn-tas die vol zat met gedroogde wiet en cannabistoppen, verpakt in een grote plastic sealbag. De verbalisanten hebben vervolgens de verdachte en de bijrijder aangehouden op grond van de Opiumwet.

Verdenking

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 3 juni 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 993 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Ontvankelijkheid OM

De raadsman heeft betoogd dat de politie, door het toepassen van de zogeheten dynamische verkeerscontrole-methode een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in casu het beginsel van zuiverheid van oogmerk, heeft gemaakt waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Hij heeft het hof verzocht het openbaar ministerie om die reden in de vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als een in artikel 359a, eerste lid onder c, Sv bedoeld rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats, zoals ook door de raadsman geïmpliceerd, indien het vormverzuim daarin bestaat dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

De enkele omstandigheid dat de politieambtenaren van de hun op grond van artikel 160 WVW 1994 toekomende controlebevoegdheden misbruik hebben gemaakt, door die bevoegdheid aan te wenden voor opsporingsdoeleinden - waarop hieronder nader zal worden ingegaan - kan niet de gevolgtrekking wettigen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte, in aanmerking genomen dat niet is onderbouwd noch anderszins aannemelijk is geworden dat daarmee tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof merkt in dit verband op dat een inbreuk het belang van de verdachte bij het onontdekt blijven van het door hem gepleegde feit niet kan gelden als schending van zijn recht op een eerlijk proces als hier bedoeld.

Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Bewijsuitsluiting

De raadsman heeft het hof voorts verzocht de vondst van de tas met wiet uit te sluiten van het bewijs en de verdachte vrij te spreken op de navolgende gronden.

Bij de staandehouding van de verdachte, diens daaropvolgende fouillering en de doorzoeking van de auto heeft de politie in strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk (het verbod van détournement de pouvoir) gehandeld nu de politie in casu de zogenaamde dynamische verkeerscontrole-methode heeft toegepast, waardoor de verdachte is misleid. Dit blijkt uit hetgeen de verbalisanten bij hun verhoren bij de raadsheer-commissaris hebben verklaard en het zogenaamde ‘Blauwe Boekje’ (De Dynamische Verkeerscontrole, 1e druk, januari 2015) van de politie waarop de werkwijze van de politie in de onderhavige zaak was gebaseerd. De dynamische verkeerscontrole komt erop neer dat de politie op structurele wijze controlebevoegdheden inzet in het kader van de opsporing. Een dynamische verkeerscontrole heeft immers niets te maken met een daadwerkelijke verkeerscontrole. De politie vraagt bij zo’n controle enkel naar een rijbewijs of kentekenbewijs teneinde te voldoen aan de formele vereisten die de jurisprudentie volgens de politie stelt om de controle rechtmatig te laten zijn. De selectie van de te controleren auto’s vindt plaats op basis van risicokenmerken die niet tot de verkeerswetgeving in relatie staan en de politie is niet in controle op de naleving van de verkeerswetgeving geïnteresseerd, maar kennelijk in andere zaken. Op deze wijze worden nieuwe bevoegdheden gecreëerd die in een democratie alleen de wetgever mag creëren.

De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat tussen de uitgevoerde verkeerscontrole en het aantreffen van de verdovende middelen in de auto geen causaal verband bestaat, nu de verdachte toestemming heeft gegeven voor de doorzoeking van de auto. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de politie binnen de grenzen van de haar wettelijk toekomende bevoegdheden heeft gehandeld. Zijns inziens is bewijsuitsluiting dan ook niet aan de orde.

Overwegingen van het hof

Verklaringen verbalisanten

Bij de controle en aanhouding van de verdachte op 3 juni 2013 zijn onder anderen de verbalisanten verbalisant 1, verbalisant 4, verbalisant 2 en verbalisant 3 betrokken geweest. Deze verbalisanten zijn op verzoek van de verdediging door de raadsheer-commissaris gehoord. Hun verklaringen houden, voor zover van belang, het volgende in.

Verklaring van verbalisant 1

Op 3 juni 2013 was verbalisant 1 als gewoon politieagent met algemene taken belast. Kort daarvóór had hij een lezing bijgewoond van het Bureau Zware Criminaliteit (verder Zwacri te noemen) over dynamische verkeerscontroles, waarover inmiddels een boekje is geschreven (noot: dit boekwerk is nagezonden aan de raadsheer-commissaris en bevindt zich in het dossier).

Op 3 juni 2013 waren de agenten werkzaam in een groep, verdeeld over één surveillanceauto met twee geüniformeerde agenten en twee burgerauto’s met in iedere auto twee agenten in burger. Op het bureau was nog een backoffice die speciaal voor die dag was ingericht. De drie voertuigen (vanwege de leesbaarheid zal het hof verder spreken over voertuigen en/of auto’s waarbij het hof opmerkt dat waar over voertuigen/auto’s wordt gesproken ook bedoeld wordt de personen die zich in dat/die betreffende voertuig(en)/auto’s bevinden) die bij de actie betrokken waren, stonden onderling met elkaar in verbinding. Verbalisant 2 was destijds werkzaam als rechercheur bij Bureau Zwacri, maar was die dag wel in uniform. Tijdens de briefing werd besproken dat ze die dag dynamische verkeerscontroles zouden uitvoeren. Destijds vonden veel liquidaties plaats en het doel van de actie die dag was criminelen te verstoren en te laten zien dat de politie aanwezig was.

Het doel van dynamische verkeerscontroles is criminelen te spotten en te controleren. Bij een dynamische verkeerscontrole pikken burgerauto’s bij zogenaamde sleutelplaatsen - plaatsen waarvan bekend is dat criminelen zich daar ophouden - bepaalde auto’s op en volgen zij deze tot een plaats waar een herkenbare surveillanceauto de auto’s kan staande houden en controleren. De bedoeling is dat het een willekeurige verkeerscontrole lijkt; daarmee wordt voorkomen dat de inzittenden merken dat zij bij een sleutelplaats zijn “opgepikt”.

Van de auto’s van bepaalde autoverhuurbedrijven en BV’s is bij de politie bekend dat daarin vaak criminelen rijden. De auto waarin de verdachte reed, was afkomstig van zo’n bedrijf. De politie heeft die auto daarom geselecteerd voor een dynamische verkeerscontrole. Verbalisant 1 en zijn collega, die beiden in de surveillanceauto reden, kregen te horen van andere bij de actie betrokken collega’s dat een auto was geselecteerd en hebben die auto staande gehouden. Waarschijnlijk is tegen verbalisant 1 en zijn collega gezegd dat de auto eigendom was van één van de BV’s die op een lijst stonden. De auto was in ieder geval interessant genoeg om een controle uit te voeren, omdat criminelen in dergelijke auto’s rijden.

De auto van de verdachte werd vervolgens aan de kant gezet en de bestuurder werd om rijbewijs en kentekenbewijs gevraagd. Daarnaast werd hem medegedeeld dat sprake was van een verkeerscontrole.

De politie vraagt bij een dynamische verkeerscontrole specifiek om een rijbewijs, omdat dat een jurisprudentieel vereiste is om een verkeerscontrole uit te voeren. Als niet om het rijbewijs en het kentekenbewijs wordt gevraagd, heeft de politie niet het recht een auto aan de kant te zetten en te controleren. De auto die wordt gecontroleerd, wordt evenwel geselecteerd omdat die bijvoorbeeld op naam van een bepaalde BV staat en niet op grond van de doelen van de Wegenverkeerswet.

Nadat de agenten om het rijbewijs van de bestuurder - die later de verdachte bleek te zijn - en het kentekenbewijs hadden gevraagd, hebben zij een praatje met hem aangeknoopt over het feit dat er in Amsterdam veel wapens waren. Vervolgens hebben zij gevraagd of zij de bestuurder mochten fouilleren en de auto mochten doorzoeken. De bestuurder vond dat goed. Er was op dat moment geen verdenking van een strafbaar feit.

Als bij een dynamische verkeerscontrole de bestuurder geen toestemming geeft voor fouillering of doorzoeking, dan bekijken de verbalisanten of er feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan zij die bevoegdheden wel kunnen uitoefenen. De politie bekijkt dan bijvoorbeeld of de bestuurder antecedenten heeft op het gebied van de Wet wapens en munitie, en beschouwt wat op dat moment in de auto geroken of gezien wordt. De controlerende agenten bevragen bij de backoffice het kenteken en kunnen ook bij de backoffice navragen of er bijzonderheden zijn ten aanzien van de persoon die wordt gecontroleerd, zoals antecedenten of mutaties ten aanzien van omgang met criminelen. Door die informatie weet de politie met wie ze te maken heeft.

Verklaring van verbalisant 3

Verbalisant 3 was in juni 2013 hoofdagent en werkte op hetzelfde bureau als verbalisant 4. Verbalisant 3 en verbalisant 4 zijn toen één dag (min of meer) gedetacheerd geweest bij een rechercheafdeling op het hoofdbureau. De actie waaraan hij deelnam, draaide om geweldsdelicten en bekende criminelen. Als de verbalisanten iets signaleerden op dat gebied, dan gaven zij dat door. Zij waren voortdurend bezig met het observeren van afwijkend gedrag. Het ging dan bijvoorbeeld om mensen met heel dure kleding in een oude BMW. De verbalisanten gaven alleen de kentekens door van auto’s waarvan zij het idee hadden dat zij iets te maken hadden met criminele activiteiten. De agenten gaven het niet door als zij bijvoorbeeld een kapot achterlicht zagen. De politie handhaafde niet op overtredingen van de Wegenverkeerswet.

Verbalisant 3 en verbalisant 4 waren op 3 juni 2013 in burger. Verbalisant 3 zat in een burgerauto. Zij moesten bepaalde opvallende voertuigen signaleren en dat doorgeven aan de herkenbare surveillanceauto. De surveillanceauto hield die auto dan staande. Op die manier bleven de burgerauto’s buiten schot; de burgerauto zou dan niet “stuk” gaan. Als de inzittenden van een gecontroleerde auto niet wisten dat zij gevolgd waren door een burgerauto, dan kon het voorkomen dat de agenten in burger hen na de controle nog een zogenaamde “staart” gaven en de auto verder volgden.

In dit specifieke geval ging het om een opvallend dure auto, een BMW X6, gelet op de wijk waarin hij zich bevond. De verbalisanten hebben dit gegeven aan de herkenbare surveillanceauto doorgegeven. Dat was met het doel de identiteit van de bestuurder vast te stellen.

Bij een dergelijke controle vraagt de politie naar het rijbewijs en de kentekenpapieren. De politie vraagt niet naar het identiteitsbewijs, omdat de politie niet zomaar iedereen mag staande houden en naar de identiteit mag vragen. De verkeerscontrole wordt dus in zo’n geval gebruikt om de identiteit van de bestuurder vast te stellen.

Verklaring van verbalisant 2

Op 3 juni 2013 was verbalisant 2 tactisch rechercheur bij de afdeling Zwacri. Hij heeft zich gespecialiseerd in dynamische verkeerscontroles. In de periode rond 3 juni 2013 deed verbalisant 2 bijna dagelijks dynamische verkeerscontroles.

Bij dynamische verkeerscontroles zijn collega’s van Zwacri betrokken en de dynamische verkeerscontroles worden samen met collega’s van de uniformdiensten uitgevoerd. Afhankelijk van de plaats waar de controle plaatsvindt, assisteren collega’s uit die bepaalde wijk of dat district. Verbalisant 2 draagt alleen een uniform als hij betrokken is bij dynamische verkeerscontroles en dan is dat afhankelijk van de rol die hij bij de controle op die dag heeft.

Doorgaans begint de politie zo’n controle met een briefing vooraf. Iedere briefing is anders; het hangt af van de actie van die dag. Aan collega’s die niet eerder een dynamische verkeerscontrole hebben meegemaakt, legt verbalisant 2 uit dat de politie verkeerscontroles gaat doen bij personen waarvan de politie vermoedt dat ze crimineel actief zijn, met het doel met die personen in contact te komen. Dat wil zeggen dat de politie op deze manier criminele activiteiten wil ontdekken of verstoren en zo veel mogelijk informatie over criminelen wil verzamelen. De dynamische verkeerscontroles hebben dus meer doelen. De politie wil ook het signaal aan criminelen afgeven, dat zij de kans lopen door de politie gecontroleerd te worden.

Bij een dynamische verkeerscontrole is altijd een opvallende politieauto betrokken met daarin geüniformeerde agenten. Zij voeren de daadwerkelijke controle uit. Het kan zijn dat een opvallende politieauto wordt bemand door collega’s van Zwacri of door collega’s van de uniformdienst of dat een gemengd koppel in de auto zit. Ook collega’s uit andere districten worden betrokken bij de dynamische verkeerscontroles, omdat die collega’s plaatselijk bekend zijn, vanwege eventuele capaciteitsredenen en om de methode bekend te laten worden bij de collega’s. De recherche doet ook wel controles zonder dat daarbij geüniformeerde collega’s van andere districten worden betrokken. De recherche heeft zijn eigen uniform en bekijkt dan of ergens een surveillancevoertuig beschikbaar is.

Het gebeurt niet vaak dat een gewone verkeerscontrole door een burgerauto met burgeragenten wordt gedaan. Criminelen zouden bij een controle door agenten in burger kunnen denken dat die agenten andere criminelen zijn. Bovendien zien criminelen de geüniformeerde agenten niet, maar de recherche wel, als bedreigend. Agenten willen ook verhullen wat het doel van de verkeerscontrole is. Zij willen hun tactiek niet aan de crimineel blootgeven.

In 2014 is deze methode (van de dynamische verkeerscontrole) onder de aandacht gebracht van de uniformdiensten om ervoor te zorgen dat zij met een bredere blik verkeerscontroles doen.

De selectie van auto’s voor een dynamische verkeerscontrole hangt af van de situatie. Het kan zijn dat de politie auto’s controleert die van een bepaalde plaats afkomen. De keuze kan ook worden bepaald aan de hand van bepaalde risicokenmerken, zoals huurauto’s. Vaak is één van de betrokken auto’s (van de politie) met ANPR uitgerust. Ook kunnen de agenten via een boardcomputer of via de mobiele telefoon een kenteken natrekken. Er zijn legio databanken. Men gebruikt bij een dynamische verkeerscontrole de databases die relevant zijn voor het opsporen van criminelen. De politie geeft het stopteken op grond van de Wegenverkeerswet. Dit wordt als middel gebruikt om in contact te komen. De actie in deze zaak vond plaats in de periode dat veel liquidaties plaatsvonden. De actie was zowel gericht op geweldsdelicten en bekende criminelen als op potentiële criminelen en op bepaalde risicokenmerken.

De rechter kan uit het proces-verbaal van bevindingen in deze zaak opmaken dat het om een dynamische verkeerscontrole ging, omdat daarin is opgenomen dat het een huurauto betrof van een maatschappij die aan criminelen verhuurt en dat om die reden een verkeerscontrole is gehouden, dat na de verkeerscontrole ook vragen zijn gesteld met betrekking tot criminaliteit en dat om toestemming is gevraagd te fouilleren en te zoeken. Verder is het gebruikelijk dat men van de persoon om wie het gaat, nagaat of hij criminele antecedenten of openstaande boetes heeft of gesignaleerd staat. Er zijn twee redenen om een persoon na te trekken: om een inschatting van de risico’s te maken en om te kijken of de gemaakte selectie klopt en de politie niet een eerzame burger aan de kant heeft gezet. Het enige wat de politie in deze zaak wist was dat het een huurauto was van een bedrijf waar vaker criminelen huurden.

Verklaring van verbalisant 4

In juni 2013 was verbalisant 4 hoofdagent bij het bureau. Hij deed daar buurtgerichte werkzaamheden, als een soort wijkagent, en werkte bijna altijd in uniform. Op het gebied van de dynamische verkeerscontroles heeft hij opleidingen gevolgd en briefings gehad.

Op 5 juni 2013 (het hof begrijpt: 3 juni 2013) deed verbalisant 4 voor het eerst mee aan een zogenaamde dynamische verkeerscontrole. Hij werd die dag samen met verbalisant 3 aan Zwacri uitgeleend, omdat men daar hoofdagenten nodig had voor deze controle. Op het bureau Zwacri kregen de verbalisanten een korte briefing over de werkwijze met betrekking tot de dynamische verkeerscontrole. Het doel was duurdere auto’s waar de “zwaardere” jongens in reden te controleren om mogelijk wapens te vinden. Het ging om auto’s van leasemaatschappijen die niet zo goed bekend stonden bij de politie.

De verbalisanten hadden speciale apparatuur in de auto dat ging piepen als er verboden spullen in een auto lagen. De collega’s van Zwacri vertelden dat als dat apparaat zou piepen, ze de bewuste auto aan de kant moesten zetten. Eén van de opdrachten die dag was auto’s op te sporen waar dergelijke verboden spullen in zaten, maar ook om duurdere auto’s te controleren waar eventueel zwaardere criminelen in konden zitten. Ook moest de burgerauto eventueel mensen volgen om te kijken waar zij naar toe gingen en met wie zij spraken. De verbalisanten moesten rondrijden en als zij een auto zagen waarvan zij dachten dat die interessant was, namen zij contact op met de zogenaamde backoffice bij de afdeling Zwacri en gaven ze het kenteken door. Bij een hit in die zin dat uit informatie bleek dat het om een bekende crimineel ging of iemand die al eerder in aanraking was gekomen met de politie, volgden de verbalisanten die auto. De collega’s van Zwacri of de collega van de backoffice bepaalden of een achtervolging gestaakt moest worden of dat moest worden overgegaan tot staandehouding. Soms lieten zij (de collega’s van Zwacri) de collega’s van de surveillanceauto een verkeerscontrole doen om te kijken wie in die auto reed. Als het achtervolgen van de auto niets opleverde, maar de auto wel interessant was, bijvoorbeeld vanwege de combinatie van een dure auto met jonge gasten erin, dan was het wel eens interessant gegevens te noteren voor toekomstig gebruik en die alvast te verwerken in een mutatie. In dat geval werd zo’n auto staande gehouden voor een verkeerscontrole. Dit gebeurde door de herkenbare surveillanceauto om te voorkomen dat criminelen bekend zouden worden met de burgerauto’s. Het moest een toevallige verkeerscontrole lijken; de personen die gecontroleerd werden, moesten niet in de gaten krijgen dat zij ook nog door burgerauto’s gevolgd werden.

Omdat men eigenlijk met een verkeerscontrole bezig was, moest naar rijbewijs en kentekenbewijs gevraagd worden. De auto waar de verdachte in reed was een BMW X6, een heel dure auto met een Oost-Europees type op de bijrijdersstoel en een Hindoestaans/Surinaamse bestuurder, een opvallende combinatie. De backoffice meldde dat het om een lease-auto ging van een bepaalde firma die op een zwarte lijst van de afdeling Zwacri stond. De verbalisanten kregen opdracht de auto te volgen. De surveillanceauto heeft de auto vervolgens aan de kant gezet. Aan de verbalisanten was uitgelegd dat zij een normale verkeerscontrole moesten doen en dat zij daarna moesten vragen of zij in de auto mochten kijken om te kijken of er wapens in lagen.

De Dynamische Verkeerscontrole Het ‘Blauwe’ Boekje

In het door verbalisant 1 aan de raadsheer-commissaris gezonden boekwerk, geheten “De Dynamische Verkeerscontrole. Het ‘Blauwe’ Boekje” wordt de dynamische verkeerscontrole ten behoeve van de politiepraktijk nader toegelicht. Het houdt, voor zover hier van belang, het volgende in.

De methode van de dynamische verkeerscontrole is landelijk een begrip geworden en wordt door vele politie-eenheden toegepast. In Amsterdam is in oktober 2013 besloten de methode in de gehele eenheid (“blauw” en “grijs”) te implementeren.

Een dynamische verkeerscontrole wordt met name uitgevoerd ten aanzien van personen die verondersteld worden crimineel actief te zijn. Verkeerscontroles bieden een uitgelezen mogelijkheid met beroepscriminelen in contact te komen, hen te spreken, informatie te vergaren over hun actuele besognes en te onderzoeken of zij verboden zaken bij zich hebben. Een reguliere uitvoering van een verkeerscontrole biedt die mogelijkheid niet. Beroepscriminelen die op een grondige manier worden gecontroleerd, zullen zich uiteindelijk minder veilig voelen in hun contacten met de politie.

Criminelen kunnen aan de hand van bepaalde risicokenmerken worden herkend, zoals gedrag dat afwijkt van wat te verwachten is. Het gaat bijvoorbeeld om personen die een joviale houding ten opzichte van de politie hebben, om de combinatie van de bestuurder en het voertuig, het gebruik van huur- of leaseauto’s, het bezit van meerdere telefoons, het bezit van “jammers”, “spookburgers” of personen met antecedenten. De plaatsen waar deze criminelen komen, heten “sleutelplaatsen”.

De selectie van de te controleren personen vindt bij een dynamische verkeerscontrole op een andere wijze plaats dan bij een normale verkeerscontrole. De kern van deze methode is dat de politie door het stellen van vragen zoveel mogelijk informatie over alle inzittenden van een auto probeert te verzamelen als de politie aanwijzingen heeft dat zich in de auto beroepscriminelen bevinden. De politie vraagt alle inzittenden toestemming hen te mogen fouilleren en vraagt de bestuurder toestemming de auto te mogen doorzoeken. Nadat een voertuig is geselecteerd en enige tijd is gevolgd, geeft een agent in een opvallende surveillanceauto aan de bestuurder van dat voertuig een stopteken, deelt hij de bestuurder mede dat hij aan een verkeerscontrole wordt onderworpen en vordert hij ter inzage zijn/haar rijbewijs en het kentekenbewijs van de auto. Dit laatste is de enige juiste manier om een dynamische verkeerscontrole te beginnen. Iedere andere manier, bijvoorbeeld het vragen naar een identiteitsbewijs, zal door de rechter als détournement de pouvoir worden aangemerkt.

De kern van de bij de dynamische verkeerscontrole toegepaste methode ‘Vragen Staat Vrij’ is dat de politie bij het uitvoeren van de verkeerscontrole door het stellen van vragen zoveel mogelijk informatie probeert te verzamelen over alle inzittenden. Het is essentieel dat de controlerende politieambtenaren juridisch goed onderlegd zijn en dat ze beschikken over een gezonde portie durf. Bij voorkeur moet worden toegewerkt naar een moment waarop toestemming wordt gevraagd voor fouillering en doorzoeking.

De rechter stelt zich op het standpunt dat na het geven van een stopteken op grond van de Wegenverkeerwet daadwerkelijk met een verkeerscontrole begonnen moet worden. Door het vorderen van rijbewijs en kentekenbewijs wordt aan deze eis voldaan. Daarna kan zonder problemen naar opsporing worden overgeschakeld. Door het vorderen van het rijbewijs en kentekenbewijs is het voor de rechter duidelijk dat de bestuurder niet uitsluitend voor opsporingsdoeleinden een stopteken heeft gekregen, maar dat hij een stopteken heeft gekregen voor het onder andere daadwerkelijk ondergaan van een verkeerscontrole.

De tijd die de backoffice nodig heeft voor de zoekslag in alle systemen aan de hand van de gegevens uit het rijbewijs en het kentekenbewijs, kan door de controlerende agent worden gebruikt om een gesprek aan te gaan met de bestuurder en de overige inzittenden. Nadat de identiteit en de politiële geschiedenis van de bestuurder zijn vastgesteld, wordt de aandacht verlegd naar de overige inzittenden en wordt van hen een identiteitsbewijs gevorderd op grond van artikel 8 van de Politiewet 2012. Dat is ook een geschikt moment om de betrokkenen uit te leggen waarom de controle zo grondig is en aanzienlijk verder gaat dan zij verwachten of wellicht gewend zijn. Als de agent op ontspannen toon uitlegt dat hij de controle zo grondig doet om de stad Amsterdam veiliger te maken, zal de agent over het algemeen welwillend tegemoet worden getreden. Vervolgens kan de agent vragen om toestemming tot doorzoeking van het voertuig en bagage en fouillering van de inzittenden. Mocht de betrokkene weigeren, dan kan een eventueel tweede uitleg maken dat hij alsnog toestemming geeft. Mocht de betrokkene blijven weigeren, dan beziet de agent of hij een redelijke verdenking heeft op grond waarvan hij de bevoegdheid tot doorzoeking of fouillering kan uitoefenen. Mocht dat niet het geval zijn, dan kan de agent uitgebreid alle bijzonderheden muteren die aan de controle te ontlenen zijn.

Oordeel van het hof over de rechtmatigheid van de dynamische verkeerscontrole

Op grond van de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken, de verklaringen van de verbalisanten bij de raadsheer-commissaris en de inhoud van voormeld boek kan als vaststaand worden aangenomen dat de politie ten aanzien van de verdachte een dynamische verkeerscontrole, zoals nader omschreven in dat boek, heeft uitgevoerd. Het doel van de dynamische verkeerscontrole is het in contact komen met (potentiële) criminelen en het vergaren van informatie onder de in ‘Het Blauwe boekje’ vermelde omstandigheden. Bij die controles is het de politie te doen om strafvorderlijke fishing expeditions: opsporingsactiviteiten op basis van vage risicokenmerken zonder enige verdenking ter zake van enig strafbaar feit, waardoor informatie kan worden vergaard die bij een reguliere verkeerscontrole niet toegankelijk zou zijn. Het doen stoppen van het desbetreffende voertuig en het vorderen van inzage in het rijbewijs en het kentekenbewijs dienen in dat verband een drieledig doel:

  1. het vaststellen van de identiteit van de bestuurder, op basis waarvan in de politiële systemen kan worden gezocht naar (mogelijk belastende) informatie over deze personen, omdat in deze gevallen het vorderen van inzage in een identiteitsbewijs van de bestuurder op de voet van artikel 8 Politiewet 2012 niet tot de mogelijkheden behoort;
  2. het verhullen voor de bestuurder en de inzittenden dat de politie alleen geïnteresseerd is in hun eventuele criminele achtergronden en activiteiten op andere gebieden dan de verkeerswetgeving;
  3. het (mede ten behoeve van de rechter) doen voorkomen dat aan de wettelijke eisen is voldaan - doordat “formeel” een verkeerscontrole wordt uitgevoerd - omdat anders sprake zou zijn van détournement de pouvoir, nu de politie niet op andere grond bevoegd is een voertuig met inzittenden te controleren.

Van daadwerkelijke controle op de naleving van de verkeersvoorschriften is geen sprake; daarin is de politie kennelijk niet geïnteresseerd. Om de schijn op te houden dat dit wel het geval is, worden een surveillanceauto en agenten in uniform ingezet.

Ook in het onderhavige geval heeft de politie de auto van de verdachte in het kader van een dynamische verkeerscontrole geselecteerd en deze controle vervolgens toegepast. Als reden daarvoor is in het daarvan opgemaakte proces-verbaal alleen vermeld dat de auto op naam bleek te staan van een bedrijf waarvan criminelen “gebruik maakten”. Door enkele verbalisanten is daaraan, bij gelegenheid van hun verhoor bij de raadsheer-commissaris, toegevoegd dat het een dure auto betrof voor de wijk waar hij reed (hof: de Ookmeerweg in Amsterdam West) respectievelijk dat in een dure auto een Oost-Europees type op de bijrijdersstoel zat en een Hindoestaans/Surinaamse man bestuurder was, hetgeen een opvallende combinatie werd gevonden, maar uit het dossier is niet van objectieve gegevens gebleken die het, klaarblijkelijke, gevoel van onbehagen van de verbalisanten dat er mogelijk iets met dit voertuig aan de hand zou zijn, ondersteunt.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de politie de haar toekomende controlebevoegdheden van de Wegenverkeerswet 1994 uitsluitend heeft aangewend ten behoeve van opsporingsactiviteiten, derhalve voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheden zijn gegeven, hetgeen détournement de pouvoir ofwel strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk oplevert.

Er is dus sprake van een bij het voorbereidend onderzoek begaan onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv.

Rechtsgevolg

Bij beantwoording van de vraag welk rechtsgevolg aan dit vormverzuim dient te worden verbonden, dient het hof rekening te houden met het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. Het hof overweegt te dien aanzien het volgende.

De controlebevoegdheden in de Wegenverkeerswet 1994 zijn gegeven ten behoeve van het toezicht op de naleving van de verkeersvoorschriften; de omstandigheid dat deze in voorkomende gevallen mede kunnen worden gebruikt ten behoeve van de opsporing van niet aan de verkeerswetgeving gerelateerde delicten, doet daaraan niet af. Het verbod op détournement de pouvoir - toegespitst op deze zaak: het verbod de WVW-controlebevoegdheden te gebruiken voor louter andere doeleinden dan waarvoor zij zijn gegeven - is een fundamenteel beginsel van behoorlijke procesorde. Het gaat derhalve om een zeer belangrijk rechtsbeginsel. Het hof voegt daar aan toe, hetgeen ook de ernst van het verzuim betreft, dat de schending van het verbod op détournement de pouvoir - door het toepassen van de dynamische verkeerscontrole - in casu voortkwam uit een tevoren geplande, gerichte actie en dat de betrokken opsporingsambtenaren wisten dat daarmee werd beoogd (nadere) informatie te verkrijgen omtrent vanuit opsporingsperspectief mogelijk interessante personen, zoals de verdachte, ook al bestond geen enkele verdenking ter zake van enig strafbaar feit tegen die personen. Het was de opsporingsambtenaren ook bekend dat het vorderen van inzage in het rijbewijs en het kentekenbewijs louter dienden om hun optreden “formeel” het aanzien van een verkeerscontrole te geven. Die schijn werd niet alleen opgehouden tegenover de verdachte, maar overeenkomstig het “beleid” zoals aangehouden bij de dynamische verkeerscontrole ook tegenover de rechter. Pas door de verhoren op verzoek van de verdediging van de verbalisanten bij de raadsheer-commissaris heeft het hof volledig zicht gekregen op de feitelijke gang van zaken.

Naar het oordeel van het hof is het van groot belang dat een ieder erop kan vertrouwen dat overheidsorganen de hun toegekende bevoegdheden gebruiken voor de doeleinden waarvoor zij zijn gegeven en dat de politie zich in dit opzicht controleerbaar opstelt. Dynamische verkeerscontroles als de onderhavige maken een aanzienlijk inbreuk op dat vertrouwen, beperken de vrijheid van beweging en schenden de persoonlijke levenssfeer. De mededelingen die aan de verdachte (en de inzittende) zijn gedaan over de met vuurwapengeweld gepaard gaande geweldsdelicten waren bedoeld als middel om toestemming voor een doorzoeking van de auto te verkrijgen.

Het nadeel dat de verdachte, als burger die is blootgesteld aan voormeld politieoptreden, heeft ondervonden van de dynamische verkeerscontrole is dan ook evident, waarbij het hof zich er rekenschap van heeft gegeven dat zijn belang dat het gepleegde feit - het bezit van verdovende middelen - niet werd ontdekt, niet kan gelden als een rechtens te respecteren belang.

Blijkens de hiervoor vermelde verhoren en Het ‘Blauwe’ Boekje, zijn de dynamische verkeerscontroles vast beleid van (in ieder geval een deel van) de politie geworden en wordt de toepassing ervan al enige tijd actief gepropageerd. Het structurele karakter van het vormverzuim staat hiermee onomstotelijk vast. Voorts is in geen enkel opzicht aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie vanaf het moment waarop dit structurele verzuim bekend moet zijn geweest, zich ook maar enige inspanning heeft getroost om deze werkwijze te voorkomen. Het is veeleer aannemelijk, gelet ook op het standpunt van het openbaar ministerie zoals verwoord door de advocaat-generaal, dat het openbaar ministerie zijn fiat aan het gebruik van de dynamische verkeerscontroles heeft gegeven.

Op grond van de vaststellingen van het hof inzake de toepassing van de dynamische verkeerscontroles en het belang dat door de politie daaraan wordt gehecht, in het bijzonder de daarmee te verwerven informatie over in hun ogen criminele personen en activiteiten, kan alleen met bewijsuitsluiting de beoogde normerende werking worden bewerkstelligd. Strafvermindering zal, naar de stellige overtuiging van het hof, zodanige normerende werking grotendeels ontberen. In casu weegt naar het oordeel van het hof het met bewijsuitsluiting te dienen belang op tegen de belangen gediend met de waarheidsvinding (in een strafproces) en bestraffing van daders van een strafbaar feit, in aanmerking genomen dat de dynamische verkeerscontroles niet zijn gerelateerd aan een gepleegd strafbaar feit, laat staan aan de waarheidsvinding terzake of de bestraffing van de dader.

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat het vormverzuim moet leiden tot bewijsuitsluiting van de vondst van de verdovende middelen in de auto van de verdachte, welke vondst als rechtstreeks gevolg van de toepassing van de dynamische verkeerscontrole moet worden beschouwd.

Gelet hierop is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak witwassen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8979 Uit het dossier en verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte meerdere malen sieraden en goud heeft verkocht. De persoonsregistratie van de inkoopfirma was echter niet waterdicht. Dit betekent dat niet zonder meer als vaststaand kan worden aangenomen dat degene die in het register als verkoper van sieraden en/of goud staat vermeld ook (telkens) de werkelijke aanbieder was.

Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld hoe vaak verdachte sieraden en/of goud heeft ingeleverd, en wat de totale waarde hiervan is geweest. Verdachte heeft daarnaast een verklaring afgelegd omtrent de herkomst van de door haar ingeleverde goederen, welke verklaring het hof niet zonder meer onaannemelijk acht en ook niet wordt weersproken door de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verwervingshandelingen van verdachte aan te merken als gedragingen die als witwassen kunnen worden gekwalificeerd

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 december 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:5171 Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 1, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 02-666651-11 ten laste gelegde en ter zake van het meermalen plegen van witwassen (parketnummer 02-800144-11 onder 4) veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en 240 uren werkstraf, met aftrek van voorarrest, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Vrijspraak (woning 1 en contante geldbedragen)

Ten aanzien van woning 1 heeft het hof niet kunnen vaststellen dat verdachte het gronddelict (oplichting) heeft gepleegd, zodat zij van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging op deze woning ziet. De oplichting zou er in hebben bestaan dat verdachte bij het aanvragen van de hypothecaire geldlening (nodig voor de aankoop van voornoemde woning) gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring. Bedoelde werkgever betrokkene 1 heeft, als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord, verklaard dat die werkgeversverklaring overeenkomstig de waarheid is opgemaakt, dat verdachte op dat moment bij hem in dienst was, dat zij feitelijk vanaf begin februari 2007 voor hem heeft gewerkt en dat de intentie was dat zij bij hem in dienst zou blijven. Het hof heeft geen reden om aan de inhoud van die verklaring te twijfelen. Hoewel verdachte kort nadien uit dienst is getreden, kan derhalve niet worden vastgesteld dat de werkgeversverklaring die door verdachte bij de aanvraag van de hypothecaire geldlening in februari 2007 is gebruikt, vals was.

Ten aanzien van de contante geldbedragen kan het hof evenmin vaststellen dat deze van misdrijf afkomstig zijn, zodat verdachte ook in zoverre van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring gegeven voor de herkomst van deze geldbedragen die het hof niet onaannemelijk voorkomt, mede nu deze verklaring (deels) ondersteuning vindt in de verklaringen van in hoger beroep ter terechtzitting gehoorde getuigen.

Bewezenverklaring hypotheekfraude

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij in de periode van 2 november 2009 tot en met 6 februari 2011 te Waalwijk een voorwerp, te weten een stuk grond/bouwterrein en een woning aan de woning 2 heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl zij wist dat dat bovengenoemde voorwerp - middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het perceel aan de adres woning 2, zijnde een bouwterrein met daarop een woonhuis in aanbouw, door verdachte van haar partner (medeverdachte) werd gekocht voor €342.440,00. De levering aan verdachte vond plaats op 2 november 2009. Voor de betaling van de koopsom is een hypotheek gevestigd bij Nationale Nederlanden van €365.000 euro ten laste van verdachte.

Uit de hypotheekofferte van Nationale Nederlanden d.d. 20 april 2009 (pg. 250 t/m 264) blijkt dat verdachte bij de hypotheekaanvraag heeft opgegeven inkomsten uit dienstverband te hebben en dat Nationale Nederlanden bij het beoordelen van de aanvraag en het uitbrengen van de aanbieding is uitgegaan van de door verdachte verstrekte gegevens. De financier wilde nog ter goedkeuring de werkgeversverklaring ontvangen waaruit het opgegeven inkomen uit vast dienstverband bleek. Verdachte heeft op 29 april 2009 de hypotheekofferte ter goedkeuring ondertekend met als gewenste passeerdatum "zsm".

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat door verdachte aan Nationale Nederlanden onder meer een werkgeversverklaring is overgelegd van bedrijf 1, waarin is vermeld dat verdachte op 1 april 2009 voor onbepaalde tijd bij bedrijf 1 in dienst is getreden en een bruto jaarsalaris van €35.580,00 heeft. Deze werkgeversverklaring is door betrokkene 2 ondertekend. betrokkene 2 heeft op 22 september 2011 (pg. 325 t/m 327) bij de politie verklaard dat verdachte nooit voor hem heeft gewerkt en dat hij via het salaris van verdachte de door hem aan medeverdachte verschuldigde overnamesom van bedrijf 1 heeft betaald.

Het hof gaat uit van de juistheid van voornoemde verklaring van betrokkene 2 en hecht geen geloof aan zijn verklaring ten overstaan van de raadsheer-commissaris dat verdachte wel degelijk bij hem in dienst is geweest, tot juli 2009 in de winkel werkte, later haar werkzaamheden thuis uitvoerde en steeds 20 uur per week voor het bedrijf heeft gewerkt.

De verklaring van betrokkene 2 ten overstaan van de politie vindt immers bevestiging in de verklaring van de getuige Takarindingan. Takarindingan is evenals betrokkene 2 op 22 september 2011 door de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat hij die ochtend telefonisch contact had gehad met betrokkene 2 die hem vroeg of hij strafbaar was geweest, omdat hij verdachte in loondienst had gehad, terwijl zij nooit had gewerkt. Zij hebben toen afgesproken dat ze gewoon zouden vertellen hoe de overname van bedrijf 1 keukens is gegaan. Voorts vindt de verklaring van betrokkene 2 bevestiging in de verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg. Zij heeft alstoen verklaard dat zij weinig of geen werkzaamheden heeft verricht voor bedrijf 1.

Gelet op vorenstaande stelt het hof vast dat de werkgeversverklaring van bedrijf 1 valselijk is opgemaakt. Verdachte heeft deze werkgeversverklaring desgevraagd aan Nationale Nederlanden verstrekt teneinde deze maatschappij ertoe te bewegen haar een hypothecaire geldlening te verstrekken. Aldus is sprake van oplichting. Met het geld dat verdachte aldus heeft verkregen heeft zij het perceel en de in aanbouw zijnde woning aan de adres woning 2 gekocht. Deze onroerende zaak is dan ook middellijk afkomstig uit misdrijf, zoals bewezen verklaard.

Het verweer wordt verworpen.

Verweer ten aanzien van witwassen

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu haar handelen niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en dientengevolge geen strafbaar feit zou opleveren. Daartoe heeft hij aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat er geen sprake kan zijn van witwassen door de verdachte, aangezien zij geen gedragingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de gelden (te weten: de hypothecaire leningen) waarmee zij de onderhavige woning heeft verkregen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door haarzelf begaan misdrijf niet kan bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en derhalve niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Het hof acht evenwel bewezen dat de verdachte door middel van het plegen van een misdrijf (oplichting/valsheid in geschrift) een hypothecaire geldlening, en daarmee door misdrijf verkregen gelden, heeft verkregen. Vervolgens heeft de verdachte met die door misdrijf verkregen gelden onroerend goed verworven dat derhalve middellijk afkomstig was uit enig misdrijf en daarmee een handeling verricht die niet louter heeft bestaan uit het enkele voorhanden hebben van voorwerpen (gelden) die afkomstig zijn uit het door de verdachte zelf gepleegde misdrijf.

Genoemde verwervingshandelingen zijn ook volgens de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 11 mei 2010, NJ 2010, 655 en HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:950) aan te merken als gedragingen die als witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Uit de wetsgeschiedenis volgt immers dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde en naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door haar handelwijze genoemde integriteit aangetast door de door misdrijf verkregen gelden aan te wenden om de koopsom van de onroerende zaak te betalen.

Gelet op het bovenstaande verwerpt het hof het verweer.

Bewezenverklaring

Witwassen

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^