Rechterlijk pardon in Leerplichtwetzaak

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2093

Gelet op de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd en de inhoud van het proces-verbaal van de leerplichtambtenaar acht het hof ten laste van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat hij in de periode van 31 augustus 2012 tot en met 1 februari 2013, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere A niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten "Montessorischool", was ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezocht.

Het bewezen verklaarde is als overtreding voorzien bij artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 en strafbaar gesteld in artikel 26, eerste lid, van diezelfde wet. Het wordt als volgt gekwalificeerd: als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen.

Strafbaarheid van verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd met het doel om het leerprobleem en de mede daardoor ontstane leerachterstand van de leerplichtige A aan te pakken; bovendien niet eerst nadat alternatieven niet het gewenste effect bleken te hebben en slechts één dag per week. De verdachte meent dat er sprake was van een noodtoestand.

Het hof begrijpt deze verklaring van de verdachte als een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand, als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor een geslaagd beroep op noodtoestand is vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele concrete nood en die geëigend is om aan die actuele concrete nood een eind te maken.

Anders dan de kantonrechter meent, is daarvan naar het oordeel van het hof geen sprake geweest. Het hof onderkent dat de verdachte en zijn echtgenote in een lastige positie verkeerden toen zij werden geconfronteerd met het gebrek aan basisvaardigheden en kennis bij hun zoon A. Het hof onderkent ook dat zij zich enorm hebben ingespannen om zijn leerprobleem en leerachterstand aan te pakken. Zo hebben zij informatie vergaard en naar aanleiding daarvan aan het einde van groep 5 besloten A van de reguliere basisschool over te plaatsen naar de “Montessorischool”. Op die school hebben zij gesprekken gevoerd, als gevolg waarvan A in groep 6 extra hulp van de docente kreeg. In groep 7 merkten zij dat A nog dermate achterliep dat het voor hem beter was om te doubleren; daartoe werd beslist. Er is bijles gegeven, zowel op school als thuis, A is uitgebreid getest en er is in overleg met de school een “rugzakje” (leerlinggebonden financiering) aangevraagd. Die aanvraag werd uiteindelijk afgewezen en in groep 8 was voor de verdachte de maat vol. Hij heeft daarover ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Nadat de aanvraag was afgewezen, werd er vanuit de school gezegd dat zij er niet veel meer aan konden doen. (…) De motivatie van A werd steeds slechter. Hij kreeg materialen aangeboden waar hij nauwelijks iets van leerde. In groep 8 miste hij op een gegeven moment te veel kennis. Vanuit school werd er niets gedaan. Toen was ik ‘pissed’ en dacht ik: ‘Ik hou hem een dag thuis’. Wij voelden ons ernstig tekortgedaan. Die dag merkten wij een wereld van verschil. (…) Wij hebben vervolgens een gesprek gehad met de school en de leerplichtambtenaar. Daarin hebben wij gezegd dat wij individueel onderwijs wilden geven. Vanuit de school werd alleen aangeboden om dat gedurende 2 uur op school te doen. (…) Wij hebben hem toen iedere vrijdag thuis gehouden om hem daar individueel onderwijs te geven. Ons dilemma, als ouders, was dat de Citotoets eraan zat te komen. (…) Op dat moment hadden wij het risico kunnen nemen om A - in een heug en meug situatie - in de avonduren en weekenden het nodige bij te brengen. Wij hebben gedaan wat het beste was om hem op niveau te krijgen. (…) Wij zijn hiermee in februari 2013, nadat de Citotoets was afgenomen, gestopt. Hoewel wij constateerden dat het individueel onderwijs een enorm effect had gehad, vonden wij dat de situatie van nood daar was geëindigd. (…) Wij vonden individueel onderwijs nog steeds belangrijk, maar gaven dat vanaf dat moment in de avonduren, in de weekenden en op school gedurende de aan ons aangeboden 2 uur.”

Uit deze verklaring van de verdachte kan worden afgeleid dat andere oplossingen voor het leerprobleem en de leerachterstand van A niet verder zijn onderzocht of beproefd. De maat was voor de verdachte vol en het aanbod van school om het individuele onderwijs gedurende 2 uur op school te geven, werd door de verdachte en zijn echtgenote afgeslagen.

Daar komt bij dat uit het onderzoek ter terechtzitting evenmin is gebleken dat er sprake was van een actuele concrete nood. Die nood bleek niet uit de test die van A was afgenomen. Dat de uitkomst van die test mede het advies inhield om A nader te testen en dat dit advies niet door de school was overgenomen, zoals de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, laat onverlet dat die nadere test ook op zijn eigen initiatief had kunnen worden afgenomen. Die keuze maakt dat de nood, zo die destijds heeft bestaan, niet is aangetoond. De persoonlijke opvatting van de verdachte en zijn echtgenote is, nu nader deskundig onderzoek naar eventuele alternatieven achterwege is gebleven, daartoe onvoldoende. Opmerking verdient in dit verband nog dat uit de hierboven aangehaalde verklaring van de verdachte niet zozeer een noodsituatie spreekt, maar meer de wens van de ouders dat hun kind een goed resultaat behaalt tijdens de Citotoets. Nadat de Citotoets was afgenomen, heeft de verdachte de overtreding immers gestaakt.

Het verweer van de verdachte moet daarom worden verworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Strafoplegging

De advocaat-generaal, heeft in navolging van de officier van justitie, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 100, subsidiair 2 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Met die strafeis heeft hij tot uitdrukking gebracht dat hij niet twijfelt aan de goede intenties van de verdachte: hij meende met het overtreden van de Leerplichtwet 1969 het belang van zijn zoon te dienen.

Daar staat tegenover dat hij zonder rechtvaardigingsgrond, zoals hiervoor is overwogen, er bewust voor heeft gekozen om A op vrijdagen niet naar school te laten gaan. Ook het hof twijfelt niet aan de goede intenties van de verdachte, maar stelt tegelijk vast dat hij in strijd met de wet heeft gehandeld. Alleen vanwege de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd, ziet het hof aanleiding toepassing te geven aan het rechterlijk pardon als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof: Vervolgingsuitsluitingsgrond art. 69, vierde lid, Awr is beperkt tot die gevallen waarin de tenlastelegging is toegesneden op art. 225, tweede lid, Sr

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2096 Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde en is ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur alsmede tot een geldboete van € 15.000.

Ontvankelijkheid OM

Namens verdachte is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Subsidiair is integrale vrijspraak bepleit, dan wel vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van die feiten dient te worden verklaard omdat de verdachte niet opzettelijk zou hebben gehandeld, althans dat dat niet kan worden vastgesteld, aldus de raadsvrouwe. Op grond van de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten 2010 (verder: ATV-richtlijnen) had het openbaar ministerie aldus niet tot strafrechtelijke vervolging van de verdachte mogen overgaan, omdat deze vervolgingsrichtlijnen alleen betrekking hebben op de opzettelijk begane strafbare feiten.

Ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde dient het openbaar ministerie volgens de verdediging eveneens niet-ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard. De vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: Awr), welke uitsluitingsgrond betrekking heeft op het tweede lid van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr), zou door middel van een ruime interpretatie van het toepassingsbereik daarvan ook moeten gelden ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde eerste lid van artikel 225 Sr. Immers, de verdachte wordt blijkens de tekst van de tenlastelegging verweten het valselijk opmaken van de bij de Belastingdienst ingeleverde aangiften omzetbelasting, hetgeen impliceert dat de verdachte ook gebruik heeft gemaakt van de valse aangiften, hetgeen valt onder het bereik van artikel 225, tweede lid, Sr, althans zo verstaat het hof het verweer van de raadsvrouwe. De raadsvrouwe heeft in dat verband verwezen naar een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2013 (ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1739), waarbij de rechtbank overwoog dat er ook gevallen denkbaar zijn waarin een vervolging op grond van het eerste lid van artikel 225 Sr in strijd is met het vierde lid van artikel 69 Awr.

Krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt. Slechts indien zou blijken dat het openbaar ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken.

Het bestaan van een dergelijke situatie is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. In het bijzonder staan de zogenoemde ATV-richtlijnen niet in de weg aan een vervolging van de verdachte. Onderhavige zaak valt volgens de van toepassing zijnde ATV-richtlijnen van 2010 in categorie I, feiten waarbij de verdenking (cursivering hof) was dat deze opzettelijk zijn begaan, en waarbij sprake is van een belastingnadeel van tussen € 10.000,-- (drempelbedrag voor particulieren) dan wel € 15.000,-- (drempelbedrag voor ondernemingen) en € 125.000,--. Of opzettelijk handelen ook daadwerkelijk kan worden bewezen is uiteindelijk aan de rechter. Het verweer onder A.1. treft aldus geen doel.

Het meest subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 225, eerste lid, Sr, te weten het – kort gezegd – plegen van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken of vervalsen van aangiften voor de omzetbelasting ten name van medeverdachte 1. Het hof overweegt voorts dat het een uitdrukkelijke keuze is geweest van de wetgever om de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, Awr te beperken tot die gevallen waarin de tenlastelegging is toegesneden op artikel 225, tweede lid, Sr. Het is niet aan de rechter om zulks uit te breiden.

Daarbij komt dat de uitleg die door de raadsvrouwe aan het eerder vermelde vonnis van de rechtbank is gegeven, namelijk dat ook in het onderhavige geval, waarin het ten laste gelegde is toegesneden op artikel 225,eerste lid, Sr, de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, Awr aan de orde kan zijn, berust op een verkeerde lezing van het vonnis. Immers, de betreffende uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant handelt over het voegen van valse facturen in de bedrijfsadministratie waarmee de facto sprake is van het voeren en voorhanden hebben van een valse bedrijfsadministratie. Omdat het voeren van de administratie niet op een correcte wijze is geschied, kan dit feit in de aangehaalde uitspraak worden vervolgd op grond van artikel 68 lid 1 onder d Awr. Het is strafbaar gesteld in artikel 69, lid 1 Awr en om die reden is op grond van artikel 69 lid 4 Awr, vervolging op grond van artikel 225 Sr uitgesloten. Daarvan is in de onderhavige zaak echter geen sprake. Ook het verweer onder A.2. treft geen doel.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde is het hof, met de rechtbank en de procespartijen, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van feitelijk leidinggeven als bedoeld in artikel 51 Sr.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is het hof, met de verdediging maar anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat op basis van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting niet, althans met onvoldoende mate van zekerheid, kan worden vastgesteld dat sprake is van straffeloosheid van medeverdachte 1 dan wel van eigenaar medeverdachte 2, hetgeen een vereiste is voor een bewezenverklaring van de deelnemingsvorm “doen plegen”.

Terzake de vrijspraak van het meer subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof als volgt.

Aan verdachte is ten laste gelegd het (mede)plegen van het opzettelijk onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften voor de omzetbelasting ten name van medeverdachte 1.

Het hof stelt voorop dat de verdachte slechts als pleger van het onjuist doen van de op naam van medeverdachte 1 gestelde aangiften omzetbelasting kan worden aangemerkt, indien de verdachte degene was die tot het doen van die aangiften gehouden was, dat wil zeggen de kwaliteit van aangifteplichtige heeft (vgl. Hoge Raad 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8286). De aangiften omzetbelasting zijn uitgereikt op naam van medeverdachte 1. In de parlementaire geschiedenis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is reeds in de jaren vijftig van vorige eeuw in de MvT, Tweede Kamer, 1954-1955, 4080, nr. 3, blz. 14, rk., 6e al., voor zover te dezen relevant, het volgende vermeld:

De voorgestelde regeling wijkt in zover af van de bestaande, dat de verplichting tot het doen van aangifte steeds – dus ook met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen – eerst zal ontstaan door uitreiking van een aangiftebiljet en niet rechtstreeks uit de wet voortvloeit.”

In de lijn met de wetsgeschiedenis volgt uit vaste jurisprudentie, dat de verdachte alleen tot het doen van aangifte was gehouden, indien hij (zelf) was uitgenodigd tot het doen van aangifte (Hoge Raad 28 maart 1979, BNB 1979/170; Hoge Raad 21 oktober 1998, BNB 1999/7; Hoge Raad 23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161).

Nu niet is gebleken dat verdachte is uitgenodigd tot het doen van aangiften, kan hij niet worden aangemerkt als pleger van het onjuist doen van die aangiften (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch, 1 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2341).

Voor het medeplegen acht het hof voorts onvoldoende bewijs voorhanden. Immers, niet kan worden vastgesteld dat er tussen verdachte en medeverdachte 1 dan wel tussen verdachte en (een ander of) anderen, zoals medeverdachte 1 en medeverdachte 2 en/of medeverdachte 1 en medeverdachte 3 sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat dit medeplegen zou opleveren. De verklaringen van medeverdachte 2 en de verdachte staan lijnrecht tegenover elkaar en voor een mogelijke betrokkenheid van medeverdachte 3 zoals door medeverdachte 2 is aangegeven bij de FIOD, is onvoldoende steunbewijs voorhanden.

Ten slotte overweegt het hof met betrekking tot het meest subsidiair ten laste gelegde (mede)plegen van valsheid in geschrift als volgt.

Zoals hiervoor reeds overwogen kan niet worden vastgesteld dat tussen verdachte en een ander of anderen een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan. Voor een bewezenverklaring van medeplegen bevat het dossier aldus onvoldoende bewijs.

Op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan niet rechtstreeks worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de aangiften valselijk heeft opgemaakt dan wel heeft vervalst. Uit het dossier kan, naar het oordeel van hof, evenmin met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld, dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die het ten laste gelegde heeft gepleegd. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

De ten laste gelegde aangiften zijn, zo blijkt uit het dossier, binnengekomen met behulp van een softwarepakket op de computersystemen van de rijksbelastingdienst door tussenkomst van bedrijf verdachte. Uit het dossier volgt echter ook dat het mogelijk was om vanuit het kantoor van medeverdachte 1 in

’s-Gravenpolder in te loggen op de server van verdachte en toegang te krijgen tot het boekhoudprogramma. Volgens verdachte was het ook mogelijk om vanuit ’s-Gravenpolder het aangifteprogramma Primaccount te raadplegen en daarin wijzigingen aan te brengen. Ook konden de aangiften, volgens verdachte, vanuit ’s-Gravenpolder op elektronische wijze bij de rijksbelastingdienst worden ingediend.

Het aangifteprogramma Primaccount is, na onderzoek door de FIOD, niet aangetroffen op de servercomputer van verdachte. Volgens verdachte is dit te verklaren doordat het programma via een externe schijf was gekoppeld aan de servercomputer en die koppeling er niet meer was ten tijde van het onderzoek door de FIOD. Ook deze stelling is door de FIOD onderzocht. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen harde schijf met de server verbonden is geweest waarop het programma Primaccount heeft gestaan.

In het onderzoek is de directeur van medeverdachte 1, medeverdachte 2, aanvankelijk als getuige maar later tevens als verdachte gehoord, doch hij heeft verklaard dat hij nooit een aangifte omzetbelasting van medeverdachte 1 heeft aangepast of ingediend bij de rijksbelastingdienst.

Medeverdachte 3 toentertijd werkzaam bij medeverdachte 1, heeft aanvankelijk verklaard dat de bedragen in de aangiften omzetbelasting ten name van medeverdachte 1 door verdachte in overleg met medeverdachte 2 werden gewijzigd. Later is medeverdachte 3 op zijn verklaring teruggekomen waar het gaat om de betrokkenheid van verdachte.

Voorts neemt het hof in ogenschouw dat onduidelijk is en blijft wat het motief voor de verdachte zou zijn geweest. In het dossier zijn aanwijzingen te vinden dat bedragen ten goede zijn gekomen aan familie van verdachte. De geldstromen tussen verdachte en medeverdachte 1 zijn echter niet (volledig) onderzocht, zodat er geen bewijs is dat de (door medeverdachte 1 terug gekregen en/of niet afgedragen) omzetbelasting geheel door verdachte is genoten. Daarbij is van belang dat er geen vermogensvergelijking aan de zijde van (met name) verdachte heeft plaatsgevonden. Door het ontbreken van vermogensvergelijkingen ten aanzien van verdachte en medeverdachte 3 en medeverdachte 1 ontbreekt het bewijs wie heeft geprofiteerd van de (door medeverdachte 1 terug gekregen en/of niet afgedragen) omzetbelasting.

Hoewel het dossier derhalve sterke aanwijzingen bevat die duiden op een directe betrokkenheid van de verdachte bij de valsheid/vervalsing, zijn er bij het hof twijfels blijven bestaan over de precieze gang van zaken, hetgeen in het voordeel van de verdachte moet worden uitgelegd. Alles overziende komt het hof, anders dan de rechtbank en anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, tot een integrale vrijspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor Twentse ex-neuroloog: Opzet niet bewezen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft op 18 juni uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de Twentse ex-neuroloog Ernst J., die werd verdacht van het opzettelijk in hulpeloze toestand brengen dan wel laten van negen patiënten. Ook werd hij verdacht van mishandeling, althans opzettelijke benadeling van de gezondheid van deze negen patiënten, met als gevolg zwaar lichamelijk letsel en in één geval de dood. De feiten vonden plaats tussen 1997 en 2003.

Het hoger beroep is zowel door de verdediging als het openbaar ministerie beperkt ingesteld. Daarom zijn in hoger beroep alleen de hierboven genoemde feiten aan de orde. Ten aanzien van de overige feiten op de oorspronkelijke tenlastelegging (diefstal van een receptenblok, het valselijk opmaken van machtigingsformulieren en recepten en verduistering van geld) is verdachte door de rechtbank veroordeeld. Dat deel van het vonnis is door het beperkt ingestelde hoger beroep inmiddels onherroepelijk geworden.

Eerste aanleg

De rechtbank Overijssel heeft verdachte bij vonnis van 11 februari 2014 na een eis van zes jaar veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. De rechtbank heeft vrijgesproken voor zover de feiten betrekking hadden op het opzettelijk in hulpeloze toestand brengen of laten van de patiënten. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk benadelen van de gezondheid van acht patiënten met zwaar lichamelijk letsel en in één geval de dood tot gevolg.

Hoger beroep

De advocaat-generaal achtte alle feiten bewezen en eiste opnieuw een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.
Alle aan verdachte tenlastegelegde feiten zijn opzetdelicten. De schuldvarianten zijn niet aan het hof voorgelegd: deze feiten waren verjaard. Verdachte kon daarvoor dus niet meer worden vervolgd.
De meest vergaande vraag die het hof diende te beantwoorden, is of de verdachte met opzet heeft gehandeld. Voorop dient te worden gesteld dat het begrip “opzet” in een juridische context een ruimere betekenis heeft dan in het algemeen spraakgebruik. De lichtste vorm van het juridische opzet is het zogenaamde “voorwaardelijk opzet”.
Volgens de rechtbank heeft de ex-neuroloog bij de patiënten in de bewezen verklaarde gevallen verkeerde diagnoses gesteld, heeft hij zich te lang gefixeerd op deze diagnoses en hen daardoor onjuist behandeld. Dit terwijl hij als arts wist dat bepaalde diagnoses niet gesteld konden worden op basis van de voorhanden zijnde gegevens. Daarbij heeft de verdachte welbewust het risico genomen en aanvaard dat de gezondheid van de patiënten ernstig zou worden benadeeld. Hierdoor heeft verdachte zijn zorgplicht als arts op ernstige wijze geschonden.
Het hof acht deze redenering van de rechtbank (en van het openbaar ministerie) niet toereikend om voorwaardelijk opzet bewezen te kunnen achten. De wil, oftewel het welbewust op de koop toe nemen van de aanmerkelijke kans, is daarmee nog niet bewezen.
De enkele wetenschap van een aanmerkelijke kans op het schenden van zorgvuldigheidseisen, protocollen en/of richtlijnen is daarvoor niet voldoende. Met de redenering van de rechtbank (en van het openbaar ministerie) is veeleer bewezen dat verdachte (grovelijk) nalatig heeft gehandeld en verwijtbaar risico’s heeft genomen. Verdachte heeft steeds verklaard dat hij fouten heeft gemaakt, maar dat hij niet te kwader trouw heeft gehandeld en dus niet de benadeling van de gezondheid van zijn patiënten heeft gewild dan wel hen in hulpeloze toestand heeft willen brengen/laten.
Dit alles leidt het hof tot het oordeel dat opzet niet bewezen is. Het gevolg daarvan is: vrijspraak van alle aan het oordeel van het hof onderworpen feiten.

Onherroepelijke feiten

De rechtbank heeft verdachte onherroepelijk veroordeeld voor diefstal van een receptenblok, het valselijk opmaken van machtigingsformulieren en recepten en verduistering van een aanzienlijke som geld. Ingevolge artikel 423 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering moet het hof bepalen welke straf de rechtbank alleen voor die feiten zou hebben opgelegd.
Daarbij is het hof verplicht om uit te gaan van de –inmiddels vaststaande- strafmotivering van de rechtbank en dus ook van het gegeven dat de rechtbank verdachte volledig toerekeningsvatbaar heeft geacht. Het hof komt dus niet toe aan een zelfstandige beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Het hof komt ten aanzien van die door de rechtbank bewezen verklaarde feiten tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk, het vervalsen van OV-chipkaarten

Gerechtshof Den Haag 26 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1427 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk, het vervalsen van OV-chipkaarten en het voorhanden hebben van apparatuur ten behoeve van dit vervalsen.

Nadere bewijsoverweging

Het begrip "geautomatiseerd werk" is gedefinieerd in artikel 80sexies van het Wetboek van Strafrecht, luidende: "Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen."

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de OV-chipkaart een elektronische betaalpas met een Near Field Communication (NFC)-chip is, welke chip een actieve chip is die volgens haar moet worden gekwalificeerd als een geautomatiseerd werk.

Het hof is – met de advocaat-generaal - van oordeel dat de (NFC-)chip van de OV-chipkaarten waartoe de verdachte zich toegang heeft verschaft kan worden aangemerkt als een geautomatiseerd werk, nu deze chip bestemd is (en de technische mogelijkheden heeft) om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Computervredebreuk.
  • Feit 2: Opzettelijk een waardekaart bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, vervalsen met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, meermalen gepleegd.
  • Feit 3: Voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van enig in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

(Hogere) kosten nieuw geboekte vakantie komen via art. 89 Sv voor vergoeding in aanmerking

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4297 Namens verzoeker is ex art. 89 Sv verzocht om vergoeding van de (hogere) kosten van een nieuw geboekte vakantie. Door de vrijheidsbeneming heeft verzoeker de eerder geboekte de vlucht naar zijn vakantiebestemming gemist. Het hof oordeelt dat de kosten van een nieuw geboekte vakantie redelijkerwijs kunnen worden aangemerkt als schade die als gevolg van de onrechtmatige vrijheidsbeneming is geleden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^