Vergoeding ex artikel 591a Sv: Het hof is niet gebonden aan de door de advocaat opgestelde declaratie, deze is niet meer dan een uitgangspunt

Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2466

De rechtbank heeft het verzochte bedrag ter zake van de kosten van rechtsbijstand (€3.679,78) niet in zijn geheel toegewezen, maar daarop een matiging toegepast. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de zaak naar haar oordeel juridisch noch feitelijk complex was en voor een dergelijke zaak uitkomt op een gemiddelde tijdsbesteding van 10 uren, in plaats van de gedeclareerde 15 uren en 6 minuten. Bij de behandeling in raadkamer is daartegen namens verzoeker geageerd.

De advocaat heeft erop gewezen dat het gedeclareerde bedrag is voorzien van een gedetailleerde specificatie van de tijd die hij aan de onderhavige strafzaak heeft gewerkt, dat dit geen bovenmatig aantal uren betreft en hij evenmin een ongebruikelijk hoog tarief heeft gehanteerd. De advocaat heeft betoogd dat het de rechtbank onder die omstandigheden ontbreekt aan een deugdelijke grondslag om 'zomaar' te zeggen dat het werk van de advocaat wel in minder tijd had gekund.

De advocaat-generaal heeft zich aangesloten bij de opvatting die de rechtbank heeft verwoord in haar beschikking, te weten dat bij de beoordeling van een verzoek op de voet van art. 591a Sv de declaratie met urenspecificatie niet meer is dan een uitgangspunt. Vervolgens heeft hij als zijn oordeel naar voren gebracht dat matiging tot een bedrag van € 2.500,- hem billijk voorkomt in het licht van de beperkte omvang en eenvoudige aard van de zaak.

Het hof overweegt als volgt.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de rechter bij het beoordelen van een verzoek tot het toekennen van een vergoeding uit 's Rijks kas op de voet van art. 591a Sv ter zake van de kosten van een raadsman niet is gebonden aan de door de advocaat opgestelde declaratie, ook niet indien deze is voorzien van een gedetailleerde urenspecificatie. De in dit kader door de rechtbank – in navolging van andere gerechten (vgl. Gerechtshof Arnhem 22 januari 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BE8953 en Gerechtshof Arnhem 8 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY0240) – gekozen formulering dat een dergelijke declaratie niet meer is dan een uitgangspunt, brengt tot uitdrukking dat de rechter de ruimte heeft daarvan af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Die gronden van billijkheid kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in de mate waarin de verzoeker aan zichzelf te wijten heeft dat hij de desbetreffende kosten heeft gemaakt, maar ook kunnen zij zijn gelegen in de bovenmatigheid van de declaratie. Het moet in dat laatste geval naar het oordeel van het hof wel gaan om bovenmatigheid die in meer of mindere mate in het oog springt. Is daarvan geen sprake, dan dient de rechter de omvang van de in rekening gebrachte kosten marginaal te toetsen (vgl. Gerechtshof Leeuwarden 3 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BL8539). Het hof is van oordeel dat er gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van het verzochte bedrag.

Ook het verzoek om vergoeding van de reiskosten en de kosten voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het verzoekschrift komt naar het oordeel van het hof voor toewijzing in aanmerking wegens de daarvoor aanwezige gronden van billijkheid.

Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep en kent uit ’s Rijks kas aan verzoeker een vergoeding toe van € 4.251,82.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak passieve omkoping gemeenteambtenaar

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9047

Het hof overweegt dat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde passieve omkoping als bedoeld in de artikelen 363 en 362 Sr, wettig en overtuigend bewezen dient te kunnen worden dat verdachte als ambtenaar giften heeft aangenomen waarvan hij wist of redelijkerwijs vermoedde dat die zijn gedaan teneinde hem te bewegen in zijn bediening (al dan niet in strijd met zijn plicht) iets te doen of na te laten. Daarvoor is – anders dan de letterlijke tekst van de wet doet vermoeden – niet vereist dat giften zijn gedaan met het oogmerk van een concrete tegenprestatie of om het doen ontstaan van een speciale relatie die zal leiden tot een voorkeursbehandeling. Wel moet bewezen kunnen worden dat die giften het kennelijke doel of de uiterlijke strekking hadden om dergelijke vormen van begunstiging te bewerkstelligen. Naar het oordeel van het hof kan dat niet worden bewezen.

Medeverdachte heeft als aannemer (bouw)opdrachten verricht voor de gemeente Enschede binnen het project Roombeek waarvan verdachte projectleider was. Volgens het openbaar ministerie zou medeverdachte ter begunstiging van zijn zakelijke positie verschillende giften hebben gedaan aan verdachte in de vorm van reizen, natuurstenen beelden en de betaling van een (te hoog) bedrag voor een door medeverdachte van verdachte gekochte trekker. Indien en voorzover echter reeds bewezen zou kunnen worden dat medeverdachte verdachte werkelijk heeft bevoordeeld, biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten op basis waarvan kan worden geoordeeld dat die giften het kennelijke doel hadden of de uiterlijke strekking hadden medeverdachte zakelijke positie te versterken bij de aanbesteding van bouwprojecten.

Daarbij acht het hof van belang dat het dossier en de behandeling ter terechtzitting daarvoor verschillende contra-indicaties opleveren. Allereerst neemt het hof in aanmerking dat medeverdachte en verdachte ook privé veelvuldig contact hadden. Ze waren buren en hadden gemeenschappelijke interesses, hetgeen de gezamenlijke reizen kan verklaren. Ten aanzien van de reizen is onvoldoende duidelijk geworden of medeverdachte daarbij financieel substantieel meer heeft ingelegd dan verdachte. Verdachte heeft ook zelf facturen van de reizen betaald, terwijl niet valt uit te sluiten dat verdachte daarnaast kosten heeft verrekend door de kosten van drank, eten, benzine en dergelijke contant voor zijn rekening te nemen. Ten aanzien van de natuurstenen beelden acht het hof het aannemelijk dat deze een gift van Chinese steenleveranciers zijn geweest. Het verschil tussen de aanschafwaarde van de trekker en de door medeverdachte hiervoor betaalde geldsom is niet van dien aard dat daaruit op zichzelf reeds de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van een gift die kennelijk strekt tot begunstiging van medeverdachte. Bij dit alles komt dat verdachte binnen de gemeente maar zeer beperkt zelfstandig zeggenschap had over de aanbesteding van projecten. Zijn bevoegdheid strekte zich niet verder uit dan tot onderhandse projecten van € 5000,- en dan volgens verdachte ook nog slechts voor regiewerk, dat wil zeggen werk dat gedaan moet worden binnen een bestaand project dat reeds bij een aannemer in uitvoering is. Ten slotte acht het hof van belang dat het onderzoek van de gemeente naar de aanbestedingspraktijk geen enkele onregelmatigheid heeft opgeleverd en dat medeverdachte weer opdrachten voor de gemeente verricht.

Al deze omstandigheden staan op zichzelf niet aan een bewezenverklaring in de weg, maar leveren naar het oordeel van het hof wel een belangrijke contra-indicatie op voor het oordeel dat sprake is van giften die het kennelijk doel of de uiterlijke strekking hebben te zijn gedaan met het oogmerk om verdachte te bewegen tot bevoordeling van medeverdachte in de aanbesteding van bouwprojecten. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde passieve omkoping is meer bewijs nodig dan op grond van de hier vaststaande feiten en omstandigheden kan worden aangenomen, gegeven de bestaande zakelijke betrekking tussen verdachte en medeverdachte. Dit geldt eens temeer nu de omvang en context van de veronderstelde giften niet helder is geworden en –voor zover deze giften zijn gedaan- gelet op de aard en omvang daarvan ruimte is voor een alternatieve verklaring.

Hierbij merkt het hof op dat het openbaar ministerie in het requisitoir terecht stelt dat voor een bewezenverklaring van passieve omkoping in de zin van artikel 363 en 362 Sr niet nodig is dat de giften ook daadwerkelijk tot voordeel bij de omkoper hebben geleid. Evenmin is nodig dat de omkoper zulk voordeel beoogde. Voor het bewijs van passieve omkoping volstaat de vaststelling dat de giften het kennelijke doel of de objectieve strekking hebben voordeel te bewerkstelligen. Het hof begrijpt de overweging van de rechtbank dat geen sprake is van een causale relatie dan ook in die zin en komt langs die weg tot hetzelfde (feitelijke) oordeel als de rechtbank, namelijk dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat - zo er al sprake was van giften - deze het kennelijk doel of de objectieve strekking hadden verdachte te bewegen tot begunstiging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak actieve omkoping gemeenteambtenaar

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9048

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair dan wel meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde actieve omkoping als bedoeld in de artikelen 177 en 177a Sr dient wettig en overtuigend bewezen te kunnen worden dat verdachte (dan wel het bedrijf waaraan verdachte feitelijk leiding gaf) het oogmerk had de ambtenaar (medeverdachte in casu) te bewegen in zijn bediening (al dan niet in strijd met zijn plicht) iets te doen of na te laten. Dat oogmerk kan gericht zijn op een concrete tegenprestatie, maar ook op het doen ontstaan van een speciale relatie die zal leiden tot een voorkeursbehandeling. Naar het oordeel van het hof kan dat oogmerk niet worden bewezen.

Verdachte heeft als aannemer (bouw)opdrachten verricht voor de gemeente Enschede voor het project Roombeek waarvan medeverdachte projectleider was. Volgens de beschuldiging van het OM zou verdachte ter begunstiging van zijn zakelijke positie verschillende giften hebben gedaan aan medeverdachte in de vorm van reizen, natuurstenen beelden en een (te hoog) bedrag voor een door verdachte van medeverdachte gekochte trekker. Voor zover echter reeds bewezen zou kunnen worden dat verdachte medeverdachte werkelijk heeft bevoordeeld, biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er door verdachte giften zijn gedaan met het oogmerk zijn zakelijke positie te versterken bij de aanbesteding van bouwprojecten.

Daarbij acht het hof van belang dat het dossier en de behandeling ter terechtzitting daarvoor verschillende contra-indicaties opleveren. Allereerst neemt het hof in aanmerking dat verdachte en medeverdachte ook privé veelvuldig contact hadden. Ze waren buren en hadden gemeenschappelijke interesses, hetgeen de gezamenlijke reizen kan verklaren. Ten aanzien van de reizen is onvoldoende duidelijk geworden dat verdachte daarbij financieel substantieel meer heeft ingelegd dan medeverdachte. medeverdachte heeft ook zelf facturen van de reizen betaald, terwijl niet valt uit te sluiten dat medeverdachte daarnaast kosten heeft verrekend door de kosten van drank, eten, benzine en dergelijke contant voor zijn rekening te nemen. Ten aanzien van de natuurstenen beelden acht het hof het aannemelijk dat deze een gift van Chinese steenleveranciers zijn geweest. Het verschil tussen de aanschafwaarde van de trekker en de door verdachte hiervoor betaalde geldsom is niet van dien aard dat daaruit op zichzelf reeds de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van een gift ter begunstiging van verdachtes zakelijke positie. Bij dit alles komt dat medeverdachte binnen de gemeente maar zeer beperkt zelfstandig zeggenschap had over de aanbesteding van projecten. Zijn bevoegdheid strekte zich niet verder uit dan tot onderhandse projecten van € 5000,- en dan volgens medeverdachte ook nog slechts voor regiewerk, dat wil zeggen werk dat gedaan moet worden binnen een bestaand project dat reeds bij een aannemer in uitvoering is. Ten slotte acht het hof van belang dat het onderzoek van de gemeente naar de aanbestedingspraktijk geen enkele onregelmatigheid heeft opgeleverd en dat verdachte weer opdrachten voor de gemeente verricht.

Al deze omstandigheden staan op zichzelf niet aan een bewezenverklaring in de weg, maar leveren naar het oordeel van het hof wel een belangrijke contra-indicatie op voor het oordeel dat sprake is van giften die zijn gedaan met het oogmerk om medeverdachte te bewegen tot bevoordeling van verdachte in de aanbesteding van bouwprojecten. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde actieve omkoping is meer bewijs nodig dan op grond van de hier vaststaande feiten en omstandigheden kan worden aangenomen, gegeven de bestaande zakelijke betrekking tussen medeverdachte en verdachte. Dit geldt eens temeer nu de omvang en context van de veronderstelde giften niet helder is geworden en - voor zover deze giften zijn gedaan - gelet op de aard en omvang daarvan ruimte is voor een alternatieve verklaring.

Hierbij merkt het hof op dat het openbaar ministerie in het requisitoir terecht stelt dat voor een bewezenverklaring van actieve omkoping in de zin van artikel 177 en 177a Sr niet nodig is dat de giften ook daadwerkelijk tot voordeel bij de omkoper hebben geleid. Voor het bewijs van actieve omkoping volstaat de vaststelling dat de omkoper de giften heeft gedaan met het oogmerk daarmee voordeel te bewerkstelligen. Het hof begrijpt de overweging van de rechtbank dat geen sprake is van een causale relatie dan ook in die zin en komt langs die weg tot hetzelfde (feitelijke) oordeel als de rechtbank, namelijk dat niet buiten redelijk twijfel is komen vast te staan dat – zo er sprake was van giften – deze zijn gedaan met het oogmerk van begunstiging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling postagentschaphouder ter zake van gewoontewitwassen middels money transfers en wisseltransacties, het valselijk opmaken van money transferformulieren & witwassen van Britse ponden

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4696

Bij vonnis, waarvan beroep, is verdachte ter zake van het medeplegen van gewoontewitwassen en gewoontewitwassen (feit 1), valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 2), witwassen (feit 3) en het medeplegen van schuldheling (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 308 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de rechtbank beslist over de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft:

  • primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit;
  • subsidiair integrale vrijspraak van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bepleit;
  • zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot het beslag.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verweer gevoerd aangaande de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daartoe is aangevoerd dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden. De verdediging heeft het hof gewezen op een tweetal strafzaken die thans aan het oordeel van de Hoge Raad zouden zijn onderworpen, waarin het eveneens gaat om schending van de redelijke termijn. In die zaken zou door de Procureur-Generaal zijn voorgesteld om te komen tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Die zaken waren door het hof in hoger beroep afgedaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. De verdediging heeft, gelet daarop, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit.

Het hof is, met de verdediging, van oordeel dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg fors is overschreden. Met betrekking tot de behandeling in eerste aanleg is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf jaar. In hoger beroep heeft de verdediging weliswaar verzocht om een handschriftonderzoek en het doen horen van een aantal getuigen, doch hiermee kan de behandelingsduur in hoger beroep van ruim vier jaar zeker niet uitsluitend worden verklaard. Gelet hierop oordeelt het hof dat ook met betrekking tot de behandeling in tweede aanleg de redelijke termijn is overschreden, te weten met twee jaar.

Dat er in de onderhavige zaak sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn staat naar het oordeel van het hof, op grond van het voorgaande, dan ook vast. Conform vaste jurisprudentie leidt deze schending echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De Hoge Raad heeft in 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP5361) nog geoordeeld geen aanleiding te zien om deze vuistregel aan te passen, nu dit het resultaat is van een langer durende rechtsontwikkeling en het derhalve een zekere duurzaamheid moet hebben. Het hof volgt de verdediging dan ook niet en acht het openbaar ministerie derhalve ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Ook overigens zijn bij het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat de belangen van verdachte zijn geschaad en die tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zouden moeten leiden.

Het hof is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn verdisconteerd dient te worden in een eventueel aan verdachte op te leggen straf.

Vrijspraak van feit 4

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij, al dan niet samen met anderen, een bedrag van $30.000,00 heeft geheeld. De verklaring van de getuige 1, inhoudende dat hij het desbetreffende geldbedrag in het postkantoor van verdachte heeft gewisseld, dat verdachte hem toen niet heeft gevraagd om een legitimatiebewijs en hem geen bewijs van het wisselen heeft gegeven, acht het hof onvoldoende voor een bewezenverklaring van (het medeplegen) van de heling van dat geldbedrag. Ook de voor verdachte belastende verklaringen van de getuige 2 en de medeverdachte acht het hof onvoldoende specifiek naar tijd en handeling dat daaruit de directe betrokkenheid van verdachte bij dit feit kan worden afgeleid.

Nu het hof, anders dan de rechtbank, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Feit 1-3

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bepleit. Daartoe is allereerst aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het contante geld dat via money transfers is overgemaakt een legale herkomst heeft. Verdachte ging uit van en mocht er ook van uit gaan dat het geld van medeverdachte afkomstig was uit de voetballerij (het hof begrijpt: zijn inkomsten als profvoetballer) en hij daardoor over dergelijke contante geldbedragen kon beschikken. Deze verklaring van verdachte is niet zo onwaarschijnlijk dat zij zonder meer als onaannemelijk moet worden beschouwd.

Voorts heeft de verdediging gesteld dat uit het dossier niet is gebleken dat de ontvangers van de money transfers op enigerlei wijze zijn te linken aan verdachte. Het is veel meer aannemelijk dat verdachte enkel als doorgeefluik heeft gefungeerd om contant (teken)geld, dat medeverdachte had verdiend met voetballen, buiten Europa te brengen.

Eveneens is het feit dat verdachte in het verleden reeds vaker uit naam van medeverdachte money transfers heeft uitgevoerd een verankering van het door verdachte geschetste scenario. Ook toen werd voor de transacties, met medeweten en goedkeuring van medeverdachte, niet alleen diens naam, maar ook diens handtekening gebruikt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Feit 1: money transfers

In het dossier bevinden zich doorslagen van 413 money transfers, waarvan het totaal van de overgemaakte bedragen per dag overeenkomt met de bedragen die in de tenlastelegging zijn genoemd. Van deze money transfers staan er 410 op naam van medeverdachte en drie op naam van getuige 3.

Verdachte heeft met betrekking tot laatstgenoemde money transfers ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij handtekeningen op naam van getuige 3 heeft gezet. Anders dan de rechtbank, zal het hof verdachte, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, vrijspreken van het witwassen door middel van drie money transfers op naam van getuige 3 (twee keer €10.000,00 op 20 februari 2003 en één keer €2.500,00 op 27 februari 2003). De verklaring van getuige 3 dat er ten behoeve van het lidmaatschapspasje voor de videotheek van verdachte een kopie van haar identiteitsbewijs is gemaakt acht het hof onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

De vraag is of verdachte, die heeft verklaard de voormelde 410 money transfers op naam van medeverdachte te hebben verricht, wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.

Beoordelingskader

Bij de beoordeling van dit onderdeel van het feit stelt het hof het volgende voorop. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat – zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd – de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring van de verdachte dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof zal ook het onderhavige verwijt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 27 september 2010 bekend dat hij de ten laste gelegde money transfers heeft verricht op naam van medeverdachte en daarbij diens paspoort heeft gebruikt. Ook ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 oktober 2014 heeft verdachte verklaard dat hij de money transfers, zoals ten laste gelegd, heeft gedaan. Het aantal money transfers, te weten 410, in combinatie met de periode waarin deze zijn gedaan, te weten circa vier maanden, en de forse geldbedragen die daarmee gemoeid waren, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een vermoeden van witwassen.

Verdachte heeft verklaard dat hij het geld van medeverdachte heeft ontvangen en dat hij dacht dat dit met profvoetbal verdiend geld was. Daarmee heeft dit geld een legale herkomst, aldus de verdediging.

Het hof acht de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld niet aannemelijk geworden, nu uit onderzoek is gebleken dat medeverdachte nooit geldbedragen ter hoogte van ruim 2,3 miljoen euro (netto) beschikbaar heeft gehad (in of omstreeks de ten laste gelegde periode) dan wel dergelijke geldbedragen heeft verdiend tijdens zijn voetbalcarrière. Voorts bevinden zich in het dossier geen aanknopingspunten dat medeverdachte degene is geweest die aan verdachte de ten laste gelegde geldbedragen heeft gegeven. medeverdachte heeft daaromtrent verklaard dat hij verdachte in de ten laste gelegde periode geld noch toestemming voor de money transfers heeft gegeven. Het hof is dan ook van oordeel dat de geldbedragen die verdachte heeft gebruikt ten behoeve van de money transfers niet van medeverdachte afkomstig waren.

Het hof neemt voorts in aanmerking de verklaringen van de getuigen getuige 4 en getuige 5, medewerksters van het postagentschap van verdachte. Zij hebben verklaard dat verdachte in de ten laste gelegde periode money transfers heeft verricht zonder dat er mensen aan de balie stonden. getuige 5 heeft verklaard dat er dagen bij waren dat verdachte op deze wijze wel 7 à 8 money transfers verrichtte, dat hij dit met grote regelmaat deed en het computerscherm op een ander scherm zette als zij in de buurt kwam.

Gelet op de omstandigheden:

  • dat er in de ten laste gelegde periode nagenoeg steeds veel geld werd overgemaakt op naam van één afzender naar verschillende ontvangers in overwegend één land;
  • dat het totaalbedrag ongewoon groot is, volgens de directeur van Western Union Financial Services;
  • dat van een aantal money transfers niet alleen de doorslagen zijn aangetroffen maar ook de originelen die aan de klant verstrekt dienen te worden;

in combinatie met de omstandigheid dat er geen legale (economische) verklaring is gegeven voor het overmaken van grote hoeveelheden contante bedragen middels money transfers, en bij gebrek aan een aannemelijke verklaring van verdachte omtrent de herkomst van het geld, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geld voor de money transfers uit misdrijf afkomstig is. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte dit, gelet op de wijze waarop hij het geld heeft overgemaakt, ook geweten.

Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van witwassen.

Gelet op de hoeveelheid money transfers (410 stuks) die verdachte gedurende een langere tijd heeft verricht, heeft verdachte naar het oordeel van het hof van het witwassen middels money transfers een gewoonte gemaakt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting noch uit het procesdossier is af te leiden dat verdachte de money transfers heeft gedaan in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Van medeplegen is derhalve geen sprake. In zoverre wordt verdachte vrijgesproken.

Feit 1: wisseltransacties

In het dossier bevinden zich overzichtslijsten van wisseltransacties van Britse ponden naar euro’s, waarvan het totaalbedrag aan Britse ponden per dag overeenkomt met de bedragen die in de tenlastelegging zijn genoemd. Al deze wisseltransacties zijn uitgevoerd in het postagentschap waarvan verdachte in de ten laste gelegde periode de filiaalhouder/beheerder was.

De getuige 4, medewerkster van het postagentschap van verdachte in de ten laste gelegde periode, heeft verklaard dat zij verdachte wel eens met een tas de zogeheten waardekamer in heeft zien gaan en vervolgens de geldtelmachine hoorde ratelen, of dat verdachte haar vervolgens vroeg om Engelse ponden te tellen. Deze verklaring wordt onder meer bevestigd door de verklaring van de getuige 5, die toen eveneens werkzaam was bij het postagentschap. Daarnaast heeft getuige 5 verklaard dat verdachte zelf regelmatig grote bedragen aan vreemde valuta wisselde in het kantoor. Hij maakte dan zelf de formulieren op en er was dan geen sprake van klanten waarvoor hij dat geld wisselde. Het ging daarbij voornamelijk om Engelse ponden, volgens de getuige. Op het einde van de dag moesten de medewerkers van het postagentschap de kas opmaken. Zij hebben daarbij regelmatig Britse ponden geteld. De benodigde formulieren waren door verdachte opgemaakt. Het vreemde geld was door verdachte zelf meegebracht, aldus de getuige 5.

Verdachte heeft hieromtrent ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij wel eens aan medewerkers van zijn postagentschap de opdracht gaf om geld te tellen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte desgevraagd verklaard dat de aangetroffen plastic draagtas van de Lidl met daarin een grote hoeveelheid Engelse ponden zijn eigendom was.

Uit onderzoek is gebleken dat regelmatig onjuiste formulieren zijn gebruikt bij het wisselen van Engelse ponden en dat formulieren die aan klanten meegegeven hadden moeten worden in de administratie van het postagentschap zijn aangetroffen. De getuige 6, destijds security manager bij TPG Post, heeft verklaard dat de werkwijze van verdachte met betrekking tot de wisseltransacties niet conform de richtlijnen van Postkantoren B.V. is en dat die richtlijnen verdachte bekend zijn middels handboeken zoals de Handleiding postagentschappen en via een blad genaamd Balienieuws. In dat verband heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij gekwalificeerd houder/beheerder van het postagentschap was. Ook blijkens dossierpagina 3552 was verdachte op de hoogte van de geldende richtlijnen aangaande handelingen die in het postagentschap gebeuren.

Met de rechtbank heeft het hof vastgesteld dat er op één dag veel verschillende wisseltransacties werden uitgevoerd in één valuta, te weten Britse ponden. Verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de herkomst van dit geld. Ook ontbreekt een legale (economische) verklaring voor het wisselen van grote contante bedragen. Doordat verdachte het geld telkens wisselde in hoeveelheden beneden de €1.000,00 hoefde hij op grond van de interne richtlijnen van de Postbank de identiteit van de klant en de herkomst van het geld niet kenbaar te maken of te onderzoeken.

Overigens heeft verdachte tegenover medewerkster getuige 5, toen zij naar de herkomst van het geld vroeg, verklaard dat hij een ‘band’ had in Engeland en een grenswisselkantoor in Duitsland. Tegen medewerkster getuige 4 heeft verdachte verteld dat hij een grenswisselkantoor in Berlijn en een artiestenbureautje had. Verdachte heeft tegenover de politie echter verklaard dat hij het artiestenbureau tot 1992 heeft gehad. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij ten tijde van de verdenkingen alleen de videotheek en het postagentschap in Breda had. Het hof is van oordeel dat verdachte daarmee naar zijn medewerkers toe niet naar waarheid heeft verklaard over de daadwerkelijke herkomst van het geld en dit, ook voor hen, heeft willen verhullen.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de Britse ponden die zijn gebruikt voor de wisseltransacties uit misdrijf afkomstig zijn. Gezien de door verdachte gehanteerde werkwijze, kan voorts worden vastgesteld dat verdachte ook wist dat het geld van misdrijf afkomstig was.

Gelet op de hoeveelheid wisseltransacties die verdachte per dag heeft verricht en het aantal dagen waarop hij een dergelijke hoeveelheid wisseltransacties heeft verricht, heeft verdachte naar het oordeel van het hof van het witwassen middels die transacties een gewoonte gemaakt. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting noch uit het procesdossier is af te leiden dat verdachte de geldwisseltransacties heeft verricht in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Van medeplegen is derhalve geen sprake. In zoverre wordt verdachte vrijgesproken.

Feit 2

Omtrent het ondertekenen van de aangetroffen money transferformulieren heeft verdachte op 1 oktober 2003 in de raadkamer gevangenhouding van de rechtbank verklaard dat hij zijn paraaf (het hof begrijpt: de handtekening van medeverdachte) heeft gebruikt. Verdachte heeft vervolgens op 9 oktober 2003, tijdens zijn achtste verhoor, waarin hem is voorgehouden dat medeverdachte heeft verklaard dat de handtekeningen op 27 money transfers van 7 juni 2003 niet van hem, medeverdachte, zijn, verklaard dat hij, verdachte, degene is geweest die de voor de money transfer benodigde formulieren namens medeverdachte heeft opgemaakt en de handtekeningen van medeverdachte op die money transferformulieren heeft gezet. Het hof houdt verdachte aan deze twee verklaringen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen aanknopingspunten voortgekomen, die moeten leiden tot een ander oordeel.

Doordat verdachte in strijd met de waarheid, zoals voortvloeit uit de bewezenverklaring van feit 1, de naam van medeverdachte als zijnde de opdrachtgever op de formulieren heeft gezet alsmede de handtekening van medeverdachte op de formulieren heeft gezet, heeft verdachte de money transferformulieren valselijk opgemaakt. Met de rechtbank, acht het hof het onder 2 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen in dier voege dat verdachte dit feit als pleger heeft begaan. Het hof heeft onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aangetroffen voor het ten laste gelegde medeplegen. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het medeplegen.

Feit 3

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van dit feit eveneens het juridisch kader geldt zoals weergegeven bij feit 1: money transfers, onder het kopje ‘beoordelingskader’.

Op 22 september 2003 is een doorzoeking verricht in een beveiligde ruimte van het postagentschap te Breda waarvan verdachte destijds filiaalhouder/beheerder was. In deze beveiligde ruimte stond een grote kluis met daarop een groot aantal videobanden opgestapeld. Achter deze stapel videobanden lag, aan het oog onttrokken, een plastic draagtas van Lidl. In deze opgevouwen draagtas bevonden zich 22 bundels bankbiljetten van Britse ponden, tot een totaalbedrag van 36.910,00 Britse ponden.

De getuige 6, destijds security coördinator bij TPG Post, heeft verklaard dat de aangetroffen Britse ponden geen deel uitmaakten van de kas van het postagentschap.

Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van het hof reeds een vermoeden van witwassen.

Gevraagd naar de herkomst van het geld, heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de Lidl-tas zijn eigendom was. Verdachte heeft voorts verklaard – bij gelegenheid van zijn vierde verhoor, d.d. 24 september 2004 – dat het in die plastic tas aangetroffen geldbedrag in Britse ponden afkomstig was van een lening van getuige 7 aan hem. Verdachte heeft €90.000,00 van getuige 7 ontvangen, bestaande uit €40.000,00 (opgegaan aan speculeren en gokken) en 40.000,00 Britse ponden. getuige 7 heeft daaromtrent echter verklaard dat hij alleen een bedrag in euro’s aan verdachte heeft geleend en nooit Britse ponden aan verdachte heeft verstrekt.

Met de rechtbank heeft het hof geen reden aan deze verklaring te twijfelen. Verdachte heeft daarmee geen plausibele verklaring kunnen geven voor het feit dat er onder de genoemde omstandigheden, op de genoemde (verborgen) plaats een groot geldbedrag in Britse ponden is aangetroffen, terwijl getuige 7 hem alleen een bedrag in euro’s zou hebben geleend. De verklaring van verdachte acht het hof ongeloofwaardig.

Op grond van het bovenstaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de aangetroffen Britse ponden van misdrijf afkomstig zijn. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van witwassen.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

  1. gewoontewitwassen
  2. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  3. witwassen.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 308 dagen, waarvan 270 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf voor de duur van 200 uren en verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 36.910,00 Britse ponden en € 204.100,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag art. 12 Sv tegen een luchtvaartmaatschappij, een lucht- en ruimtevaartbedrijf en de luchtverkeersleiding

Gerechtshof Amsterdam 30 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4434

Op woensdag 25 februari 2009 vertrok vanaf luchthaven Istanbul Ataturk een beklaagde 2, type type van beklaagde 1 met bestemming luchthaven Schiphol. Aan boord waren in totaal 135 personen aanwezig.

De beklaagde 2 kan zowel handmatig als automatisch worden bestuurd. Dit geldt ook voor de bediening van de motoren. De autothrottle regelt de vliegsnelheid van het vliegtuig door middel van het regelen van de stuwkracht van de motoren. Het vliegtuig is uitgerust met twee radiohoogtemeter- systemen: één links (LRRA) en één rechts (RRRA). De autothrottle maakt in beginsel gebruik van de hoogtemetingen van de LRRA en de automatische piloot van het RRRA. Als een storing in de metingen van het LRRA door het systeem wordt herkend, maakt de autothrottle gebruik van het RRRA.

Het vliegtuig werd gevlogen door de rechts zittende eerste officier (pilot-flying). Op zijn primary flight displayworden de gegevens vermeld van het RRRA en de rechter automatische piloot was in gebruik. De gezagvoerder kon op het linker flight display de gegevens zien van het LRRA.

Het is al sinds jaren bekend dat de radiohoogtemetersystemen van vliegtuigen van het type beklaagde 2 type problemen opleveren die andere systemen beïnvloeden. Ook bij beklaagde 1 was dit bekend en werd dit als technisch probleem gezien. Tijdens deze vlucht gaf bijvoorbeeld kort na het opstijgen in Istanbul de linker radio hoogtemeter een waarde van -8 voet. Daarna waren de metingen weer correct. Kort voor de nadering van de aanvliegroute (het glijpad) van de toegewezen landingsbaan van de Luchthaven Schiphol gaf het LRRA op het linker primary flight display opnieuw een foutieve hoogte van -8 voet aan. Het RRRA gaf de juiste hoogte aan. De foutieve melding van het LRRA is door het systeem niet herkend als een storing waardoor door deautothrottle niet werd overgeschakeld naar het RRRA maar de foutieve gegevens van het LRRA gebruikt bleven worden. Als gevolg daarvan ging de autothrottle over in de retard flare modus waarbij de stuwkracht van de motoren tot een minimale waarde wordt teruggebracht door het dichttrekken van de gashendels; een modus die normaliter pas in de laatste fase van de landing - beneden 27 voet - wordt geactiveerd.

Bij de nadering werd gebruik gemaakt van de automatische piloot en het instrumentlandingssysteem van de landingsbaan. Dit systeem geeft de richting (het localizer-signaal) en de daalhoek (glijpad) naar de landingsbaan aan. Tijdens een normale onderschepping van de signalen van het instrumentlandingssysteem wordt het glijpad van onderaf aangevlogen en onderschept. Door de luchtverkeersleiding werd voor het oplijnen voor de landingsbaan, de Polderbaan, een koers van 210 graden en een hoogte van 2000 voet opgegeven waardoor de localizer/het localizer-signaal van de Polderbaan met een verkorte indraai onder een hoek van 30 graden werd aangevlogen. Er werd geen opdracht gegeven tot het dalen naar een lagere hoogte. Dit was een koers die het vliegtuig voorbij het Fixed Approach Point en gezien de aangehouden hoogte boven het glijpad van het eindnaderingspad bracht. De pilot-flying heeft na het onderscheppen van de localizer de autopilot tot tweemaal toe een daalinstructie gegeven, hetgeen er toe heeft geleid dat het vliegtuig het signaal van het glijpad heeft onderschept op circa 1300 voet. Nu het vliegtuig versneld moest dalen en snelheid verminderen is de verkeerde werking van de autothrottle door de foutieve meting van het LRRA gemaskeerd.

Het vliegtuig bevond zich vervolgens op het glijpad met de gewenste klepstand en snelheid. Vanaf dat moment zou het autothrottle systeem het vermogen van de motoren weer hebben moeten opvoeren teneinde de gewenste snelheid vast te houden. Het commando om de gewenste snelheid te handhaven bleef echter uit. Nadat de landingssnelheid van 144 knopen was bereikt zakte de snelheid van het vliegtuig terug naar 137 knopen en vervolgens naar 109 knopen op een hoogte van 140 meter. Tegelijkertijd volgde de autopilot de correcte gegevens van het RRRA om het glijpad vast te houden en heeft daartoe de neus van het vliegtuig steeds meer opgetrokken. De te lage vliegsnelheid door de retard flare modus en de positie van de neus van het vliegtuig hadden moeten leiden tot een onmiddellijke reactie van de piloten om een overtreksituatie te vermijden. Die reactie kon pas worden vastgesteld toen de stick shaker werd geactiveerd die een overtreksituatie aangeeft. Een seconde voor het bereiken van een snelheid van 106 knopen was er sprake van een vermogenstoename door het naar voren schuiven van de gashendels, de eerste zichtbare reactie van de alspilot-flying optredende co-piloot. Kort daarna heeft de gezagvoerder de besturing overgenomen en de neus van het vliegtuig omlaag gebracht teneinde de snelheid te verhogen. Uit de flight data recorder blijkt dat tijdens de overname van de besturing de autothrottle die in de retard flare modus stond geactiveerd, de gashendels heeft terugbewogen naar de stand “idle”, de minimale waarde. Direct daarna werden de autothrottle en de autopilot handmatig ontkoppeld. Gedurende 7 seconden is de stand van de gashandels echter niet handmatig gewijzigd. Uiteindelijk is 9 seconden na de activering van de stick shaker vol gas gegeven en is de neus van het vliegtuig omhoog gebracht om de invalshoek te vergroten. Het vliegtuig bevond zich toen op circa 350 voet en de overtreksituatie kon niet meer worden hersteld. Even later viel het vliegtuig onbestuurbaar uit de lucht.

Daarbij kwamen de gezagvoerder, de co-piloot, de veiligheidspiloot, een cabinepersoneelslid en vijf passagiers om het leven en raakten meerdere inzittenden (zwaar) gewond.

Onder die inzittenden bevonden zich klagers. Namens klagers heeft mr. Van Stratum aangifte gedaan, met het verzoek de luchtvaartmaatschappij (beklaagde 1), de Nederlandse luchtverkeersleiding en andere betrokkenen (beklaagde 2) te vervolgen.

Bij brief van 23 april 2012 heeft de officier van justitie besloten dat geen personen of instanties strafrechtelijk worden vervolgd.

Het beklag

Het klaagschrift met bijlagen is op 19 juli 2012 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de niet-vervolging van:

  • beklaagde 1;
  • beklaagde 2;
  • beklaagde 3 (verkeersleider),

ter zake van dood door schuld (artikel 307 Sr), zwaar lichamelijk letsel door schuld (artikel 308 Sr), het aan zijn schuld te wijten zijn dat een luchtvaartuig verongelukt (artikel 169 Sr) en toepasselijke voorschriften van de Wet Luchtvaart

Standpunt AG

De advocaat-generaal heeft zich geschaard achter de beoordeling van het Openbaar Ministerie, zoals verwoord in de memo van 28 september 2012 van de officier van justitie. Hij heeft geconcludeerd dat niet bewezen kan worden dat de door de gemachtigden naar voren gebrachte punten met betrekking tot de gebreken aan het vliegtuig, het niet nakomen van de zorgplicht van beklaagde 2 en beklaagde 1 en het niet opvolgen van internationale en nationale voorschriften bij de eindnadering, verwijtbare strafbare gedragingen opleveren. beklaagde 2 beschouwt thans het falen van de Linker Range Radio Hoogtemeter (LRRA) als een veiligheidsprobleem in plaats van (enkel) een technisch probleem en heeft dienaangaande aanbevelingen gedaan. De Amerikaanse Luchtvaartautoriteit FAA heeft voorts op 11 december 2009 een rapport uitgebracht waarin aanvullende trainingsscenario’s ten behoeve van piloten werden benadrukt, waaronder de mogelijke gevolgen van het niet correct weergegeven worden van de radiohoogtewaarden. Door deze maatregelen is de veiligheid van het vliegverkeer toegenomen, waarmee het maatschappelijk belang voldoende is gediend. Van een specifiek eigen belang van klagers is niet gebleken.

Standpunt klagers

Klagers stellen dat beklaagden strafrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld en dat de processtukken voldoende aanknopingspunten bevatten voor een succesvolle vervolging van beklaagden. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd.

Beklaagde 1 en haar piloten en medewerkers hebben in strafrechtelijk opzicht verwijtbaar en nalatig gehandeld door te vliegen met een defecte hoogtemeter.

beklaagde 1 heeft op het punt van onderhoud, verslaglegging en andere punten het niet zo nauw genomen en daarmee haar specifieke zorgplicht geschonden en dus verwijtbaar gehandeld. Het veelvuldig falen van de radiohoogtemeter in het verongelukte vliegtuig tijdens eerdere vluchten is niet door het rapporteringssysteem van beklaagde 1 geconstateerd ofwel door het onderhoudssysteem niet goed ingeschat dan wel verholpen.

Door het leveren van een als gevolg van een frequent falende radiohoogtemeter gebrekkig toestel heeft beklaagde 2 strafrechtelijk verwijtbaar gehandeld en haar zorgplicht geschonden. beklaagde 2 had het technisch falen van de radiohoogtemeter kunnen reduceren dan wel voorkomen door het vliegtuig te voorzien van een autocorrectiesysteem. Het is aldus aan beklaagde 2 te wijten dat het toestel beschikte over een ondeugdelijke linker radiohoogtemeter en dat dit technische defect in stand werd gehouden door beklaagde 2, terwijl deze problematiek al sinds 1999 bekend was. Door met dit technisch defect te laten vliegen heeft beklaagde 2 de aanmerkelijke kans aanvaard dat het gevolg, de crash, zou kunnen intreden. Bovendien heeft beklaagde 2 de falende hoogtemeter ten onrechte gekwalificeerd als een “technisch mankement” in plaats van een “veiligheidsprobleem”.

De beklaagde 3, hierna LVNL, heeft ernstige fouten gemaakt en strafrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De koers die het vliegtuig was opgedragen te vliegen resulteerde in het onderscheppen van het lokaliseersignaal op 5,5 nautical mile (hierna: NM) van de baandrempel. Volgens de verkeersleidingsprocedure had dat, gelet op de hoogte van het vliegtuig, op minimaal 6,2 NM moeten gebeuren om het glijpad van onderaf te kunnen onderscheppen. De opgedragen koers en hoogte leidde ertoe dat het glijpad van bovenaf moest worden onderschept. Weliswaar mag onder bepaalde voorwaarden het oplijnen van vliegtuigen op het glijpad tussen de 5 en 8 NM worden toegepast. Dat moet dan echter uitdrukkelijk worden aangeboden en daarbij moet opdracht worden gegeven om naar een lagere hoogte te vliegen teneinde het glijpad van onderaf te onderscheppen. Dit is niet gebeurd. Door de door de verkeersleiding opgegeven interceptiekoers kwam het vliegtuig voorbij het Fixed Approach Point boven het glijpad op de ILS Localizer. De verkeersleiding handelde niet volgens de Voorschriften Dienst Verkeersleiding (VDV) en de ICAO-richtlijn. Door deze wijze van oplijnen kon de standaardprocedure van beklaagde 1 voor het selecteren van de klepstanden en het neerlaten van het onderstel niet op de voorgeschreven wijze worden uitgevoerd, maar moest dit versneld gebeuren vlak voor en tijdens de noodzakelijke (extra) daling ter onderschepping van het glijpad. Dit leidde tot een onstabiele eindnadering – de voorgeschreven handelingen waren niet conform de voorschriften voor het bereiken van een hoogte van 1000 voet voltooid - en gaf extra druk bij de piloten tijdens de onderschepping van het glijpad. In het licht van het voorgaande kan worden gesteld dat de luchtverkeersleiding, in het bijzonder beklaagde 3, strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Beoordeling van het beklag

Met betrekking tot onderhavige zaak ziet het hof aanleiding om de vraag naar de haalbaarheid van een veroordeling (mede betrekking hebbend op kwesties als rechtsmacht en bewijsbaarheid) te laten rusten, nu het de opportuniteitsvraag ontkennend zal beantwoorden.

Hiertoe geldt het volgende.

Naar de oorzaken van de vliegramp heeft zowel strafrechtelijk onderzoek (onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie) plaatsgevonden als onderzoek door de (onafhankelijke) Onderzoeksraad voor de Veiligheid. Deze onderzoeken zijn zorgvuldig en uitputtend geweest. Het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid is voor het publiek – derhalve ook voor klagers - toegankelijk.

Uit al het onderzoek is gebleken dat het neerstorten van het vliegtuig is veroorzaakt door een noodlottige combinatie van factoren , waarvan de belangrijkste zijn:

  1. het meermalen falen van de LRRA tijdens eerdere vluchten is door het rapporteringssysteem van beklaagde 1 niet geconstateerd dan wel heeft niet tot voldoende actie geleid,
  2. het ontwerp van de avionica in de beklaagde 2 type waardoor het falen van de LRRA intern ongedetecteerd kan blijven,
  3. de foutieve hoogtegegevens van de LRRA en daardoor het foutief reageren van het autothrottle systeem,
  4. de onstabiele eindnadering als gevolg van de door de verkeersleiding opgegeven koers,
  5. het handelen van de piloten.

Alleen in hun onderlinge samenhang hebben deze omstandigheden tot het ongeval kunnen leiden.

De piloten kunnen echter niet meer bevraagd worden naar de invloed die elk van genoemde aspecten heeft gehad op het fatale verloop van het naderings- en landingsgedeelte van deze vlucht.

De bevindingen van het onderzoek hebben geleid tot aanbevelingen ter verbetering van de in het onderzoek naar voren gekomen (technische) problemen, meer aandacht voor deze problematiek en de automatiseringssystematiek bij de opleiding en training van piloten en aanpassing van procedures bij de eindnadering, zoals opgenomen in een nieuwe versie van de VDV van 11 februari 2010 (ordner 6.2 blz. 9916). Aannemelijk is dat daarmee al het mogelijke is gedaan om de kans te verkleinen dat zich onder vergelijkbare omstandigheden opnieuw een ongeval zal voordoen. De luchtverkeersveiligheid – en daarmee het recht op leven en het algemeen belang – zijn daarmee gediend.

Bij deze stand van zaken valt uit oogpunt van het algemeen belang niet in te zien welke toegevoegde waarde de strafrechtelijke vervolging van beklaagden zou kunnen hebben.

Het hof heeft tenslotte te beoordelen of klagers zodanige belangen hebben dat deze de strafrechtelijke vervolging van een of meer van de beklaagden kunnen rechtvaardigen.

Bijzondere belangen van klagers bij vervolging zijn niet onderbouwd naar voren gebracht: de geponeerde stelling dat ‘zij er niet mee weg mogen komen’ legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal.

Ook de omstandigheid dat het neerstorten van het vliegtuig voor klagers en hun kind – die gelukkig geen blijvend lichamelijk letsel hebben opgelopen - een traumatische ervaring is geweest, is op zich, of in combinatie daarmee niet voldoende.

Uit het dossier komt naar voren dat dat klagers als gevolg van het ongeval van beklaagde 2 en beklaagde 1 een financiële schadevergoeding hebben ontvangen; zij beraden zich nog op het nemen van civielrechtelijke stappen. Uit het hiervoor overwogene komt naar voren dat geen van de beklaagden verantwoordelijkheid voor de oorzaken van het ongeval heeft willen ontlopen.

Dat leidt het hof tot het oordeel dat ook uit oogpunt van klagers’ belangen niet valt in te zien welke toegevoegde waarde de strafrechtelijke vervolging van beklaagden zou kunnen hebben.

Het hof kan daarom de beslissing van de officier van justitie om niet tot vervolging over te gaan billijken.

Het hof zal het beklag afwijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^