Vrijspraak passieve omkoping gemeenteambtenaar

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9047

Het hof overweegt dat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde passieve omkoping als bedoeld in de artikelen 363 en 362 Sr, wettig en overtuigend bewezen dient te kunnen worden dat verdachte als ambtenaar giften heeft aangenomen waarvan hij wist of redelijkerwijs vermoedde dat die zijn gedaan teneinde hem te bewegen in zijn bediening (al dan niet in strijd met zijn plicht) iets te doen of na te laten. Daarvoor is – anders dan de letterlijke tekst van de wet doet vermoeden – niet vereist dat giften zijn gedaan met het oogmerk van een concrete tegenprestatie of om het doen ontstaan van een speciale relatie die zal leiden tot een voorkeursbehandeling. Wel moet bewezen kunnen worden dat die giften het kennelijke doel of de uiterlijke strekking hadden om dergelijke vormen van begunstiging te bewerkstelligen. Naar het oordeel van het hof kan dat niet worden bewezen.

Medeverdachte heeft als aannemer (bouw)opdrachten verricht voor de gemeente Enschede binnen het project Roombeek waarvan verdachte projectleider was. Volgens het openbaar ministerie zou medeverdachte ter begunstiging van zijn zakelijke positie verschillende giften hebben gedaan aan verdachte in de vorm van reizen, natuurstenen beelden en de betaling van een (te hoog) bedrag voor een door medeverdachte van verdachte gekochte trekker. Indien en voorzover echter reeds bewezen zou kunnen worden dat medeverdachte verdachte werkelijk heeft bevoordeeld, biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten op basis waarvan kan worden geoordeeld dat die giften het kennelijke doel hadden of de uiterlijke strekking hadden medeverdachte zakelijke positie te versterken bij de aanbesteding van bouwprojecten.

Daarbij acht het hof van belang dat het dossier en de behandeling ter terechtzitting daarvoor verschillende contra-indicaties opleveren. Allereerst neemt het hof in aanmerking dat medeverdachte en verdachte ook privé veelvuldig contact hadden. Ze waren buren en hadden gemeenschappelijke interesses, hetgeen de gezamenlijke reizen kan verklaren. Ten aanzien van de reizen is onvoldoende duidelijk geworden of medeverdachte daarbij financieel substantieel meer heeft ingelegd dan verdachte. Verdachte heeft ook zelf facturen van de reizen betaald, terwijl niet valt uit te sluiten dat verdachte daarnaast kosten heeft verrekend door de kosten van drank, eten, benzine en dergelijke contant voor zijn rekening te nemen. Ten aanzien van de natuurstenen beelden acht het hof het aannemelijk dat deze een gift van Chinese steenleveranciers zijn geweest. Het verschil tussen de aanschafwaarde van de trekker en de door medeverdachte hiervoor betaalde geldsom is niet van dien aard dat daaruit op zichzelf reeds de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van een gift die kennelijk strekt tot begunstiging van medeverdachte. Bij dit alles komt dat verdachte binnen de gemeente maar zeer beperkt zelfstandig zeggenschap had over de aanbesteding van projecten. Zijn bevoegdheid strekte zich niet verder uit dan tot onderhandse projecten van € 5000,- en dan volgens verdachte ook nog slechts voor regiewerk, dat wil zeggen werk dat gedaan moet worden binnen een bestaand project dat reeds bij een aannemer in uitvoering is. Ten slotte acht het hof van belang dat het onderzoek van de gemeente naar de aanbestedingspraktijk geen enkele onregelmatigheid heeft opgeleverd en dat medeverdachte weer opdrachten voor de gemeente verricht.

Al deze omstandigheden staan op zichzelf niet aan een bewezenverklaring in de weg, maar leveren naar het oordeel van het hof wel een belangrijke contra-indicatie op voor het oordeel dat sprake is van giften die het kennelijk doel of de uiterlijke strekking hebben te zijn gedaan met het oogmerk om verdachte te bewegen tot bevoordeling van medeverdachte in de aanbesteding van bouwprojecten. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde passieve omkoping is meer bewijs nodig dan op grond van de hier vaststaande feiten en omstandigheden kan worden aangenomen, gegeven de bestaande zakelijke betrekking tussen verdachte en medeverdachte. Dit geldt eens temeer nu de omvang en context van de veronderstelde giften niet helder is geworden en –voor zover deze giften zijn gedaan- gelet op de aard en omvang daarvan ruimte is voor een alternatieve verklaring.

Hierbij merkt het hof op dat het openbaar ministerie in het requisitoir terecht stelt dat voor een bewezenverklaring van passieve omkoping in de zin van artikel 363 en 362 Sr niet nodig is dat de giften ook daadwerkelijk tot voordeel bij de omkoper hebben geleid. Evenmin is nodig dat de omkoper zulk voordeel beoogde. Voor het bewijs van passieve omkoping volstaat de vaststelling dat de giften het kennelijke doel of de objectieve strekking hebben voordeel te bewerkstelligen. Het hof begrijpt de overweging van de rechtbank dat geen sprake is van een causale relatie dan ook in die zin en komt langs die weg tot hetzelfde (feitelijke) oordeel als de rechtbank, namelijk dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat - zo er al sprake was van giften - deze het kennelijk doel of de objectieve strekking hadden verdachte te bewegen tot begunstiging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF