Definitief einde strafzaak klokkenluider bouwfraude: OM niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang

Het Openbaar Ministerie (OM) is in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van A. Bos, bekend als de klokkenluider in de zogenaamde bouwfraude-affaire. Het gerechtshof Amsterdam heeft dit vandaag beslist.

Verloop strafproces

De rechtbank Rotterdam veroordeelde Bos in 2005 voor het feitelijk leidinggeven aan omkoping van een ambtenaar, maar legde geen straf op gelet op zijn rol als klokkenluider in de bouwfraude-affaire. Bos meende dat het OM hem niet had mogen vervolgen en stelde hoger beroep in. In hoger beroep gaf het hof ’s-Gravenhage Bos gelijk en verklaarde het OM niet ontvankelijk. In 2010 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof ‘s-Gravenhage vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Dit hof heeft nu opnieuw beslist op het hoger beroep van Bos tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Geen belang bij doorzetten strafproces

Gedurende de behandeling van de strafzaak bij het Amsterdamse hof is overleg geweest tussen het OM en de verdediging. Het OM heeft aangegeven dat het op dit moment de opportuniteit van de vervolging van Bos anders beoordeelt dan ten tijde van de aanvang van de strafzaak in 2002. Daarbij wegen voor het OM onder meer mee de rol van Bos als klokkenluider in de bouwfraude-affaire, het maatschappelijk belang dat daarmee gediend is geweest en de duur van de procedure. Dit leidt tot de conclusie dat OM en verdediging beiden van oordeel zijn dat er geen belang meer is bij het doorzetten van de strafrechtelijke procedure.

Einde strafzaak

Het hof heeft geconstateerd dat er geen andere rechtens te beschermen belangen zijn die de voortzetting van de strafrechtelijke procedure noodzakelijk maken. Het hof heeft daarop beslist dat het vonnis van de rechtbank waarbij Bos was veroordeeld wordt vernietigd en dat het OM niet ontvankelijk is in de vervolging van Bos. De vervolging van Bos in de bouwfraude zaak is daarmee ten einde gekomen.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak meedelen van voorwetenschap (tipverbod) paar dagen voorafgaand aan (gedetailleerd) persbericht

Gerechtshof Amsterdam 22 november 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4110

Op 27 maart 2006 heeft bedrijf een trading update gepubliceerd, inhoudende:

Voortgaande groei Retail en Professional Services

De toestroom van nieuwe klanten bij bedrijf zet ook in de eerste maanden van 2006 onverminderd voort. Op 27 maart bedraagt het aantal klanten ruim 38.500 (ultimo 2005: 32.800). Het toevertrouwd vermogen is gestegen naar ruim € 2,0 miljard op 27 maart tegenover € 1,6 miljard ultimo 2005.

Een aantal weken nadien, op 18 april 2006, heeft [bedrijf] een persbericht gepubliceerd, inhoudende (D-004):

Winst [bedrijf] stijgt explosief in eerste kwartaal

  • Nettoresultaat stijgt naar € 6,1 miljoen in eerste kwartaal 2006 (Q1 2005: € 3,7 miljoen)
  • Aantal uitgevoerde particuliere transacties stijgt naar ruim 545.900 (Q1 2005: 240.300)
  • Aantal klanten stijgt naar ruim 39.600 (ultimo 2005: 32.800)
  • Toevertrouwd vermogen stijgt tot ruim € 2,1 miljard (ultimo 2005: € 1,6 miljard)

Verder bevatte het persbericht een resultatenoverzicht van het eerste kwartaal van het jaar 2006 ten opzichte van (het eerste kwartaal van) het voorgaande jaar, een bericht van de (destijds) bestuursvoorzitter van bedrijf, een toelichting op de resultaten per business unit en vooruitzichten voor de rest van het jaar.

Op 14 april 2006, voorafgaand aan de publicatie van het persbericht, heeft de medeverdachte 2, (destijds) commissaris bij bedrijf, het persbericht per fax aan de verdachte doen toekomen.

Op 14 en/of 15 april 2006 heeft de verdachte het persbericht, althans minstgenomen de inhoud daarvan, aan de medeverdachte 1 verstrekt.

Op 14 en 17 april 2006 heeft de medeverdachte 1 delen van de inhoud van het persbericht op de website geplaatst.

Het hof overweegt als volgt.

Voorwetenschap in de zin van artikel 46, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) (hierna: Wte 1995 (oud)) vereist:

  • bekendheid met informatie,
  • die concreet is,
  • die rechtsreeks of middellijk betrekking heeft op de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarop de effecten betrekking hebben of op de handel in deze effecten,
  • welke informatie niet openbaar is gemaakt, en
  • waarvan openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten of op de koers van daarvan afgeleide effecten.

Koersgevoelige informatie

Het door of namens de verdachte ingestelde hoger beroep heeft zich in het bijzonder toegespitst op de vraag of de informatie in het persbericht significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten bedrijf of op de koers van daarvan afgeleide effecten; met andere woorden of sprake is van koersgevoelige informatie.

De markttoezichthouder bij uitstek, de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) heeft in haar brochure “Koersgevoelige informatie” van augustus 2009 (www.afm.nl) de bekendmaking van periodieke financiële resultaten gekenmerkt als voorbeeld van mogelijk koersgevoelige informatie.

Het hof is van oordeel dat de kwartaalcijfers (van het eerste kwartaal van 2006) van bedrijf en (de inhoud van) het persbericht met betrekking tot de kwartaalcijfers (van het eerste kwartaal van 2006) inderdaad koersgevoelige informatie bevatten. Daartoe overweegt het hof als volgt.

In artikel 1, tweede lid, van Richtlijn 2003/124/EG van de Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wordt, wat de definitie en openbaarmaking van voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft (Uitvoeringsrichtlijn) onder koersgevoelige informatie verstaan: “informatie waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren” (zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 december 2009, C-45/08; JOR 2010, 70 (Spector Photo Group N.V.), par. 51 en 68 en rechtbank Rotterdam 9 februari 2012, ECLI BV3771; JOR 2012, 145 (Fortis), r.o. 17.6).

Naar het oordeel van het hof zal een redelijk handelende belegger in effecten bedrijf of daarvan afgeleide effecten waarschijnlijk gebruik maken van de informatie in het persbericht van bedrijf, nu dat persbericht betrekking heeft op eerste kwartaalcijfers van het jaar 2006 van bedrijf, welke kwartaalcijfers een (aanzienlijke) stijging laten zien van onder meer het nettoresultaat, het aantal uitgevoerde transacties, het aantal klanten en het toevertrouwd vermogen van bedrijf ten opzichte van (het eerste kwartaal van) het voorgaande jaar.

Voor het oordeel dat de informatie in het persbericht koersgevoelige informatie betreft, vindt het hof steun in de omstandigheid dat de verdachte en de medeverdachte 1, beiden belegger in effecten bedrijf, de cijfers zoals vermeld in het persbericht samen hebben geanalyseerd en dat de verdachte vervolgens de in het persbericht vermelde eerste kwartaalcijfers met betrekking tot het aantal klanten, het aantal uitgevoerde transacties en het (netto)resultaat van bedrijf op een forum van een website voor beleggers heeft geplaatst.

Openbaarheid van de informatie

De raadsman van de verdachte heeft, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het persbericht geen nieuwe informatie bevat ten opzichte van de door bedrijf op 27 maart 2006 gepubliceerde trading update.

Dit roept de vraag op of de koersgevoelige informatie al dan niet openbaar is gemaakt.

Onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wte 1995 (oud) teneinde de effectiviteit van deze wet op het gebied van het bestrijden van gebruik van voorwetenschap te verbeteren, overweegt het hof dat informatie openbaar is gemaakt in de zin van artikel 46, vierde lid, Wte 1995 (oud) wanneer de informatie zonder voorbehoud aan derden is bekendgemaakt en daarmee in beginsel kenbaar is voor het beleggend publiek (Kamerstukken II 1996-1997, 25 095, nr. 3, p. 6).

Naar het oordeel van het hof is de koersgevoelige informatie – welke in het persbericht is vervat – eerder openbaar gemaakt in de trading update van 27 maart 2006, nu (i) de trading update (in beginsel) kenbaar was voor het beleggend publiek en (ii) de trading update (een stijging van) het aantal klanten en het toevertrouwd vermogen van bedrijf op 27 maart 2006 ten opzichte van het einde van het voorgaande jaar vermeldde, waarmee de kern van de in het persbericht opgenomen eerste kwartaalcijfers van het jaar 2006 reeds was gegeven, zodat die kwartaalcijfers niet als een verrassing kwamen en, in zoverre, geen toegevoegde waarde hadden ten opzichte van de trading update. Daarbij betrekt het hof dat, zoals in het persbericht is vermeld, de (positieve) resultaten van bedrijf, als internetbroker, in belangrijke mate werden ondersteund door het positieve beursklimaat.

Voor dat oordeel vindt het hof steun in een analyse van de Rabobank, waarin vermeld werd dat een winst per aandeel van € 0,20 verwacht werd, welke verwachting was gebaseerd op de informatie in de trading update en de hoge volumes op de beurzen en welke verwachting bevestiging vond in het op die analyse volgend persbericht.

Voor zover de advocaat-generaal heeft betoogd dat aan de publicatie van een trading update niet dezelfde waarde kan worden gehecht als aan de publicatie van een persbericht met betrekking tot kwartaalcijfers, overweegt het hof dat die stelling, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, niet in zijn algemeenheid kan gelden. In dit kader verwijst het hof naar het openbaar register van de AFM waarin, ingevolge artikel 1:107, derde lid, sub c, onder 2, van de Wet op het financieel toezicht, melding wordt gemaakt van (koersgevoelige) informatie die door uitgevende instellingen openbaar is gemaakt, welke meldingen veelvuldig in de vorm van een trading update worden gedaan.

Nu de koersgevoelige informatie in het persbericht van 18 april 2006 reeds openbaar is gemaakt in de trading update van 27 maart 2006, kan, naar het oordeel van het hof, niet bewezen worden verklaard dat de verdachte in of omstreeks de periode van 14 tot en met 15 april 2006 beschikte over voorwetenschap in de zin van artikel 46, vierde lid, Wte 1995 (oud), zodat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd en de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte, een vennootschap, veroordeeld wegens een gewoonte maken van het op grote schaal witwassen van gestolen auto’s en gestolen auto onderdelen, witwassen en grootschalige BTW-fraude

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8711

Verdachte, een vennootschap, heeft een gewoonte gemaakt van het op grote schaal witwassen van gestolen auto’s en gestolen auto onderdelen en het witwassen van van misdrijf afkomstig geld. Daarnaast heeft verdachte grootschalige BTW-fraude gepleegd. Alleen al voor de BTW-fraude met het berekende nadeel van ongeveer € 200.000 is, gelet op vergelijkbare zaken, een substantiële geldboete een passende straf. Met de witwaspraktijken heeft verdachte het plegen van andere misdrijven gefaciliteerd.

Het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden ten aanzien van de BTW-fraude omdat de Belastingdienst geen boete meer had mogen opleggen na de aanvang van de strafvervolging en er beter overleg had moeten plaatsvinden tussen het openbaar ministerie en de Belastingdienst wordt verworpen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 40.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Loods zeetanker strafrechtelijk verantwoordelijkheid gehouden voor schade aan afgemeerde binnenvaarttanker

Gerechtshof Den Haag 11 november 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4241 

De Nesa is een tanker met een scheepslengte van 332 meter en een breedte van 58 meter. Op 24 februari 2010 naderde dit zeeschip steiger T1, westzijde, van Vopak in de 7e petroleumhaven te Rotterdam om aldaar af te meren. Aan de zuidkant van steiger T1 lag – pal achter en haaks op de vaarrichting van de Nesa – het motortankschip Friendship afgemeerd. Aan boord van de Nesa bevonden zich – voor zover van belang – de kapitein, de stuurman, de roerganger en de verdachte. Op aanwijzen van de loods – de verdachte – voer de tanker achterwaarts in zuidelijke richting naar voornoemde steiger. Koers en snelheid werden hierbij door de verdachte bepaald en doorgegeven aan de kapitein. Op zijn beurt gaf de kapitein de hem door de verdachte gegeven aanwijzingen door aan de stuurman en de roerganger. De Nesa voer achteruit voorbij het punt waar zij diende af te meren en naderde de Friendship hierbij tot – uiteindelijk - een afstand van ongeveer 72 meter. De Friendship werd op dat moment met een hoeveelheid van ongeveer één miljoen liter stookolie per uur geladen. Om de achterwaartse beweging te stoppen, heeft de loods de kapitein gezegd halve kracht vooruit te geven. Hierna heeft de scheepsschroef van de Nesa gedurende 44 seconden halve kracht vooruit gedraaid. Dit veroorzaakte waterbewegingen in het kielzog van de Nesa. Deze waterbewegingen hadden zodanige kracht dat de Friendship van de steiger werd geduwd en twee stalen trossen waarmee zij was afgemeerd, braken.

De verdediging heeft bij wijze van primair verweer betoogd, dat onder de gegeven omstandigheden de loods – de verdachte – niet kan worden aangemerkt als degene die verantwoordelijk is voor de naleving van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR).

Juridisch kader

Ingevolge artikel 1.04 BPR dient de schipper van een schip alle voorzorgsmaatregelen te nemen die volgens goed zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevindt geboden zijn, onder meer om te voorkomen dat schade wordt veroorzaakt aan andere schepen.

Op grond van artikel 1.03, derde lid, BPR is iedere persoon die zich aan boord bevindt en die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van een schip bepaalt, evenzo verantwoordelijk voor de naleving van het BPR. In de Nota van Toelichting (Stb. 1995, 437) is over dit derde lid opgemerkt dat het begrip ‘schipper’ een feitelijk karakter heeft en dat ieder die zelfstandig de koers en snelheid van het schip bepaalt, feitelijk schipper is en verantwoordelijk voor de naleving van het BPR.

Het hof overweegt met betrekking tot het primaire verweer als volgt.

Aan de hand van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat het de verdachte was die bepaalde hoe de Nesa ten opzichte van de steiger T1 werd gemanoeuvreerd, die bepaalde met welke snelheid dit gebeurde en die aanwijzingen gaf aan de door hem ingeschakelde sleepbootkapiteins. De kapitein heeft de verdachte tijdens het manoeuvreren geen aanwijzingen gegeven. Reeds op grond hiervan dient de verdachte te worden aangemerkt als een zich aan boord bevindende persoon die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van de Nesa bepaalde, als bedoeld in artikel 1.03, derde lid BPR. Niets in de toelichting op die bepaling duidt erop dat de wetgever de loods van deze strafrechtelijke verantwoordelijkheid heeft willen uitsluiten. De verdachte kan gezien het vorenstaande verantwoordelijk worden gehouden voor de naleving van het BPR.

Hetgeen omtrent de verhouding kapitein-loods is bepaald in de Loodsenwet, is in het licht van het vorenstaande voor de beoordeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid in de onderhavige zaak niet relevant, omdat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid niet de formele gezagsverhouding aan boord, maar slechts de feitelijke situatie bepalend is.

Naar ’s hofs oordeel miskent de verdediging met haar stelling dat de verdachte (slechts) als adviseur van de kapitein optrad ten enen male de feitelijke verhoudingen bij de uitvoering van de onderhavige manoeuvre, mede gelet op de specifieke deskundigheid ten aanzien van de feitelijke situatie ter plaatse die de (wettelijk verplicht gestelde) loods in dezen geacht mag worden te hebben.

Beoordeling feitelijk handelen

De verdediging heeft subsidiair betoogd dat de verdachte in de gegeven omstandigheden in overeenstemming met de van hem gevergde zorg heeft gehandeld.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij ruim tevoren had gezien dat de Friendshipin het verlengde van de vaarrichting van de Nesa afgemeerd lag. Hij heeft voorts erkend dat in verband met de aanwezigheid van binnenvaarttankers die vaak zijn afgemeerd bij steiger T1, voorzichtigheid geboden is om zoveel als mogelijk te voorkomen dat een hinderlijke waterbeweging voor die schepen ontstaat. In zijn loodsverklaring heeft de verdachte hierover geschreven dat als de tanker vooruit slaat er direct schroefwater tegen de binnenvaarder komt, maar ook indirect doordat het schroefwater eerst tegen het talud “knalt” en vervolgens weer tegen het binnenvaartschip. Ondanks voornoemde wetenschap heeft de verdachte de vereiste voorzichtigheid niet betracht, door met de Nesa met – gegeven de omstandigheden – een te hoge snelheid achterwaarts te varen, de snelheid niet tijdig te verminderen, – mede als gevolg daarvan – het schip te ver door te laten varen om vervolgens halve kracht vooruit te slaan.

Aldus handelend heeft de verdachte niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die door de omstandigheden waarin het schip zich bevond waren geboden om te voorkomen dat schade aan een ander schip werd veroorzaakt.

Hetgeen de verdediging heeft betoogd met betrekking tot het ontbreken van causaal verband tussen de veroorzaakte waterbeweging en het breken van de stalen trossen vindt weerlegging in de bewijsmiddelen en behoeft om die reden geen verdere bespreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 24 februari 2010 in de gemeente Rotterdam aan boord van een zeeschip, genaamd: ‘Nesa’ als een ander persoon die zich aan boord van dat zeeschip bevond en die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van het schip bepaalde, daarmee varend op de voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaand binnenwater de 7e Petroleumhaven - terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaartpolitiereglement ontbraken – niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die door de omstandigheden waarin dit schip zich bevond waren geboden teneinde met name te voorkomen dat schade werd veroorzaakt aan een ander schip daarvan bevonden hebbende hij met dat zeeschip een zodanige waterverplaatsing veroorzaakt dat een motorvrachtschip, genaamd ‘Friendship’ dat achter dat zeeschip aan een steiger gemeerd lag en werd beladen met stookolie van de steiger werd geduwd/getrokken/gezogen/gespoeld, waardoor stalen trossen waarmee dat schip was afgemeerd braken.

Het bewezen verklaarde levert op: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1.03, derde lid en 1.04 aanhef en onder b van het Binnenvaartpolitiereglement, strafbaar gesteld bij artikel 31, vierde lid van de Scheepvaartverkeerswet.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.250, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beloodste zeetanker komt in harde botsing met kade waaraan moet worden aangelegd. Vrijspraak van de loods aangezien het ervoor moet worden gehouden dat diens aanwij-zingen niet juist zijn uitgevoerd.

Gerechtshof Den Haag 11 november 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4240

Op grond van het procesdossier, alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte, die als loods werkzaam was op het zeeschip Holmen, zich tijdens de afmeermanoeuvre samen met de kapitein buiten op de bakboordvleugel bevond. Op dat moment stond de matroos aan het stuurwiel, terwijl de tweede stuurman de telegraaf bediende. Zij bevonden zich beiden binnen op de brug. De door de verdachte in het Engels gegeven aanwijzingen werden door de kapitein herhaald en via de portofoon doorgegeven aan de matroos en de tweede stuurman binnen op de brug.

De verdachte heeft ten overstaan van de politie en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij tijdens de afmeermanoeuvre en voorafgaand aan de aanvaring heeft beproefd de snelheid te minderen door met opeenvolgende aanwijzingen de voortstuwing met steeds grotere kracht achteruit te laten werken. Dat de verdachte deze aanwijzingen daadwerkelijk heeft gegeven, vindt steun in de getuigenverklaring van kapitein, die heeft verklaard dat de loods de schroef achteruit heeft laten slaan.

Uit de engine logs, waaruit de telegraafhandelingen zijn af te leiden, blijkt evenwel dat de voortstuwing vlak voor de aanvaring achtereenvolgens in de volgende standen is gezet: zeer langzaam achteruit, zeer langzaam vooruit, langzaam vooruit, half achteruit en vol achteruit.

Het hof houdt het er aan de hand van het vorenstaande voor dat de door de verdachte gegeven aanwijzingen niet juist zijn opgevolgd. Nu aannemelijk is dat als gevolg van het niet juist opvolgen van door de verdachte gegeven aanwijzingen de aanvaring heeft plaatsgevonden, kan niet bewezen worden hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^