De in militair strafrecht bevoegde rechter

Gerechtshof Arnhem 4 april 2013, LJN BZ6297

Feiten

Verdachte, opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee, reed op 10 januari 2009 met zijn auto achteruit een parkeervak in terwijl twee mensen dichtbij, achter en naast het voertuig stonden; hij heeft daarbij het slachtoffer met zijn auto geraakt en diens voet overreden. Verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft gemerkt dat hij het slachtoffer heeft geraakt en diens voet heeft overreden, maar erkent wel dat hij achteruit is door blijven rijden terwijl beide of in elk geval een van beide personen zeer dicht bij het voertuig stond.

Tenlastelegging

  • Feit 1: Mishandeling
  • Feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ontvankelijkheid OvJ / bevoegdheid rechter

Aan deze zaak is een beklagprocedure ex artikel 12 Sv vooraf gegaan. Bij beschikking van 6 december 2010 heeft het hof klager (betrokkene) niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag voor zover dit ziet op artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (het onder 2 tenlastegelegde feit). Er was geen sprake meer van een situatie van niet-vervolgen omdat beklaagde (verdachte) reeds zou worden gedagvaard voor dat feit.

Ten aanzien van de mishandeling (het onder 1 tenlastegelegde feit) heeft de beklagkamer van het hof de officier van justitie bevolen een strafvervolging in te stellen.

Op grond van artikel 68, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie alsmede artikel 8, tweede lid van de Wet militaire strafrechtspraak, zoals deze golden ten tijde van het indienen van het beklag, oordeelt de militaire kamer ook over het beklag over niet vervolging in militaire zaken als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hiervoor genoemde bevel tot vervolging is gegeven door de commune beklagkamer van het hof. Deze kamer was – gelet op het vorenstaande – onbevoegd ten aanzien van militairen. Daarom is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake de mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100.

Print Friendly and PDF ^

Verzoek ex artikel 591a Sv: toekenning van vergoeding van € 72.979,76

Gerechtshof 's-Gravenhage 26 maart 2013, LJN BZ5621

De rechtbank Dordrecht heeft op 13 april 2007 de verzoeker vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.

De verzoeker heeft vervolgens vergoeding gevraagd van € 72.439,76 ter zake van kosten voor rechtsbijstand in zijn strafzaak en van € 540 ter zake van kosten van het door zijn advocaat, mr. P.J. Silvis, opstellen en in de raadkamer behandelen van het onderhavige verzoekschrift.

De raadkamer van het hof heeft dit verzoekschrift in het openbaar op 29 september 2011 behandeld en bij tussenbeschikking van 13 oktober 2011 bepaald dat het onderzoek dient te worden heropend teneinde de verzoeker en diens raadsman in de gelegenheid te stellen middels stukken te onderbouwen dat de verzoeker de in het geding zijnde declaraties heeft voldaan.

De raadkamer van het hof heeft het verzoekschrift nogmaals in het openbaar behandeld op 15 december 2011. Daarbij zijn gehoord advocaat van de verzoeker, mr. P.J. Silvis, en de advocaat-generaal mr. H.H.J. Knol.

Standpunt AG

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat nadere onderbouwing van de stelling dat de onderhavige kosten ten laste van verzoeker zijn gekomen dan de advocaat tot nog toe heeft gegeven, niet kan worden gevergd en acht gronden aanwezig, zulks in afwijking van de schriftelijke conclusie van zijn ambtgenoot van 15 augustus 2011, voor toewijzing van het verzoek, zij het met toepassing van een matiging - daar zijns inziens ten aanzien van reistijd de helft van het uurtarief voor vergoeding in aanmerking komt - in die zin dat het verzoek tot een bedrag van € 63.075,89 wordt toegewezen, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

Beoordeling van het verzoek 

De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing die de verzoeker op grond van artikel 591a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op vergoeding van de ten behoeve van de strafzaak gemaakte kosten voor rechtsbijstand, indien en voor zover daartoe - alle omstandigheden in aanmerking genomen - gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Het hof acht de gronden van billijkheid, die recht op vergoeding geven van de ten behoeve van de strafzaak gemaakte kosten, aanwezig.

Voorts is het hof - anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat de declaraties van advocaten ten aanzien van reistijd gemaakt in het kader van de behandeling van strafzaken die zonder oplegging van straf of maatregel zijn geëindigd, integraal voor vergoeding in aanmerking komen tenzij deze onredelijk hoog voorkomen, hetgeen naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak niet het geval is.

Het hof wijst het verzoek toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 72.979,76.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Niet in acht nemen voorschriften bij uitreiking dan wel toezending van het afschrift van de strafbeschikking leidt tot niet-ontvankelijkheid OM

Gerechtshof 's-Gravenhage 26 maart 2013, LJN BZ5617

Het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen de zaak tegen de verdachte bij strafbschikking af te doen. De uitreiking dan wel toezending van het afschrift van de strafbeschikking heeft echter niet volgens de geldende voorschriften plaatsgevonden, waardoor de verdachte niet op de hoogte is gebracht van de strafbeschikking. Als gevolg daarvan heeft de verdachte geen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om ófwel de in de strafbeschikking genoemde boete te voldoen ófwel verzet in te stellen tegen de strafbeschikking.

Op zichzelf bestaat, blijkens het bepaalde in artikel 255a Wetboek van Strafvordering, de mogelijkheid om de verdachte (zoals in casu is gebeurd) te dagvaarden nadat er eerst een strafbeschikking tegen hem is uitgevaardigd. Het Openbaar Ministerie dient hierbij echter wel te handelen overeenkomstig de beginselen van een behoorlijke procesorde. Doordat de verdachte al meteen is gedagvaard na de mislukte uitreiking heeft hij niet de gelegenheid gehad om, zonder openbare behandeling door een rechter en zonder dat hij de kans liep een zwaardere straf opgelegd te krijgen, te voldoen aan de sanctie die hem bij wege van een strafbeschikking was opgelegd (zijnde een geldboete van € 310).

De verdachte is aldus in zijn belangen geschaad. Door het Openbaar Ministerie zijn in het geheel geen redenen aangevoerd waarom er is teruggekomen op het aanvankelijke besluit om de zaak bij strafbeschikking af te doen. In dit licht bezien is de vervolging van de verdachte in de gegeven omstandigheden strijdig met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (ook wel het verbod van willekeur genoemd). Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Inlener aansprakelijk ondanks verklaring betalingsgedrag

Gerechtshof Amsterdam 4 maart 2013, LJN BZ5141

Procesgang

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder als feit 1 en 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en met een proeftijd van 2 jaren en tot een geldboete van € 20.000,00 subsidiair 235 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 30 mei 2007, de verdachte vrijgesproken van het als feit 1 en 2, primair ten laste gelegde, het als feit 2, subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard en geen straf of maatregel opgelegd.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 6 juli 2010 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de ten aanzien van het als feit 2, subsidiair ten laste gelegde gegeven beslissingen en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Feiten

De verdachte heeft zich - als feitelijk leidinggevende - schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste belastingaangifte. De B.V. heeft in oktober 1998 optierechten verleend aan haar werknemers en bestuurders maar deze niet bij de aangifte loonbelasting en premie volksverzekeringen van die maand betrokken. In zoverre is sprake van een onjuiste aangifte. Er is immers aangifte gedaan voor een te laag bedrag.

Voorts staat vast dat de bedoelde optierechten alsnog zijn verwerkt in de aangifte loonbelasting over het tijdvak december 1998, twee maanden te laat.

Beroep op inkeerregeling

De verdachte heeft erkend dat over het tijdvak oktober 1998 een onjuiste aangifte is gedaan, maar daarbij een beroep gedaan op de ‘inkeerbepaling’ van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, als gevolg waarvan aan het openbaar ministerie geen recht op strafvervolging meer zou toekomen.

Het hof overweegt dat voor een geslaagd beroep op de inkeerbepaling is vereist dat alsnog een juiste aangifte wordt gedaan, dan wel, alsnog juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen worden verstrekt. Daarnaast dient zulks op een zodanige wijze te geschieden dat het voor de belastingdienst redelijkerwijs duidelijk is dat de eerdere onjuiste aangifte of verstrekte informatie daarmee wordt gerectificeerd. Met andere woorden, het alsnog voldoen aan de fiscale verplichtingen moet ook als zodanig kenbaar worden gemaakt aan de fiscus (vgl. HR 22 mei 2001, NJ 2001/699).

Het hof stelt voorop dat door de B.V. over het tijdvak december 1998 eveneens een onjuiste aangifte loonbelasting is gedaan. De in het geding zijnde optierechten zijn immers toegekend in oktober en niet in december. In december is dus aangifte gedaan voor een te hoog bedrag, zodat over het tijdvak december (in zoverre) eveneens een onjuiste aangifte is gedaan. De aangifte over december 1998 kan aldus, anders dan de verdachte heeft gesteld, niet worden aangemerkt als een suppletieaangifte over het tijdvak oktober maar slechts als een (onjuiste, want te hoge) aangifte over het tijdvak december 1998.

Evenmin zijn bij de aangifte over het tijdvak december 1998 alsnog juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt. Ter terechtzitting in hoger beroep op 18 februari 2013 heeft de medeverdachte bevestigd dat bij de aangifte over december 1998 geen nadere inlichtingen zijn verstrekt en over deze aangifte ook geen overleg heeft plaatsgevonden met de belastingdienst. Voor zover de aangifte over december 1998 was bedoeld ter correctie van de onjuiste aangifte in oktober 1998, is die intentie niet duidelijk kenbaar gemaakt aan de belastingdienst.

Nu niet alsnog de juiste aangifte over oktober 1998 is gedaan en evenmin alsnog juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen zijn verstrekt, faalt het beroep op de inkeerbepaling.

Het hof voegt hier aan toe dat verdachte door geen verbeterde aangifte in te dienen voor oktober 1998 en de inspecteur daarover niet nader te informeren, aan de belastingdienst controlemogelijkheden heeft onthouden, terwijl uitoefening van controle door de belastingdienst - gelet op de aan verandering onderhevige fiscale regelgeving ten aanzien van optieverlening destijds - in de rede zou hebben gelegen.

Het had op de weg van de verdachte en de medeverdachte gelegen om de belastingdienst actief en in voldoende mate te informeren over de onjuiste aangifte over het tijdvak oktober 1998 en de aard en omvang van de aan te brengen correctie, door middel van een suppletieaangifte over oktober 1998, een bezwaar tegen de gedane aangifte, een verzoek om naheffing, of anderszins.

Het hof concludeert tot verwerping van het verweer en acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.  

Strafoplegging

Het hof overweegt dat het bewezen verklaarde feit in 1998, derhalve bijna 15 jaren geleden, heeft plaatsgevonden. Bovendien is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 van het EVRM ruimschoots overschreden, niet alleen bij de behandeling van het beroep in cassatie door de Hoge Raad maar ook na terugwijzing van de zaak naar het hof. Gelet op deze omstandigheden, en in aanmerking genomen dat zich geen incidenten meer hebben voorgedaan, is het hof van oordeel dat het belang van normmarkering door verdachtes strafvervolging en berechting in toereikende mate is gediend.

Het hof bepaalt dan ook dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Geen schadevergoeding AFM aan klant failliete DSB bank

Toezichthouder Autoriteit Financiële Markten (AFM) hoeft geen schadevergoeding te betalen aan een klant van de failliete DSB bank. Dat heeft het gerechtshof Amsterdam vandaag beslist.

De klant had in 2008 een achtergesteld deposito bij de DSB bank afgesloten voor € 500.000. Door het faillissement van DSB bank is zij vermoedelijk een groot deel van haar geld kwijt. Zij meent dat AFM aansprakelijk is voor deze schade. Volgens haar heeft AFM onvoldoende toezicht gehouden op de gebrekkige informatieverstrekking door de bank in 2008. Zij is toen door de bank onvoldoende geïnformeerd over het risico van een faillissement. Door het gebrek aan toezicht van AFM op die informatievoorziening heeft zij schade geleden die zij vergoed wil zien. Het hof heeft haar standpunt niet gevolgd. Haar vordering is afgewezen.

Print Friendly and PDF ^