Niet in acht nemen voorschriften bij uitreiking dan wel toezending van het afschrift van de strafbeschikking leidt tot niet-ontvankelijkheid OM

Gerechtshof 's-Gravenhage 26 maart 2013, LJN BZ5617

Het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen de zaak tegen de verdachte bij strafbschikking af te doen. De uitreiking dan wel toezending van het afschrift van de strafbeschikking heeft echter niet volgens de geldende voorschriften plaatsgevonden, waardoor de verdachte niet op de hoogte is gebracht van de strafbeschikking. Als gevolg daarvan heeft de verdachte geen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om ófwel de in de strafbeschikking genoemde boete te voldoen ófwel verzet in te stellen tegen de strafbeschikking.

Op zichzelf bestaat, blijkens het bepaalde in artikel 255a Wetboek van Strafvordering, de mogelijkheid om de verdachte (zoals in casu is gebeurd) te dagvaarden nadat er eerst een strafbeschikking tegen hem is uitgevaardigd. Het Openbaar Ministerie dient hierbij echter wel te handelen overeenkomstig de beginselen van een behoorlijke procesorde. Doordat de verdachte al meteen is gedagvaard na de mislukte uitreiking heeft hij niet de gelegenheid gehad om, zonder openbare behandeling door een rechter en zonder dat hij de kans liep een zwaardere straf opgelegd te krijgen, te voldoen aan de sanctie die hem bij wege van een strafbeschikking was opgelegd (zijnde een geldboete van € 310).

De verdachte is aldus in zijn belangen geschaad. Door het Openbaar Ministerie zijn in het geheel geen redenen aangevoerd waarom er is teruggekomen op het aanvankelijke besluit om de zaak bij strafbeschikking af te doen. In dit licht bezien is de vervolging van de verdachte in de gegeven omstandigheden strijdig met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (ook wel het verbod van willekeur genoemd). Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF