Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht NOvA en KNB kritisch over wetvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod

De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (GCV) plaatst kritische kanttekeningen bij het wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod. De commissie onderkent het maatschappelijk belang dat is gediend met het voorkomen en bestrijden van misbruik van en fraude met rechtspersonen, maar onderstreept dat een nieuwe wet alleen niet zal helpen. Van groot belang is dat van de geboden wettelijke ruimte tot aanpak ook daadwerkelijk gebruik zal worden gemaakt. Dit geldt ook voor de mogelijkheid tot strafrechtelijke vervolging zoals voorzien in het wetsvoorstel herziening strafbaarstelling faillissementsfraude.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Verdenking belasting- & faillissementsfraude

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4381

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van:

  1. opzettelijk onjuist belastingaangifte doen (feit 1)
  2. bedrieglijke bankbreuk (feit 3)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte is bij dit vonnis vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Zowel verdachte en als de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Bij akte van 6 maart 2013 heeft de officier van justitie het tegen feit 2 ingestelde hoger beroep ingetrokken.

Vrijspraak feit 1 (opzettelijk onjuist belastingaangifte doen)

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde opzettelijk onjuist doen van zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Verdachte is vanaf 17 december 1993 tot 9 oktober 2001 eigenaar geweest van 50% van de aandelen in de vennootschap N.V. A Medio jaren negentig is N.V. A gefailleerd en is – na homologatie van een akkoord met schuldeisers – door N.V. A jarenlang geprocedeerd over een vordering van N.V. A op Vereniging B, welke vordering door Vereniging B werd betwist. Uiteindelijk heeft deze procedure geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst van januari 2001 waarbij is overeengekomen betaling van een bedrag van fl. 825.000 door Vereniging B aan N.V. A ter algehele en finale kwijting van zowel N.V. A, als verdachte en de echtgenote van verdachte. Na verrekening van kosten is begin februari 2001 op bankrekeningnummer XXX ten name van N.V. A een bedrag gestort van fl. 760.000, waarna dit bedrag op 9 februari 2001 is gestort op bankrekeningnummer ZZZ ten name van verdachte en de echtgenote van verdachte.

Aan verdachte wordt thans verweten dat hij in de aangifte inkomstenbelasting over 2001 opzettelijk het door hem in dat jaar genoten gedeelte van genoemd bedrag van fl. 760.000 niet heeft aangegeven als zijnde inkomsten uit aanmerkelijk belang. Verdachte heeft met betrekking tot dit verwijt ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Ik heb de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001 ondertekend. De boekhouder heeft deze aangifte ingevuld. Ik heb dat niet zelf gedaan. Ik ben alleen langs gekomen om mijn handtekening te zetten. Ik was niet in detail op de hoogte van wat er in die aangifte was opgenomen. Abusievelijk is in die aangifte niet aangekruist dat er sprake was van een buitenlands aanmerkelijk belang. (…) De aangifte is daarna door Hertogs ingediend. De gegevens in deze aangifte weken niet af van de gegevens zoals die in al de jaren daarvoor sinds 1999 waren opgegeven. Er was niets veranderd. In al die jaren is evenmin opgave gedaan van het aanmerkelijk belang. (…) Het jaar 2001 was ook het eerste jaar dat het nieuwe boxensysteem was ingevoerd. (…)

Mijn echtgenote en ik zijn sinds 1993 in het bezit van de aandelen in N.V. A Ik beschik over 50% van de aandelen. Medio jaren negentig is deze N.V. in een faillissement geraakt. Deze N.V. was op dat moment in een gerechtelijke procedure verwikkeld met Vereniging B. Na dat faillissement kon ik toen na homologatie de vordering van N.V. A op Vereniging B realiseren. Ik was toen weer heer en meester van de vordering. Ik heb daarna zelfstandig de procedure tegen Vereniging B doorgezet. Tijdens de hierop volgende jarenlange procedure hebben wij veel kosten gemaakt, ongeveer € 200.000 tot € 300.000, waaronder onder meer advieskosten. De kosten voor het overnemen van deze vordering uit het faillissement bedroegen ongeveer fl. 90.000. Jarenlang is in verband met deze vordering door ons geld betaald, omdat in N.V. A geen geldmiddelen zaten. Uiteindelijk heb ik de procedure gewonnen, waarna wij een bedrag van fl. 760.000 hebben ontvangen. Ik zag dat bedrag als terugbetaling van al onze investeringen in N.V. A (…)

Ik heb in de aangiften vermogensbelasting ook opgegeven dat er sprake was van een vordering van ongeveer fl. 800.000 à fl. 900.000. Die vordering was verder niet uitgesplitst. Daar werd in al die jaren ook niet om gevraagd door de fiscus. In de aangiften over de aan 2001 voorafgaande jaren is vanaf 1999 de vordering tegen dit bedrag ook telkens in de aangifte vermogensbelasting opgenomen. (…)

Ik had ten tijde van de aangifte veel informatie niet meer voorhanden. De hierop betrekking hebbende geldleningsovereenkomst tussen mij en N.V. A is verloren gaan. Ik heb mijn adviseur destijds niet veel informatie kunnen verstrekken. Ik beschik nu wel weer over stukken die de door mij gedane investeringen onderbouwen. Die stukken heb ik van de FIOD. Het bewijs van homologatie is nu boven water. (…)

We leefden in de veronderstelling dat met de ontvangst van het bedrag van fl. 760.000 het door ons geïnvesteerde geld terug werd betaald.”

Het hof constateert dat verdachte – zowel gedurende de gehele belastingprocedure, die is uitgemond in de uitspraak van de belastingkamer van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 18 november 2010, 09/00655, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP7293, als tijdens onderhavige strafprocedure – heeft gepersisteerd bij de stelling dat het door hem en de echtgenote van verdachte, op 9 februari 2001 ontvangen bedrag van fl. 760.000 de terugbetaling betrof van een vordering van hem en zijn echtgenote op N.V. A tot minstens dit bedrag. Blijkens onder meer verdachtes verklaring ter terechtzitting in hoger beroep is hij van mening dat hij en zijn echtgenote een vordering hadden op N.V. A Deze vordering is volgens verdachte ontstaan doordat hij en zijn vrouw de kosten van de overname van de vordering op Vereniging B uit het faillissement van N.V. A, alsmede de zeer kostbare jarenlange civiele procedure die N.V. A heeft moeten voeren om de vordering van N.V. A op Vereniging B tot uitbetaling te zien komen, hebben moeten financieren.

Onder deze omstandigheden acht het hof aannemelijk, dat verdachte (en zijn echtgenote) een vordering hadden op N.V. A uit hoofde van de financiering door hen van N.V. A voor de procedure tegen Vereniging B. Hierbij wordt – ten overvloede – overwogen, dat ook de belastingkamer van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch onder 4.23 in bovenvermelde uitspraak reeds heeft geoordeeld in die zin. Het hof is dan ook van oordeel, dat verdachte op het moment van indienen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 redelijkerwijs mocht menen dat de wijze waarop hij deze aangifte deed, toelaatbaar was, nu hij het van N.V. A. ontvangen geldbedrag van fl. 760.000 beschouwde als een terugbetaling van eerder door hem en zijn echtgenote aan de vennootschap geleend geld (Hoge Raad 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596, rov. 7.3).

De omstandigheid dat over de precieze omvang van de vordering van verdachte (en zijn echtgenote) op N.V. A wellicht discussie mogelijk was en het feit dat verdachte in de door hem met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 gevoerde belastingprocedure er niet in is geslaagd het volledige bedrag van de door hem voorgestane hoogte van de vordering op N.V. A aannemelijk te maken, doet aan het oordeel dat verdachte de aangifte heeft mogen invullen zoals hij heeft gedaan niet af.

Voorts overweegt het hof als volgt. Het feit, dat verdachte op het voorblad niet heeft aangekruist dat aangifteblad 4 zou moeten worden meegezonden strekt op zich niet ertoe dat te weinig belasting werd geheven. Immers, het feit dat verdachte wel een aanmerkelijk belang had in N.V. A brengt niet met zich dat hij inkomsten uit aanmerkelijk belang had genoten. Bovendien hecht het hof geloof aan de verklaring van verdachte dat hij zijn aandelenbezit sinds 1999 nimmer in zijn aangiften heeft vermeld en dat dat de reden is dat zijn aanmerkelijk belang abusievelijk evenmin in de aangifte over 2001 is vermeld. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat niet bewezen is dat verdachte met (voorwaardelijk) opzet op het voorblad niet heeft aangekruist dat aangifteblad 4 moest worden meegezonden.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat verdachte niet kan worden verweten dat hij de in de tenlastelegging genoemde aangifte opzettelijk onjuist zou hebben gedaan, ook niet in voorwaardelijke zin. Evenmin acht het hof, gelet op het vorenoverwogene, bewezen dat de aangifte ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Mitsdien moet verdachte van het ten laste gelegde onder 1 worden vrijgesproken.

Feit 3 (bedrieglijke bankbreuk)

Vrijspraak feit 3 eerste gedachtestreepje

Met betrekking tot het ten laste gelegde onder 3, in het bijzonder de onder het eerste gedachtestreepje bedoelde vordering op BV X en BV Y van in totaal € 217.500, constateert het hof dat het dossier een drietal ‘overeenkomsten van geldlening’ aan bedoelde vennootschappen bevat. Slechts één van deze drie overeenkomsten, waarin alleen de echtgenote van verdachte als schuldeiser is vermeld, is daadwerkelijk bekrachtigd met een handtekening van de van die overeenkomst deel uitmakende partijen. In de twee overige overeenkomsten – verder niet voorzien van enige handtekening – wordt verdachte (onder meer) als schuldeiser genoemd.

Verdachte heeft dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat weliswaar in een e-mailbericht d.d. 5 december 2006 melding wordt gemaakt van het opstellen van een geldlening ten bedrage van € 217.500 op naam van verdachte en een concept van die overeenkomst in de bijlage van dat bericht aan hem is toegezonden, doch hij nimmer met de voorwaarden van deze lening aan BV X en BV Y akkoord is gegaan en derhalve ook nooit sprake is geweest van een vordering van verdachte op deze vennootschappen tot een bedrag € 217.500. Aldus verdachtes verklaring in hoger beroep betrof het hier een geldlening van NV S en niet van verdachte aan bedoelde vennootschappen. Het hof stelt vast dat uit het dossier blijkt dat uit een rechtshulpverzoek is gebleken dat op 2 juni 2006 van de Dexiabankrekening van NV S en/of NV T een bedrag van € 200.000 is overgemaakt naar de bankrekening van BV Y.

Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is sprake van zodanige twijfel over het daadwerkelijk bestaan van een geldvordering op bedoelde vennootschappen op naam van verdachte tot een bedrag zoals ten laste gelegd, dat het hof het bestaan van een zodanige vordering niet bewezen acht. Mitsdien dient verdachte van hetgeen hem in dit verband onder 3 is tenlastegelegd te worden vrijgesproken.

Onderdeel A.

Verdachte is op 19 september 2006 in staat van faillissement verklaard. Op 17 oktober 2007 heeft mr. H in de hoedanigheid van curator in het faillissement van verdachte aangifte gedaan bij de FIOD/ECD ter zake van onder meer bedrieglijke bankbreuk door verdachte. In bedoelde aangifte maakte de curator melding van de volgende zaken, te weten:

  • verdachte heeft in strijd met de waarheid van het begin af aan stellig beweerd over geen enkel actief te beschikken;
  • verdachte blijkt voor 50% eigenaar te zijn van een woning in Kaprun die hij kort voor het faillissement samen met zijn echtgenote heeft gekocht voor € 900.000. De aankoopprijs is voldaan door betaling van € 280.000 terwijl voor € 620.000 een bestaande hypotheek is overgenomen.
  • Voorts heeft verdachte voor en na het faillissement bij voortduring gebruik gemaakt van een rekening bij de Raiffeisenbank in Kaprun. Van deze rekening zijn met name € 250.000 op een Nederlandse rekening van de echtgenote van verdachte betaald, alsmede € 250.000 op naam van betrokkene 1, de partner van de zoon van verdachte;
  • (…)
  • verdachte heeft het bestaan van een overeenkomst verzwegen op basis waarvan zijn echtgenote aan hem € 235.000 verschuldigd is, zij het dat deze vordering eerst opeisbaar is op het moment dat verdachte 65 jaar wordt.

Blijkens een concept crediteurenlijst d.d. 30 maart 2007 afkomstig van curator mr. H bedroeg het totaal van de vorderingen in het faillissement van verdachte € 5.085.367,68.

Bij brief d.d. 9 mei 2007 heeft de curator mr. H melding gemaakt van het feit dat verdachte zich in het eerste gesprek met de curator van 21 september 2006 heeft laten ontvallen dat niemand zijn vermogen dan wel zijn vermogensbestanddelen zou kunnen achterhalen. Blijkens de inhoud van een op dit gesprek volgende aan verdachte gerichte brief d.d. 28 september 2006 heeft de curator verdachte erop gewezen dat hij omtrent de activa en passiva van zijn privé-vermogen volledige openheid van zaken dient te geven en heeft de curator verdachte alsnog in de gelegenheid gesteld om aan de curator zijn bezittingen op gedetailleerde wijze kenbaar te maken.

Verdachte heeft bij brief d.d. 19 oktober 2006 aan de curator kenbaar gemaakt als bezitting niets meer op zijn naam te hebben staan.

Met betrekking tot de in de aangifte d.d. 17 oktober 2007 genoemde rekening bij de Raiffeisenbank wijst curator mr. H in genoemde brief d.d. 9 mei 2007 er onder meer op – voor zover hier van belang – dat deze rekening op naam van verdachte staat en op deze rekening op 19 oktober 2006 een bedrag van € 500.000 is bijgeschreven, hetgeen wordt bevestigd door een van het dossier deel uitmakend rekeningoverzicht van genoemde rekening bij de Raiffeisenbank lopend van 8 september 2006 tot 12 maart 2007, waarin de naam van de echtgenote van verdachte niet als mederekeninghouder wordt genoemd en melding wordt gemaakt van het bijschrijven van genoemd bedrag op 19 oktober 2006.

In het uittreksel uit het Kadaster van Kaprun (Oostenrijk) d.d. 7 februari 2007 worden verdachte en de echtgenote van verdachte vermeld als zijnde de eigenaren van het onroerend goed aan de adres in Kaprun. Genoemd pand is blijkens de door zowel verdachte als de echtgenote van verdachte ondertekende koopovereenkomst d.d. 8 september 2006 gekocht voor een bedrag van € 900.000. Verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 september 2014 erkend mede-eigenaar te zijn van genoemde woning.

Bij overeenkomst “Akte schuldigerkenning, tevens akte van cessie, alsmede verplichting tot medewerking aan zekerheidstelling” d.d. 29 april 2005, met als ondergetekenden

BV B, verdachte en de echtgenote van verdachte, is vastgesteld dat verdachte en de echtgenote van verdachte op B.R. Bedding B.V. een vordering hebben van in totaal € 469.700. Blijkens de inhoud van deze overeenkomst hebben verdachte en de echtgenote van verdachte voorts overeenstemming bereikt over de verkoop door verdachte aan de echtgenote van verdachte van verdachtes deel in deze in onverdeelde eigendom aan beiden toebehorende vordering op BV B ad € 469.700, waarbij de echtgenote van verdachte de koopsom van dit gedeelte van de vordering, te weten € 235.000, schuldig blijft aan verdachte tot de eerste werkdag van de maand waarin verdachte de 65-jarige leeftijd bereikt. Verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg, als ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 september 2014 het bestaan van deze vordering op zijn echtgenote de echtgenote van verdachte niet ontkend.

Onderdeel B.

Ten aanzien van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de rekening bij de Raiffeisenbank in Kaprun overweegt het hof dat dit verweer feitelijke grondslag ontbeert en mitsdien reeds om deze reden wordt verworpen.

Ten aanzien van verdachtes aandeel in het eigendomsrecht van de woning in Kaprun heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk dit aandeel niet aan de boedel heeft verantwoord c.q. aan de boedel heeft onttrokken en verdachte mitsdien van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Dienaangaande is door de verdediging aangevoerd dat verdachte zich niet ervan bewust is geweest dat het op zijn weg lag om de curator van dit aandeel in het eigendomsrecht op de hoogte te stellen, nu deze woning in zijn geheel was gefinancierd door de echtgenote van verdachte en verdachte om die reden meende dat zij zich bij voorrang op deze woning zou kunnen en mogen verhalen en deze woning aldus niet in de boedel terecht zou komen.

Het hof overweegt dienaangaande dat verdachte, na op 28 september 2006 door de curator uitdrukkelijk te zijn gewezen op het geven van volledige openheid van zaken omtrent zijn privé-vermogen, per brief van 19 oktober 2006 aan de curator heeft kenbaar gemaakt geen enkele bezitting op zijn naam te hebben staan. Ondanks het feit dat de koopovereenkomst van de woning in Kaprun nog nauwelijks een maand eerder was gesloten heeft verdachte toch geen aanleiding gezien om van zijn aandeel in het eigendomsrecht van deze woning melding te maken bij de curator.

Het hof wijst in dit verband er voorts op dat de schulden in het faillissement zeer omvangrijk waren, volgens opgaaf van de curator meer dan € 5.000.000.

In de gegeven omstandigheden had het op zijn minst op de weg van verdachte gelegen om van dit aandeel in het eigendomsrecht van de woning in Kaprun melding te maken bij de curator en te verifiëren of de reden waarom hij van mening was dat dit aandeel niet aan de boedel toebehoorde juridisch juist was.

Nu verdachte, ondanks de op hem rustende verplichting om een volledig inzicht te geven in zijn privévermogen, bewust ervoor heeft gekozen de curator niet in te lichten over zijn eigendomsrecht in de woning in Kaprun en verdachte voorts ook geen navraag heeft gedaan of de door hem gestelde beweegredenen om zulks niet te doen juist waren, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat door het niet opgeven van zijn aandeel in het eigendomsrecht van de woning in Kaprun ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, baten niet werden verantwoord en/of goederen aan de boedel werden onttrokken.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van de vordering van verdachte op de echtgenote van verdachte ten bedrage van € 235.000 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze vordering kort vóór het faillissement is verrekend met een vordering van de echtgenote van verdachte en derhalve – zo begrijpt het hof – niet (meer) tot de boedel behoorde.

Het hof overweegt dienaangaande dat verdachte eerst in hoger beroep, zonder nadere onderbouwing, heeft verklaard dat onderhavige vordering op de echtgenote van verdachte zou zijn verrekend met een vordering van de echtgenote van verdachte op verdachte. Die verrekening zou bovendien – aldus de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep – ruimschoots vóór aanvang van het faillissement hebben plaatsgevonden.

Genoemde omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof niet aannemelijk dat sprake zou zijn geweest van een verrekening van vorderingen zoals door de verdediging bepleit.

Voor wat betreft het door de verdediging in verband met onderhavige vordering gevoerde opzetverweer overweegt het hof dat verdachte hoewel hij door de curator uitdrukkelijk is gewezen op het geven van volledige openheid van zaken omtrent zijn privévermogen, verdachte desondanks per brief van 19 oktober 2006 aan de curator heeft kenbaar gemaakt geen enkele bezitting op zijn naam te hebben staan.

Het hof wijst in dit verband er voorts op dat de schulden in het faillissement zeer omvangrijk waren, volgens opgaaf van de curator meer dan € 5.000.000.

In de gegeven omstandigheden had het op zijn minst op de weg van verdachte gelegen van onderhavige vordering melding te maken bij de curator en te verifiëren of aan deze ten tijde van het faillissement nog niet opeisbare doch verder in de toekomst wél opeisbare vordering, enige betekenis respectievelijk waarde toekwam.

Nu verdachte, ondanks de op hem rustende verplichting om een volledig inzicht te geven in zijn privévermogen, bewust ervoor heeft gekozen bij de curator van bedoelde omvangrijke vordering op de echtgenote van verdachte geen melding te maken en verdachte voorts ook geen navraag heeft gedaan of door hem gestelde beweegredenen om deze vordering niet te verantwoorden juist waren, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat hierdoor ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers baten niet werden verantwoord en/of goederen aan de boedel werden onttrokken.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Feit 3: Bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Spreken is zilver, zwijgen is goud: een inlichtingenverplichting zonder waarborg fout? De reikwijdte van het nemo tenetur-beginsel en de (voorgenomen) faillissementswetgeving'

In deze bijdrage gaan de auteurs in op een aantal onderwerpen waarbij de reikwijdte en toepassing van het nemo tenetur-beginsel aan de orde is. Ten eerste is dit het veelbesproken Chambaz-arrest van het EHRM. In dit arrest heeft het EHRM het nemo tenetur-beginsel uitgebreid naar de persoon die ‘niet kan uitsluiten’ dat gevorderd materiaal voor bestraffingsdoeleinden gebruikt zal worden.

Vervolgens wordt ingegaan op de ‘receptie’ van het Chambazarrest in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Voor een goed begrip voor de samenhang met voorgaande EHRM-arresten wordt voorafgaand aan beide onderwerpen een analyse gegeven van de ‘klassieke’ jurisprudentie ten aanzien van het nemo tenetur-beginsel. Hiernaast wordt aandacht besteed aan een nieuwe wending bij de toepassing van het nemo tenetur-beginsel, namelijk de uitwerking in de faillissementspraktijk. Door de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie en de focus van het Openbaar Ministerie op faillissementsfraude is de toepassing van het nemo tenetur-beginsel op dit terrein actueel geworden. In de faillissementswetgeving zijn legio verplichtingen opgenomen van een gefailleerde ten opzichte van de curator, terwijl het nemo tenetur-beginsel in die relatie nog betrekkelijk onontgonnen gebied lijkt. Ten slotte wordt afgerond met een standpunt omtrent de reikwijdte van het nemo tenetur-beginsel, alsmede een waardering hoe de huidige en toekomstige faillissementswetgeving zich verhoudt tot dat beginsel.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan faillissementsfraude bij horecabedrijven. Hij heeft schuldeisers van gefailleerde bedrijven door middel van sterfhuisconstructies ernstig benadeeld.

Rechtbank Overijssel 20 oktober 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:5590

Verdenking

  • Feit 1: in de periode van 22 mei 2007 tot en met 3 september 2009 samen met anderen feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan de stichting en de besloten vennootschap bedrijf 1 BV terzake van het plegen van faillissementsfraude;
  • Feit 2: in de periode van 22 mei 2007 tot en met 27 februari 2008 samen met anderen feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan de commanditaire vennootschap bedrijf 2 CV terzake van het plegen van faillissementsfraude;
  • Feit 3: in de periode van 13 augustus 2007 tot en met 3 september 2009 als bestuurder of als commissaris van de stichting, bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV, samen met anderen, hoewel wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen heeft geweigerd deze inlichtingen te geven dan wel opzettelijk de verkeerde inlichtingen heeft gegeven;
  • Feit 4: in de periode van 3 januari 2005 tot en met 27 februari 2008, samen met anderen, met betrekking tot verschillende documenten valsheid in geschrift heeft gepleegd, dan wel dat hij dit als feitelijk leidinggevende/opdrachtgever van bedrijf 3 CV, bedrijf 2 CV en bedrijf 1 BV heeft gepleegd, dan wel dat hij als feitelijk leidinggevende/opdrachtgever van bedrijf 3 CV, bedrijf 2 CV en bedrijf 1 BV verschillende valse documenten voorhanden heeft gehad.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is op grond van verschillende in het dossier opgenomen verklaringen en schriftelijke bescheiden van mening dat verdachte middellijk en/of onmiddellijk zeggenschap heeft gehad over de in de tenlastelegging onder de feiten 1 tot en met 4 genoemde rechtspersonen. Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan de stichting en aan bedrijf 1 BV terzake van de onder

feit 1 ten laste gelegde faillissementsfraude. Daarnaast heeft hij feitelijk leiding gegeven aan bedrijf 2 CV terzake van de onder feit 2 ten laste gelegde faillissementsfraude. Ook heeft hij geen dan wel onjuiste informatie verschaft aan de curator in het faillissement van de stichting, bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV, zoals ten laste gelegd onder feit 3. Tot slot heeft hij de onder feit 4 genoemde oprichtingsaktes, facturen en overeenkomsten valselijk opgemaakt.

De feiten 1, 2, 3 en 4 primair zijn derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde heeft verdachte gesteld dat hij niet als bestuurder of anderszins als feitelijk leidinggevende bij bedrijf 1 BV betrokken is geweest. Die BV was van betrokkene. Verdachte heeft haar wel geholpen met de belastingproblemen en voor zijn hulp heeft hij ook facturen verstuurd. Van de stichting is verdachte wél feitelijk leidinggevende geweest, maar het verwijt dat inventaris en goodwill van die Stichting zijn overgedragen zonder dat de waarde aan de Stichting ten goede is gekomen, is niet juist. Weliswaar zijn geldbedragen aan de Stichting onttrokken, maar daarvoor bestond telkens een rechtmatige titel. De administratie van de Stichting is wel degelijk aan de curator overgedragen, dat betrof tien dozen.

De optelling die aan feit 2 ten grondslag ligt is niet correct. Er zijn in november en december 2007 contante geldbedragen gebruikt om leveranciers te betalen en die betalingen zijn wegens tijdgebrek pas in januari van het jaar daarop in de boekhouding verwerkt.

Ook het verwijt dat verdachte geen of onjuiste inlichtingen zou hebben verstrekt aan de curatoren van de stichting, bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV (feit 3) is niet terecht.

Met betrekking tot de onder feit 4 ten laste gelegde valsheden heeft verdachte gesteld dat hetgeen onder A en B staat vermeld juist is, maar dat hij er geen kwade bedoelingen mee heeft gehad. Ten aanzien van het onder C tenlastegelegde heeft hij verklaard dat hij bij de eerste factuur vergeten is om de juiste datum in te vullen. De andere drie onder C genoemde facturen zijn echter wel juist. Verdachte stelt niet geweten te hebben dat bedrijf 5 failliet was verklaard. Nadat hij daar achter kwam zijn op de aangegeven data de creditfacturen onder D opgemaakt. Ten aanzien van de onder E genoemde overeenkomsten heeft verdachte gesteld dat hij na de opheffingsdatum van bedrijf 3 CV nog inventaris tegen kwam op andere locaties. Hij heeft toen de data ingevuld van de daadwerkelijke overdracht van die inventaris.

Verdachte dient derhalve van alle aan hem ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken.

Oordeel rechtbank

Feit 1

De stichting is opgericht in 1998 en op 13 augustus 2007 door de Rechtbank te Zwolle failliet verklaard. Als curator is benoemd mr. J.J.D. de Leur. Verdachte is volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 6 augustus 2007 tot 13 augustus 2007 bestuurder geweest van de stichting. Verdachte heeft echter ter terechtzitting verklaard dat hij gedurende de gehele ten laste gelegde periode feitelijk leidinggever is geweest van de stichting. Bedrijf 1 BV is opgericht op 23 december 2005 en op 27 februari 2008 door de Rechtbank te Zwolle failliet verklaard. Als curator is benoemd mr. S.J. de Vries. Vanaf 23 maart 2007 was mevr. betrokkene enig aandeelhouder van bedrijf 1 BV. Verdachte heeft geen formele zeggenschap gehad binnen deze BV. De rechtbank leidt uit de verklaring van betrokkene, die op onderdelen ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen en op de rechtbank betrouwbaar overkomt, echter af dat verdachte vanaf het moment dat voornoemde betrokkene de aandelen van bedrijf 1 BV overnam feitelijk degene is geweest die binnen die BV de gang van zaken bepaalde en dus als feitelijk leidinggevende beschouwd moet worden.

Bedrijf 2 CV is opgericht op opgericht op 1 oktober 2007 en gefailleerd op 27 februari 2008. Als curator is benoemd mr. S.J. de Vries. Bedrijf 1 is van 1 oktober 2007 tot 27 februari 2008 beherend vennoot geweest van de CV. Bedrijf 4 is in diezelfde periode commanditair vennoot van de CV geweest. De aandeelhouders/zaakvoerders van deze BVBA waren verdachte en zijn zoon medeverdachte. Ook van bedrijf 2 CV was verdachte dus de feitelijk leidinggevende.

Feit 1 onder A en B

Feit 1 onder A en B van de tenlastelegging is nader uitgewerkt in verschillende onderdelen die hierna besproken zullen worden.

- 1 ᵉ gedachtestreepje: de overdracht van inventaris van de Stichting aan bedrijf 3 CV en/of bedrijf 1 BV en/of bedrijf 2 CV

Op 31 december 2004 had de stichting de inventaris van de bowlingbaan locatie 1 aan de adres te plaats en de cocktailbar locatie 2 aan de adres te plaats in eigendom. De stichting heeft deze inventaris met ingang van 1 januari 2005 ingebracht in bedrijf 3 CV. Deze CV is opgericht op 1 januari 2005 en ontbonden op 1 juni 2007. Verdachte is gedurende deze periode middellijk en onmiddellijk de feitelijk leidinggevende binnen bedrijf 3 CV geweest.

Met ingang van 1 juni 2007 heeft bedrijf 1 BV alle activiteiten (de exploitatie van bowlingbaan locatie 1 en van cocktailbar locatie 2) overgenomen van bedrijf 3 CV.

Uit het dossier blijkt dat Van de Weerd Horecamakelaardij op 20 mei 2007 de waarde van de bedrijfsinventaris van cocktailbar locatie 2 op €100.000 heeft gewaardeerd. Van de Weerd Horecamakelaardij heeft op 18 januari 2008 de waarde van de inventaris van bowlingbaan locatie 1 per juni 2007 gewaardeerd op €150.000. Op 8 juni 2007 heeft bedrijf 3 CV de inventaris van zowel de bowlingbaan als de cocktailbar voor €75.000 verkocht aan bedrijf 1 BV. De inventarissen van de bowlingbaan en de cocktailbar hadden tezamen een getaxeerde waarde van €250.000 en zijn dus ver onder de waarde door bedrijf 3 CV verkocht aan bedrijf 1 BV. De (op zich al te lage) opbrengst van de verkoop van de inventaris aan bedrijf 1 BV is niet bij de stichting terecht gekomen, waardoor de schuldeisers in het faillissement van de stichting zijn benadeeld.

- 1 ᵉ gedachtestreepje: de overdracht van goodwill van de Stichting aan bedrijf 3 CV en/of bedrijf 1 en/of bedrijf 2 CV

Op 8 juni 2007 heeft de Stichting ingestemd met de verkoop van de bedrijfsactiviteiten van bedrijf 3 CV aan bedrijf 1 BV. Op 15 juni 2007 heeft verdachte, namens bedrijf 3 CV, de bedrijfsactiviteiten aan bedrijf 1 BV verkocht en daarbij een goodwill van €205.500 bedongen. Deze bate inzake de verkochte goodwill, die in de afrekening tussen vennoten van bedrijf 3 CV diende te worden opgenomen, is niet verantwoord aan de boedel van de Stichting, waardoor de schuldeisers in het faillissement van de stichting zijn benadeeld.

- 2 ᵉ gedachtestreepje: betreft het kassaldo ad €20.500 dat ten tijde van de ontbinding van bedrijf 3 CV aanwezig was en dat niet aan de stichting ten goede is gekomen

Bij de ontbinding van bedrijf 3 CV op 1 juni 2007 blijkt niet van een verrekening. Op vragen van de Belastingdienst heeft betrokkene een document naar de Belastingdienst gestuurd waarin is vermeld dat op de overnamedatum een kassaldo a€20.500 in de centrale kas van bedrijf 3 CV aanwezig was. Dat bedrag zou als persoonlijke lening aan betrokkene zijn verstrekt. Van deze lening is echter geen schriftelijke overeenkomst aangetroffen en betrokkene heeft bij de FIOD nader verklaard dat aan haar géén lening is verstrekt. Deze verklaring vindt naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun in het onderzoek van de FIOD naar de bankrekening van betrokkene.

- 3 ᵉ gedachtestreepje: betreft een bedrag van €1.640 dat zonder rechtsgrond is van de rekening van de stichting is overgemaakt naar de privé rekening van betrokkene

Uit het onderzoek van de FIOD is naar voren gekomen dat betrokkene op 29 juni 2007 op haar bankrekening, naast haar loon, onder de vermelding ‘overboeking saldo’ een bedrag van €1.640 heeft ontvangen van de Stichting. Dit bedrag had moeten worden opgenomen in de vereffening tussen vennoten van bedrijf 3 CV en is ten onrechte niet verantwoord aan de boedel van de stichting.

- 4 ᵉ gedachtestreepje: betreft de contante opname van een bedrag van €22.400 vanaf de rekening van de stichting

Uit rekeningafschriften van de bankrekening van de stichting bij de Postbank, later ING bank, blijkt dat op 30 en 31 mei 2007 respectievelijk bedragen ad €12.000 en €10.400 contant zijn opgenomen. De Stichting heeft geen kasadministratie verstrekt aan de curator. Derhalve kan niet worden nagegaan wat er met deze gelden is gebeurd.

- 5 ᵉ gedachtestreepje: betreft contante opname van in totaal €19.480 vanaf een rekening van bedrijf 1 BV

Uit afschriften van de bankrekening van bedrijf 1 BV blijkt dat op 18 januari 2008 bedragen van €5.000 en €12.000 zijn opgenomen. In de weken erna is er nog een aantal kleinere bedragen opgenomen. Het totaal van de opnames bedraagt €19.480. Over de periode vanaf 1 oktober 2007 zijn geen boekhoudkundige verwerkingen van de kasadministratie aangetroffen, zodat niet kan worden nagegaan of en zo ja, op welke wijze deze opnames in de boekhouding zijn verantwoord.

- 6 ᵉ gedachtestreepje: betreft de overboeking van tweemaal een bedrag van €10.833 van een rekening van bedrijf 1 BV naar bedrijf 4

De activiteiten van bedrijf 1 BV zijn per 1 oktober 2007 ondergebracht in bedrijf 2 CV.

Uit het dossier blijkt dat op 27 november 2007 en 8 januari 2008 zijn twee bedragen van elk €10.833 zijn overgemaakt van de bankrekening van bedrijf 1 BV naar de rekening van bedrijf 4, de commandite van bedrijf 2 CV. Er zijn geen onderliggende stukken (facturen/overeenkomst) aangetroffen inzake de betreffende betalingen. betrokkene heeft over deze twee betalingen ad €10.833 verklaard dat de bedragen door verdachte verdachte zijn betaald. De boekhouding van bedrijf 1 BV is slechts bijgewerkt tot en met september 2007, zodat niet duidelijk is welke titel aan deze overboekingen ten grondslag ligt.

Feit 1 onder C

Naast voorgaande gedachtestreepjes bevat de tenlastelegging onder feit 1 onder C ook het verwijt dat door de stichting en door bedrijf 1 BV niet is voldaan aan de verplichting tot het voeren van een administratie (met name het opmaken en bijhouden van een kasboek) en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers van die vennootschappen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Tijdens de afwikkeling van het faillissement van de stichting heeft curator De Leur een onderzoek ingesteld in de uitgeleverde administratieve bescheiden. De curator heeft vastgesteld dat naast de bankafschriften van 2005 en 2006 ook de jaarrekeningen van 2005 en 2006 ontbraken. Daarnaast is er geen kasboek uitgeleverd. De curator heeft vastgesteld dat de wel uitgeleverde administratie onvolledig en ondoorzichtig is. Ondanks meerdere verzoeken heeft verdachte niet de juiste inlichtingen gegeven.

Tijdens de afwikkeling van het faillissement van bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV heeft curator De Vries tweemaal aan betrokkene verzocht om de complete administratie, incl. bankafschriften van de door de ondernemingen aangehouden bankrekeningen en een overzicht van de crediteurenvordering met de adresgegevens van de crediteuren. Curator De Vries heeft in zijn aangifte verklaard dat mevr. betrokkene tegen hem heeft gezegd dat de administratie van bedrijf 1 BV niet op orde was en dat wat er aan administratie voorhanden was in vier verhuisdozen zat die bij haar konden worden afgehaald. De curator heeft vastgesteld dat deze administratie niet volledig was. Er is geen kasboek uitgeleverd. Mevr. betrokkene heeft verder geen antwoord gegeven op de vragen omtrent de administratie. Van verdachte heeft de curator niets vernomen.

Uit het dossier blijkt voorts dat op 3 september 2009 tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte en betrokkene aan de adres te plaats in een schuur behorende bij die woning meerdere ordners met diverse administratieve bescheiden, waaronder kasstukken die betrekking hebben op bankopnames en contante betalingen aan schuldeisers van bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV. Deze bescheiden maken deel uit van de administratie en zijn, nu deze bij de doorzoeking werden aangetroffen in dit perceel, niet uitgeleverd aan de curator.

Feit 2

Feit 2 onder A

Dit onderdeel van de tenlastelegging betreft het verwijt dat contante inkomsten van de locaties van locatie 1 en locatie 2 ad €90.330,95 niet verantwoord zijn in de boedel van bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 1 juni 2007 tot 30 september 2007 drie kasadministraties zijn bijgehouden, te weten de centrale kas, de kas locatie 1 en de kas locatie 2. In deze periode is een kasboek per exploitatie per dag bijgehouden en de overtollige gelden zijn telkens afgestort in de centrale kas. Vanuit die centrale kas werden inkoop- en kostenfacturen betaald en één of enkele keren per week werden overtollige gelden gestort op de bankrekening van bedrijf 1 BV. De gegevens die vermeld staan in de kasadministratie van bowlingbaan locatie 1 en cocktailbar locatie 2 sluiten aan met de gegevens die staan vermeld in de kasadministratie van de centrale kas van bedrijf 1 BV. Met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 2007 zijn echter geen boekhoudkundige verwerkingen van de centrale kasadministratie aangetroffen.

De FIOD heeft een overzicht gemaakt van de administratieve kasbescheiden die tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 3 september 2009 in beslag zijn genomen. In dit overzicht, dat ziet op de periode 1 oktober 2007 tot 27 februari 2008 komt naar voren dat het kassaldo van de centrale kas vanaf oktober 2007 stelselmatig oploopt tot een bedrag van €90.330,95 op 17 januari 2008, terwijl de afstortingen op de bankrekening van bedrijf 1 BV in die periode sterk afnemen (zowel in aantal als in omvang). Dit terwijl met name december één van de drukste maanden van het jaar is.

Het verweer van verdachte dat de €90.330,95 in november en december 2007 gebruikt is om leveranciers contant te betalen en dat dit pas later in de administratie is verwerkt verwerpt de rechtbank, nu dit niet zijn bevestiging vindt in de aangetroffen administratie.

Feit 2 onder B

Dit onderdeel betreft het verwijt dat bedrijf 2 CV niet heeft voldaan aan de verplichting tot het voeren van een administratie (met name het opmaken en bijhouden van een kasboek) en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers van die vennootschappen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de hiervoor onder ‘feit 1 onder C’ weergegeven overwegingen.

Feit 3

Feit 3 van de tenlastelegging ziet op het verwijt dat verdachte als feitelijk bestuurder van de stichting, bedrijf 1 BV en bedrijf 2 CV vragen van de curatoren in de faillissementen van deze rechtspersonen niet (volledig) en/of onjuist heeft beantwoord.

Het bewijs dat verdachte vragen van de curatoren niet (volledig) en/of onjuist zou hebben beantwoord bestaat telkens enkel uit de aangifte van de respectievelijke curatoren. Daarmee wordt niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum van art. 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.

Feit 4

Feit 4 van de tenlastelegging ziet op een aantal onder A tot en met E genoemde stukken, die valselijk opgemaakt zijn.

Niet ter discussie staat dat verdachte alle genoemde stukken heeft ondertekend c.q. heeft gedateerd. Wel wordt voor een aantal stukken bestreden dat die valselijk zijn opgemaakt c.q. dat verdachte het oogmerk van misleiding heeft gehad. De rechtbank overweegt met betrekking tot de verschillende onderdelen van feit 4 het volgende.

- A: de oprichtingsakte van bedrijf 3 CV

De datum van ondertekening van deze akte is 3 januari 2005. In de akte wordt echter een nummer van de KvK genoemd dat niet eerder dan 4 oktober 2005, de datum van inschrijving in het handelsregister van de KvK, bekend is geworden. Verdachte heeft de geantedateerde akte – na een verzoek daartoe – kort na 13 februari 2006 naar de Belastingdienst gestuurd. Verdachte stelt geen oogmerk tot misleiding te hebben gehad. De rechtbank leidt echter uit het dossier af dat verdachte tot begin oktober 2005 zelf niet handelde alsof de CV reeds bestond. Er is begin 2005 geen fiscaal nummer aangevraagd voor de CV en de CV heeft zich begin 2005 ook niet als startende ondernemer bij de Belastingdienst gemeld. Uit genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte zelf de oprichtingsakte doelbewust geantedateerd heeft om deze vervolgens als echt en onvervalst naar de Belastingdienst te sturen.

- B: de oprichtingsakte van bedrijf 2 CV

De datum van ondertekening van deze akte is 25 september 2007. In de akte wordt echter een nummer van de KvK genoemd dat op 28 september 2007, de datum van inschrijving in het handelsregister van de KvK, bekend is geworden. Verdachte heeft de geantedateerde akte op 2 oktober 2007 ter registratie naar de Belastingdienst gestuurd.

Anders dan in het geval van de oprichtingsakte van bedrijf 3 CV is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte ten aanzien van deze antedatering het oogmerk tot misleiding heeft gehad. Verdachte wordt van dit onderdeel vrijgesproken.

- C: vier facturen van bedrijf 5 aan bedrijf 1 BV en

- D: vier creditfacturen van bedrijf 5 aan bedrijf 1 BV

De vier onder C genoemde facturen zijn achtereenvolgens gedateerd op 1 juli 2007, 31 juli 2007, 31 augustus 2007 en 30 september 2007. Op de factuur d.d. 1 juli 2007 is een BTW nummer vermeld staat dat pas op 19 juli 2007 is afgegeven en de andere drie facturen zijn gedateerd zijn na het faillissement van bedrijf 5 op 9 juli 2007.

De vier facturen zijn opgenomen in de administratie van bedrijf 1 BV en hebben betrekking op uitvoeringswerkzaamheden, administratieve ondersteuning en managementopleiding in de maanden juni, juli, augustus en september 2007. De facturen zijn per kas voldaan.

De onder D genoemde creditfacturen zijn alle gedateerd na het faillissement van bedrijf 5 op 9 juli 2007. Deze creditfacturen zijn opgenomen in de administratie van bedrijf 1 BV. Op de facturen staat vermeld dat het totaal van de betreffende factuur verrekend zou zijn met de debet factuur van de desbetreffende maand.

Verdachte heeft verklaard dat hij vergeten is om bij de eerste onder C genoemde factuur de juiste datum in te vullen. De andere drie facturen zijn volgens verdachte wel juist. Hij heeft gesteld dat hij niet wist dat bedrijf 5 failliet was verklaard. Verdachte zou daar pas achter in oktober 2007 achter gekomen zijn. Hij is toen naar Tongeren in België gereden en heeft daar gepraat met de curator, de heer Gerards. Vervolgens zou hij de onder D genoemde creditfacturen hebben opgemaakt, om de situatie weer terug te draaien.

De rechtbank stelt deze verklaring om de volgende redenen als ongeloofwaardig terzijde.

In de eerste plaats stond verdachte van 16 november 2006 tot de datum van faillissement op 9 juli 2007 geregistreerd als zaakvoerder/aandeelhouder van bedrijf 5 en het ligt voor de hand dat verdachte in verband met de faillissementsaanvraag en de faillietverklaring is opgeroepen. Daarnaast zijn de debetfacturen per kas aan verdachte uitbetaald, terwijl op de creditfacturen staat dat deze met de debetfacturen over de betreffende maanden zijn verrekend. Uit het dossier blijkt echter niet dat de contant door verdachte ontvangen bedragen weer zijn terugbetaald aan bedrijf 1 BV.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de onder C en D genoemde facturen valselijk heeft opgemaakt.

- E: vier overeenkomsten tussen bedrijf 3 CV en bedrijf 1 BV

Deze vier overeenkomsten tussen bedrijf 3 CV en bedrijf 1 BV betreffen de levering van inventaris en goodwill door de CV aan de BV. De facturen zijn valselijk opgemaakt omdat ze zijn gedateerd na 1 juni 2007, zijnde de datum van ontbinding van bedrijf 3 CV. Deze overeenkomsten zijn door verdachte en/of betrokkene aan de Belastingdienst verstrekt.

Verdachte heeft verklaard dat hij na de opheffingsdatum van bedrijf 3 CV nog inventaris tegen kwam op andere locaties. Hij heeft toen de data ingevuld waarop deze inventaris daadwerkelijk aan bedrijf 1 BV is overgedragen.

De rechtbank is met betrekking tot deze overeenkomsten van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte in dit verband het oogmerk van misleiding heeft gehad. De rechtbank zal verdachte derhalve van dit onderdeel vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Bewezenverklaring

Feit 1 en feit 2: bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 4: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan faillissementsfraude bij horecabedrijven. Daarbij heeft hij meerdere documenten valselijk opgemaakt. Hij heeft schuldeisers van gefailleerde bedrijven door middel van sterfhuisconstructies ernstig benadeeld. Door het manipuleren van verschillende nauw aan elkaar verwante rechtspersonen heeft hij kans gezien om met overheveling van vermogen van de ene naar de andere rechtspersoon en van activiteiten naar weer een andere rechtspersoon, telkens de aansprakelijkheid precies daar te leggen waar de schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, geen verhaal vonden. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

De rechtbank gaat bij de strafbepaling uit dat het financieel nadeel ongeveer € 400.000 bedraagt.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens faillissementsfraude & feitelijk leiding geven aan het oplichten van meerdere bedrijven

Rechtbank Midden-Nederland 22 september 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:4363

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Verdachte heeft daarnaast feitelijk leiding gegeven aan het oplichten van meerdere bedrijven. Tot slot heeft de verdachte gebruik gemaakt van valse documenten teneinde op grond van onjuiste gegevens een kredietfaciliteit bij een bank te verkrijgen. Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, aan de verdachte opleggen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^