Department of Justice lanceert pilot ter bevordering van zelfmelden - trend vervolgen natuurlijke personen zet door

Vorige week is door de Department of Justice (DoJ) een persconferentie gehouden, waarbij een éénjarig ‘pilot program’ is gelanceerd dat zelfmelden in FCPA-zaken door bedrijven moet bevorderen.  Tijdens de persconferentie is tevens de 'FCPA Enforcement Plan and Guidance' op de website van de DoJ gepubliceerd. De Guidance, die in eerste instantie bedoeld is voor handhavers van de FCPA, legt de pilot in meer detail uit, beschrijft  hoe de middelen van de DoJ voor de handhaving van de FCPA zijn toegenomen en hoe samenwerking met buitenlandse autoriteiten is en nog steeds wordt versterkt.

Bedrijven die volledig in lijn met de vereisten van de pilot handelen, komen in aanmerking voor een vermindering van 50% op de boete die hen normaal gesproken wordt opgelegd op basis van de U.S. Sentencing Guidelines. Daarnaast wordt mogelijk het opleggen van een compliance-monitor vermeden.

In de Guidance wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen misstanden die door bedrijven zelf worden gemeld en misstanden die op andere wijze aan het licht komen. In dat laatste geval kan een bedrijf, bij volledige medewerking, slechts in aanmerking komen voor een korting van maximaal 25% op de op te leggen boete.

Het team van de DoJ wordt versterkt met tien nieuwe aanklagers voor FCPA-zaken, een verdubbeling van de capaciteit. Daarnaast heeft de FBI drie nieuwe teams met special agents die zich zullen richten op FCPA-onderzoeken. Ook wordt meer gecoördineerd met buitenlandse autoriteiten: aanwijzingen, documenten en getuigen worden gedeeld. Deze toegenomen samenwerking zou al zijn vruchten hebben afgeworpen bij zaken als VimpelCom, en vele anderen.

De pilot en bijbehorende Guidance zetten de lijn, die voor het eerst is uitgezet met het Yates Memo, door. Nieuwe standaarden voor de vervolging van natuurlijke personen in FCPA-zaken worden in de Guidance uiteengezet. De Guidance geeft in de inleiding nadrukkelijk aan dat de pilot is bedoeld om bedrijven aan te moedigen om vrijwillig misstanden te melden om de vervolging van natuurlijke personen mogelijk te maken - wiens gedragingen anders wellicht nooit zou zijn ontdekt of in ieder geval niet aan de autoriteiten zou zijn gemeld.

Documenten

 

Lees ook:

 

Print Friendly and PDF ^

Arubaanse strafzaak: Medeplegen verduistering in dienstbetrekking door ambtenaar met gelden bestemd voor uitiliteitsbedrijven en valsheid in geschrifte.

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 24 maart 2016, ECLI:NL:OGEAA:2016:210 Verdachte, werkzaam als ambtenaar bij het Hulpbestuurskantoor in district in de functie van inningsconstroleur, heeft zich gedurende een periode van enkele maanden schuldig gemaakt aan ambtelijke verduistering ten aanzien van betalingen die door burgers werden gemaakt aan utiliteitsbedrijven. Verdachte heeft door haar frauduleus handelen ten onrechte ten minste Afl. 120.006,- verduisterd.

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte en haar medeverdachte er op verschillende momenten gedurende de ten laste gelegde pleegperiode er onder anderen door personeel van WEB, Elmar en Setar op zijn gewezen dat er in toenemende mate een discrepantie ontstond tussen de op het HBK district van klanten van deze bedrijven geïnde bedragen en de door HBK afgestorte bedragen. Naar het oordeel van het gerecht kan het niet anders dan dat verdachte en medeverdachte er beiden weet hadden dat het tekort aan afstortingen steeds groter werd en er tezamen, door de slepen en te schuiven met op andere dagen geïnde bedragen, hebben getracht dat tekort te verhullen. De verdachte heeft bovendien verklaard zulks in opdracht van medeverdachte te hebben gedaan. Een verklaring voor het ontstaan van het uiteindelijke bedrag van circa Afl. 120.000,= heeft de verdachte noch de medeverdachte gegeven, behalve dat zij elkaar als de daarvoor, buiten hun medeweten, verantwoordelijke persoon aanwijzen. In het licht van het vorenstaande – het gezamenlijke verhullen van het steeds groter wordende tekort – is ook die verklaring ongeloofwaardig. Daarbij is in aanmerking genomen dat het strafdossier geen enkele concrete aanwijzing biedt dat anderen dan verdachte en de medeverdachte voor de verdwijning van het geld verantwoordelijk zijn. Zij hebben in dit opzicht ook zelf geen andere verklaring voor de verdwijning van het geld gegeven.

Het vorenstaande leidt tot geen andere conclusie dan dat de verdachte en de medeverdachte zich in nauwe samenwerking schuldig hebben gemaakt aan de onttrekking van een geldbedrag van circa Afl. 120.000,= aan zijn bestemming dat zij als ambtenaar onder zich hadden.

Het gerecht acht voorts bewezen dat de verdachte in nauwe samenwerking met de medeverdachte, ten einde hun hiervoor omschreven handelen te verhullen, een aantal depositformulieren van een onjuiste datum hebben voorzien om te doen voorkomen alsof zij betrekking hadden op op andere data gestorte bedragen. Aan de verklaring van de verdachte dat dit allemaal vergissingen waren, hecht het gerecht, gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, geen geloof.

Bewezenverklaring

  • Medeplegen van als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 375 van het Wetboek van Strafrecht (oud).
  • Medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 230, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud).

Strafoplegging

Het Gerecht veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 240 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Beslissing tot horen Plasterk als getuige in strafzaak Van Rey

Rechtbank Rotterdam 11 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2691

Mr. Stevens, de raadsvrouw van de verdachte Van Rey, heeft gevraagd om de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de heer Plasterk als getuige te horen. Zij heeft dit verzoek onderbouwd door te verwijzen naar de tweet van de minister van 5 april 2016 in reactie op een eerdere tweet van diezelfde datum. Mr. Stevens stelt daarbij dat uit de tweet van de minister blijkt dat hij wetenschap heeft van een andere gang van zaken bij burgemeestersbenoemingen dan de verdachte Van Rey ter zitting heeft verklaard.

Dit verzoek zal, nu het nieuwe informatie betreft, worden getoetst aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang.

Het openbaar ministerie stelt in reactie op het verzoek van mr. Stevens dat de tweet van de minister geen bewijsmiddel in het dossier is en die uitlating bovendien buiten het proces is gedaan. Dit maakt, in de ogen van het openbaar ministerie, dat om die reden het verzoek moet worden afgewezen.

Toegegeven kan worden dat zeker niet alles wat buiten een strafproces plaatsvindt relevantie heeft voor een strafzaak. Sterker nog, eigenlijk vrijwel nooit. Dit ligt in deze zaak en onder de gegeven omstandigheden anders.

Zoals al door ons is gezegd reageert de minister met zijn tweet op de kern van een belangrijk verweer van de verdachte Van Rey in de zaak van de burgemeestersbenoeming, namelijk dat er binnen de partijlijn vrijelijk wordt geklankbord. In de tweet zegt de minister, in duidelijke reactie op dit verweer: ‘Iedereen doet aan klankborden’ is niet waar. Uit de tekst van de tweet blijkt verder dat de minister zijn ervaring bij de voordrachten van burgemeesters en CdKs als reden van wetenschap naar voren brengt. Deze wetenschap ligt ook voor de hand, nu hij, als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het voorstel tot de voordracht van burgemeesters aan de ministerraad doet.

De verdachte Van Rey heeft een duidelijk belang bij het horen van de minister. Hoe de rechtbank het ook wendt of keert, daar kan zij niet omheen. Immers, zoals uit het voorgaande blijkt, is het een minister die directe wetenschap kan hebben over hetgeen hij heeft getwitterd en de tweet die hij heeft gestuurd kan zeer wel mogelijk betrekking hebben op de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Die behelzen namelijk meer dan de bewijsvraag alleen.

Het verzoek van mr. Stevens tot het horen van minister Plasterk zal worden toegewezen, zij het voorwaardelijk. Mocht de rechtbank zich op het punt van de burgemeestersbenoeming niet bevoegd achten, dan komt zij niet toe aan het horen van deze getuige.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Havenmedewerker wordt veroordeeld voor het beschikbaar stellen van een pas, zodat anderen zich toegang konden verschaffen tot een Rotterdams haventerrein om cocaïne uit containers te halen

Rechtbank Rotterdam 31 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2415 De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne in Nederland door een groep personen die zich bezig hield met het uithalen van cocaïne uit containers die via de Rotterdamse haven ons land waren binnengekomen en op het haventerreinen stonden om verder te worden vervoerd. De verdachte was werkzaam in de haven en had daardoor toegang tot het ECT terrein. Hij heeft zijn toegangspas tegen betaling meerdere keren uitgeleend aan iemand, waarvan hij wist dat die hem beschikbaar zou stellen aan een organisatie die containers leeghaalde op haventerrein waar hij werkte. Tevens heeft hij voor hem toegangspassen van andere medewerkers geregeld en informatie verstrekt over de plaats waar bepaalde containers stonden.

Uit het dossier is gebleken dat het gebruik van toegangspassen van havenmedewerkers om daarmee op het terrein te komen, een belangrijke schakel was in het systeem dat door deze organisatie was uitgedacht. Door aan hen zijn pas ter beschikking te stellen heeft de verdachte zich begeven op het terrein van de grootschalige internationale handel in verdovende middelen.

Feiten

In de nacht van 20 op 21 maart 2013 krijgen medewerkers van de douane de melding dat drie mannen over het hek bij de ECT Home Terminal zijn geklommen om het terrein te verlaten. Uit onderzoek blijkt dat de verdachte medeverdachte 3 degene is geweest die de mannen op het terrein heeft afgezet. Als medeverdachte 3 op 22 maart 2013 opnieuw onder verdachte omstandigheden op de ECT Terminal wordt waargenomen, vervolgens blijkt dat zijn toegangspasjes al sinds 12 maart 2013 zijn geblokkeerd en hem toen was meegedeeld dat hij niet meer welkom is op het ECT-terrein, wordt hij onder de tap gezet en wordt een onderzoek gestart onder de naam “Hozen”.

Dan blijkt dat medeverdachte 3 veelvuldig contact heeft met de verdachte medeverdachte 4 en op basis van de inhoud van hun gesprekken rijst bij de politie het vermoeden dat beiden zijn betrokken bij het uithalen van verdovende middelen uit containers op het haventerrein. Als vervolgens ook medeverdachte 4 onder de tap wordt gezet, blijkt dat die op zijn beurt veelvuldig contact onderhoudt met Hamdi medeverdachte 2.

Tegelijk met het onderzoek “Hozen”, loopt sinds 19 juli 2012 onder de naam “Duck” nog een ander onderzoek naar de in- en doorvoer van verdovende middelen in de Rotterdamse haven, waarin ook de naam van Hamdi medeverdachte 2 naar voren komt.

In dit onderzoek is onder meer vertrouwelijke communicatie opgenomen in café De Ketel te Rotterdam. In een daar op 11 april 2013 gevoerd gesprek, vertelt medeverdachte 2 dat hij een hoop kosten heeft gemaakt, dat hij aan een chauffeur tienduizend heeft gegeven en voor een auto geld heeft uitgegeven. Hij vertelt verder dat hij het pasje al sinds gisterenavond heeft gepakt.

Op de vraag wat voor pasje dat is, antwoordt medeverdachte 2 dat het een pasje is om binnen te komen. Normaal regelde hij het voor vijfduizend, maar nu betaalde hij vijftienduizend.

medeverdachte 2 zegt in dit gesprek verder dat hij een goed systeem heeft gevonden en het daarmee gaat proberen. Hij legt uit wat het systeem inhoudt: Ze gaan naar binnen, halen het werk uit en leggen het op de grond neer. Ondertussen staat de vrachtwagenchauffeur klaar, die heeft een papiertje in handen en moet daar een container ophalen. Het containernummer is ook bekend, hij lokaliseert het containernummer, doet het open, laadt het werk erin en doet het zegel erop. De vrachtwagen pakt het op en checkt het uit. De chauffeur is van hem, is op de hoogte en iedereen weet ervan. Je kunt een persoon bij de chauffeur neerzetten.

Het gesprek vervolgt over een schip dat is binnengekomen, maar nog niet kon worden gelost.

Medeverdachte 2 zegt daarop dat het aan die kant heel druk is, dat daar een kleine jongen is, douane laat ze stoppen, de chauffeur moet uit de wagen, hij vraagt om in de cabine te mogen kijken en via een zijweg gaat die kleine weg. Die heeft zegel en alles voor zich. De zegels en de achterkant controleren zij niet. Zij controleren alleen de cabine en daar zit een vriend van hem die zegt dat hij meerijdt.

Vervolgens zegt medeverdachte 2 tegen een andere gespreksdeelnemer dat hij – als diegene dat gisterenavond vroeg had gezegd – wat had kunnen regelen. Normaal zou nu een auto gereed staan. Het beste is een gestolen auto. Je haalt het kenteken eraf, doet er een ander op en klaar is kees. Dus als de politie achter je rijdt, zien ze pas als ze om de papieren vragen, dat het een gestolen auto is.

Op de vraag of medeverdachte 2 ook betaalt als de klus niet doorgaat, antwoordt hij bevestigend. Verder vertelt hij dat hij om zijn zaak zeker te stellen twee pasjes heeft geregeld en als extra nog een vrachtwagen erbij.

Na zijn aanhouding heeft medeverdachte 4 tegenover de politie een verklaring afgelegd, waarin hij bevestigt dat de gesprekken, die hij met medeverdachte 3 en medeverdachte 2 heeft gevoerd, betrekking hadden op de invoer van cocaïne. medeverdachte 2 had hem in café Riva benaderd en tegen hem gezegd dat hij 20.000 tot 30.000 kon verdienen als hij een chauffeur zou regelen. Die chauffeur moest kijken of hij een transport had van containers, zodat hij mensen mee het haventerrein op kon nemen. medeverdachte 4 was daarvoor bij medeverdachte 3 uitgekomen. Hij noemt hem Afros.

Naast medeverdachte 2 had medeverdachte 4 contact met een Turkse jongen uit Amsterdam die Ree werd genoemd en een andere bredere jongen, waarvan hij denkt dat dat een Tunesiër was. Als hem door de politie foto’s worden getoond wijst hij Recep medeverdachte 5 aan als degene die door hem Ree wordt genoemd en Mohamed medeverdachte 1 als degene die hij de bokser of de Tunesiër noemt. Hij zegt te hebben gehoord dat diegene ook wel Algie wordt genoemd. Die drie werkten als een team samen.

Medeverdachte 4 verklaart dat hij een briefje van hen kreeg, dat hij dat aan medeverdachte 3 moest geven, die hem op zijn beurt een nummer doorgaf dat hij weer aan Ree of Algie doorgaf. Ze wilden liever een ‘droge’ container en geen ‘koude’. Dat had te maken met de plaats waar die containers stonden. Hij begreep op enig moment dat ze ook drugs in een container van medeverdachte 3 wilden zetten, zodat die daar mee naar buiten kon rijden. Zowel hij als medeverdachte 3 zouden voor hun werkzaamheden worden betaald.

Verdachte, die indertijd in de haven werkte, heeft tegenover de politie verklaard dat hij in een café door Mehmet medeverdachte 6 is benaderd met de vraag of hij bij APM werkte, want dan zou hij mooi werk voor hem hebben.

Medeverdachte 6 had hem uitgelegd dat het ging om een organisatie die zich bezig hield met het plunderen van containers met waardevolle spullen. Ze zouden dan de pas van verdachte gebruiken om het terrein op te gaan, ergens mensen neerzetten, de container leeghalen en dan weer vertrekken. medeverdachte 6 zou hem bellen zodra hij de pas nodig had. verdachte kreeg vooraf € 500 en zou naderhand goed worden betaald. Hij heeft zijn pas meermalen uitgeleend en als hij het in een telefoongesprek over bioskoopkaartjes heeft, bedoelt hij pasjes. medeverdachte 6 heeft hem ook gevraagd om voor pasjes van collega’s te zorgen.

Uit het vorenstaande in samenhang met de inhoud van de tapgesprekken leidt de rechtbank af dat medeverdachte 2 leiding gaf aan een team dat zich bezig hield met het uithalen van cocaïne uit containers die via de haven op terreinen in Rotterdam terecht kwamen. Om met een auto het terrein te kunnen betreden werd o.a. gebruik gemaakt van pasjes van havenmedewerkers. De uithalers werden tussen de containers waar de cocaïne in verstopt zat afgezet, probeerden de cocaïne te pakken en die van het terrein mee te nemen. Een tweede methode die onderzocht werd is het laten overplaatsen door de uithalers van de cocaïne in een andere container, die vervolgens door een “eigen” chauffeur in een regulier transport van het haventerrein kon worden gereden.

Vrijspraak feit 1

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 3

Standpunt officier van justitie

Uit het dossier is gebleken dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de verlengde invoer van 302 kilo cocaïne op 30 juni 2013.

Beoordeling

Zoals hierna wordt overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat de rol van de verdachte hoofdzakelijk is geweest het beschikbaar stellen van zijn toegangspas en het proberen te regelen van andere toegangspassen. Dit en de beperkte omvang van de informatie die hij aan slechts één persoon heeft gegeven, is onvoldoende om te komen tot de bewezenverklaring van een nauwe en bewuste samenwerking met de groep rond medeverdachte 2 bij van de (verlengde) invoer van de cocaïne.

Conclusie

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat voor een bewezenverklaring is vereist dat men het opzet heeft om het invoeren, vervoeren, afleveren etc. van harddrugs voor te bereiden of te bevorderen.

In de beleving van de verdachte ging het echter om het stelen van elektronica. Van opzet op voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet is dan ook geen sprake.

Beoordeling rechtbank

Vast staat dat de verdachte zijn pas ter beschikking heeft gesteld zodat anderen daar vrijelijk gebruik van konden maken en zich daarmee toegang konden verschaffen tot het ECT terrein. Uit het dossier blijkt dat die pas is gebruikt ten behoeve van de voorbereiding van de (verlengde) invoer van cocaïne door de groep rond medeverdachte 2.

De verdachte onderhield contact met medeverdachte 6, die hem verteld had dat hij deel uitmaakte van een organisatie die containers plunderde. De verdachte stelde hem zijn eigen pas ter beschikking, besprak met hem dat hij daarnaast nog een paar andere passen had kunnen regelen, waar lege containers stonden en waarschuwde hem dat er op 26 juni 2013 veel politie reed.

Door zijn pas tegen betaling beschikbaar te stellen aan mensen die daarmee onbevoegd het haventerrein konden betreden heeft de verdachte, wat er ook zij van zijn verweer dat hij dacht dat het om het stelen van elektronica ging, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn pas gebruikt zou worden bij het verder vervoeren van cocaïne en daarmee heeft hij daar in ieder geval het voorwaardelijk opzet op gehad. Daarbij geldt dat havenmedewerkers van de Rotterdamse haven bij uitstek op de hoogte zijn van het feit dat er regelmatig partijen cocaïne de Rotterdamse haven in worden gesmokkeld en dat ten behoeve daarvan veel vraag is naar passen van medewerkers om zich toegang tot het haventerrein te verschaffen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen.

Bewezenverklaring

Feiten 2 en 4: tezamen en in vereniging met anderen een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 22 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

DNB doet onderzoek naar witwaspraktijken in de voetbalsport

DNB is begin dit jaar een onderzoek gestart bij banken en trustkantoren naar het risico op witwassen in het betaalde voetbal. DNB onderzoekt welke vormen van witwassen voorkomen in het betaalde voetbal en of deze risico’s worden onderkend door in het bijzonder banken en trustkantoren.

Diverse soorten witwastechnieken

DNB heeft gesproken met onder meer overheidsinstanties, brancheverenigingen en sportbonden om een beeld te krijgen van de verschillende witwastechnieken die samenhangen met betaald voetbal. Hieruit komt naar voren dat er risico’s zijn op geldstromen verbonden aan corruptie, (bijvoorbeeld via betalingen van royalty’s), witwasrisico’s bij transacties die samenhangen met transfer- en uitzendrechten, en risico’s bij het eigendom van voetbalclubs. Andere gesignaleerde vormen van witwassen zijn belastingontduiking en matchfixing.

Vragenlijst en terugkoppeling

Een brede selectie van banken krijgt binnenkort een vragenlijst van DNB over dit onderwerp. Aan het einde van tweede kwartaal zullen de uitkomsten van het onderzoek met de sector worden gedeeld.

Bron: DNB

 

Print Friendly and PDF ^