Beslissing tot horen Plasterk als getuige in strafzaak Van Rey

Rechtbank Rotterdam 11 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2691

Mr. Stevens, de raadsvrouw van de verdachte Van Rey, heeft gevraagd om de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de heer Plasterk als getuige te horen. Zij heeft dit verzoek onderbouwd door te verwijzen naar de tweet van de minister van 5 april 2016 in reactie op een eerdere tweet van diezelfde datum. Mr. Stevens stelt daarbij dat uit de tweet van de minister blijkt dat hij wetenschap heeft van een andere gang van zaken bij burgemeestersbenoemingen dan de verdachte Van Rey ter zitting heeft verklaard.

Dit verzoek zal, nu het nieuwe informatie betreft, worden getoetst aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang.

Het openbaar ministerie stelt in reactie op het verzoek van mr. Stevens dat de tweet van de minister geen bewijsmiddel in het dossier is en die uitlating bovendien buiten het proces is gedaan. Dit maakt, in de ogen van het openbaar ministerie, dat om die reden het verzoek moet worden afgewezen.

Toegegeven kan worden dat zeker niet alles wat buiten een strafproces plaatsvindt relevantie heeft voor een strafzaak. Sterker nog, eigenlijk vrijwel nooit. Dit ligt in deze zaak en onder de gegeven omstandigheden anders.

Zoals al door ons is gezegd reageert de minister met zijn tweet op de kern van een belangrijk verweer van de verdachte Van Rey in de zaak van de burgemeestersbenoeming, namelijk dat er binnen de partijlijn vrijelijk wordt geklankbord. In de tweet zegt de minister, in duidelijke reactie op dit verweer: ‘Iedereen doet aan klankborden’ is niet waar. Uit de tekst van de tweet blijkt verder dat de minister zijn ervaring bij de voordrachten van burgemeesters en CdKs als reden van wetenschap naar voren brengt. Deze wetenschap ligt ook voor de hand, nu hij, als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het voorstel tot de voordracht van burgemeesters aan de ministerraad doet.

De verdachte Van Rey heeft een duidelijk belang bij het horen van de minister. Hoe de rechtbank het ook wendt of keert, daar kan zij niet omheen. Immers, zoals uit het voorgaande blijkt, is het een minister die directe wetenschap kan hebben over hetgeen hij heeft getwitterd en de tweet die hij heeft gestuurd kan zeer wel mogelijk betrekking hebben op de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Die behelzen namelijk meer dan de bewijsvraag alleen.

Het verzoek van mr. Stevens tot het horen van minister Plasterk zal worden toegewezen, zij het voorwaardelijk. Mocht de rechtbank zich op het punt van de burgemeestersbenoeming niet bevoegd achten, dan komt zij niet toe aan het horen van deze getuige.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Havenmedewerker wordt veroordeeld voor het beschikbaar stellen van een pas, zodat anderen zich toegang konden verschaffen tot een Rotterdams haventerrein om cocaïne uit containers te halen

Rechtbank Rotterdam 31 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2415 De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne in Nederland door een groep personen die zich bezig hield met het uithalen van cocaïne uit containers die via de Rotterdamse haven ons land waren binnengekomen en op het haventerreinen stonden om verder te worden vervoerd. De verdachte was werkzaam in de haven en had daardoor toegang tot het ECT terrein. Hij heeft zijn toegangspas tegen betaling meerdere keren uitgeleend aan iemand, waarvan hij wist dat die hem beschikbaar zou stellen aan een organisatie die containers leeghaalde op haventerrein waar hij werkte. Tevens heeft hij voor hem toegangspassen van andere medewerkers geregeld en informatie verstrekt over de plaats waar bepaalde containers stonden.

Uit het dossier is gebleken dat het gebruik van toegangspassen van havenmedewerkers om daarmee op het terrein te komen, een belangrijke schakel was in het systeem dat door deze organisatie was uitgedacht. Door aan hen zijn pas ter beschikking te stellen heeft de verdachte zich begeven op het terrein van de grootschalige internationale handel in verdovende middelen.

Feiten

In de nacht van 20 op 21 maart 2013 krijgen medewerkers van de douane de melding dat drie mannen over het hek bij de ECT Home Terminal zijn geklommen om het terrein te verlaten. Uit onderzoek blijkt dat de verdachte medeverdachte 3 degene is geweest die de mannen op het terrein heeft afgezet. Als medeverdachte 3 op 22 maart 2013 opnieuw onder verdachte omstandigheden op de ECT Terminal wordt waargenomen, vervolgens blijkt dat zijn toegangspasjes al sinds 12 maart 2013 zijn geblokkeerd en hem toen was meegedeeld dat hij niet meer welkom is op het ECT-terrein, wordt hij onder de tap gezet en wordt een onderzoek gestart onder de naam “Hozen”.

Dan blijkt dat medeverdachte 3 veelvuldig contact heeft met de verdachte medeverdachte 4 en op basis van de inhoud van hun gesprekken rijst bij de politie het vermoeden dat beiden zijn betrokken bij het uithalen van verdovende middelen uit containers op het haventerrein. Als vervolgens ook medeverdachte 4 onder de tap wordt gezet, blijkt dat die op zijn beurt veelvuldig contact onderhoudt met Hamdi medeverdachte 2.

Tegelijk met het onderzoek “Hozen”, loopt sinds 19 juli 2012 onder de naam “Duck” nog een ander onderzoek naar de in- en doorvoer van verdovende middelen in de Rotterdamse haven, waarin ook de naam van Hamdi medeverdachte 2 naar voren komt.

In dit onderzoek is onder meer vertrouwelijke communicatie opgenomen in café De Ketel te Rotterdam. In een daar op 11 april 2013 gevoerd gesprek, vertelt medeverdachte 2 dat hij een hoop kosten heeft gemaakt, dat hij aan een chauffeur tienduizend heeft gegeven en voor een auto geld heeft uitgegeven. Hij vertelt verder dat hij het pasje al sinds gisterenavond heeft gepakt.

Op de vraag wat voor pasje dat is, antwoordt medeverdachte 2 dat het een pasje is om binnen te komen. Normaal regelde hij het voor vijfduizend, maar nu betaalde hij vijftienduizend.

medeverdachte 2 zegt in dit gesprek verder dat hij een goed systeem heeft gevonden en het daarmee gaat proberen. Hij legt uit wat het systeem inhoudt: Ze gaan naar binnen, halen het werk uit en leggen het op de grond neer. Ondertussen staat de vrachtwagenchauffeur klaar, die heeft een papiertje in handen en moet daar een container ophalen. Het containernummer is ook bekend, hij lokaliseert het containernummer, doet het open, laadt het werk erin en doet het zegel erop. De vrachtwagen pakt het op en checkt het uit. De chauffeur is van hem, is op de hoogte en iedereen weet ervan. Je kunt een persoon bij de chauffeur neerzetten.

Het gesprek vervolgt over een schip dat is binnengekomen, maar nog niet kon worden gelost.

Medeverdachte 2 zegt daarop dat het aan die kant heel druk is, dat daar een kleine jongen is, douane laat ze stoppen, de chauffeur moet uit de wagen, hij vraagt om in de cabine te mogen kijken en via een zijweg gaat die kleine weg. Die heeft zegel en alles voor zich. De zegels en de achterkant controleren zij niet. Zij controleren alleen de cabine en daar zit een vriend van hem die zegt dat hij meerijdt.

Vervolgens zegt medeverdachte 2 tegen een andere gespreksdeelnemer dat hij – als diegene dat gisterenavond vroeg had gezegd – wat had kunnen regelen. Normaal zou nu een auto gereed staan. Het beste is een gestolen auto. Je haalt het kenteken eraf, doet er een ander op en klaar is kees. Dus als de politie achter je rijdt, zien ze pas als ze om de papieren vragen, dat het een gestolen auto is.

Op de vraag of medeverdachte 2 ook betaalt als de klus niet doorgaat, antwoordt hij bevestigend. Verder vertelt hij dat hij om zijn zaak zeker te stellen twee pasjes heeft geregeld en als extra nog een vrachtwagen erbij.

Na zijn aanhouding heeft medeverdachte 4 tegenover de politie een verklaring afgelegd, waarin hij bevestigt dat de gesprekken, die hij met medeverdachte 3 en medeverdachte 2 heeft gevoerd, betrekking hadden op de invoer van cocaïne. medeverdachte 2 had hem in café Riva benaderd en tegen hem gezegd dat hij 20.000 tot 30.000 kon verdienen als hij een chauffeur zou regelen. Die chauffeur moest kijken of hij een transport had van containers, zodat hij mensen mee het haventerrein op kon nemen. medeverdachte 4 was daarvoor bij medeverdachte 3 uitgekomen. Hij noemt hem Afros.

Naast medeverdachte 2 had medeverdachte 4 contact met een Turkse jongen uit Amsterdam die Ree werd genoemd en een andere bredere jongen, waarvan hij denkt dat dat een Tunesiër was. Als hem door de politie foto’s worden getoond wijst hij Recep medeverdachte 5 aan als degene die door hem Ree wordt genoemd en Mohamed medeverdachte 1 als degene die hij de bokser of de Tunesiër noemt. Hij zegt te hebben gehoord dat diegene ook wel Algie wordt genoemd. Die drie werkten als een team samen.

Medeverdachte 4 verklaart dat hij een briefje van hen kreeg, dat hij dat aan medeverdachte 3 moest geven, die hem op zijn beurt een nummer doorgaf dat hij weer aan Ree of Algie doorgaf. Ze wilden liever een ‘droge’ container en geen ‘koude’. Dat had te maken met de plaats waar die containers stonden. Hij begreep op enig moment dat ze ook drugs in een container van medeverdachte 3 wilden zetten, zodat die daar mee naar buiten kon rijden. Zowel hij als medeverdachte 3 zouden voor hun werkzaamheden worden betaald.

Verdachte, die indertijd in de haven werkte, heeft tegenover de politie verklaard dat hij in een café door Mehmet medeverdachte 6 is benaderd met de vraag of hij bij APM werkte, want dan zou hij mooi werk voor hem hebben.

Medeverdachte 6 had hem uitgelegd dat het ging om een organisatie die zich bezig hield met het plunderen van containers met waardevolle spullen. Ze zouden dan de pas van verdachte gebruiken om het terrein op te gaan, ergens mensen neerzetten, de container leeghalen en dan weer vertrekken. medeverdachte 6 zou hem bellen zodra hij de pas nodig had. verdachte kreeg vooraf € 500 en zou naderhand goed worden betaald. Hij heeft zijn pas meermalen uitgeleend en als hij het in een telefoongesprek over bioskoopkaartjes heeft, bedoelt hij pasjes. medeverdachte 6 heeft hem ook gevraagd om voor pasjes van collega’s te zorgen.

Uit het vorenstaande in samenhang met de inhoud van de tapgesprekken leidt de rechtbank af dat medeverdachte 2 leiding gaf aan een team dat zich bezig hield met het uithalen van cocaïne uit containers die via de haven op terreinen in Rotterdam terecht kwamen. Om met een auto het terrein te kunnen betreden werd o.a. gebruik gemaakt van pasjes van havenmedewerkers. De uithalers werden tussen de containers waar de cocaïne in verstopt zat afgezet, probeerden de cocaïne te pakken en die van het terrein mee te nemen. Een tweede methode die onderzocht werd is het laten overplaatsen door de uithalers van de cocaïne in een andere container, die vervolgens door een “eigen” chauffeur in een regulier transport van het haventerrein kon worden gereden.

Vrijspraak feit 1

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 3

Standpunt officier van justitie

Uit het dossier is gebleken dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de verlengde invoer van 302 kilo cocaïne op 30 juni 2013.

Beoordeling

Zoals hierna wordt overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat de rol van de verdachte hoofdzakelijk is geweest het beschikbaar stellen van zijn toegangspas en het proberen te regelen van andere toegangspassen. Dit en de beperkte omvang van de informatie die hij aan slechts één persoon heeft gegeven, is onvoldoende om te komen tot de bewezenverklaring van een nauwe en bewuste samenwerking met de groep rond medeverdachte 2 bij van de (verlengde) invoer van de cocaïne.

Conclusie

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat voor een bewezenverklaring is vereist dat men het opzet heeft om het invoeren, vervoeren, afleveren etc. van harddrugs voor te bereiden of te bevorderen.

In de beleving van de verdachte ging het echter om het stelen van elektronica. Van opzet op voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet is dan ook geen sprake.

Beoordeling rechtbank

Vast staat dat de verdachte zijn pas ter beschikking heeft gesteld zodat anderen daar vrijelijk gebruik van konden maken en zich daarmee toegang konden verschaffen tot het ECT terrein. Uit het dossier blijkt dat die pas is gebruikt ten behoeve van de voorbereiding van de (verlengde) invoer van cocaïne door de groep rond medeverdachte 2.

De verdachte onderhield contact met medeverdachte 6, die hem verteld had dat hij deel uitmaakte van een organisatie die containers plunderde. De verdachte stelde hem zijn eigen pas ter beschikking, besprak met hem dat hij daarnaast nog een paar andere passen had kunnen regelen, waar lege containers stonden en waarschuwde hem dat er op 26 juni 2013 veel politie reed.

Door zijn pas tegen betaling beschikbaar te stellen aan mensen die daarmee onbevoegd het haventerrein konden betreden heeft de verdachte, wat er ook zij van zijn verweer dat hij dacht dat het om het stelen van elektronica ging, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn pas gebruikt zou worden bij het verder vervoeren van cocaïne en daarmee heeft hij daar in ieder geval het voorwaardelijk opzet op gehad. Daarbij geldt dat havenmedewerkers van de Rotterdamse haven bij uitstek op de hoogte zijn van het feit dat er regelmatig partijen cocaïne de Rotterdamse haven in worden gesmokkeld en dat ten behoeve daarvan veel vraag is naar passen van medewerkers om zich toegang tot het haventerrein te verschaffen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen.

Bewezenverklaring

Feiten 2 en 4: tezamen en in vereniging met anderen een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 22 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

DNB doet onderzoek naar witwaspraktijken in de voetbalsport

DNB is begin dit jaar een onderzoek gestart bij banken en trustkantoren naar het risico op witwassen in het betaalde voetbal. DNB onderzoekt welke vormen van witwassen voorkomen in het betaalde voetbal en of deze risico’s worden onderkend door in het bijzonder banken en trustkantoren.

Diverse soorten witwastechnieken

DNB heeft gesproken met onder meer overheidsinstanties, brancheverenigingen en sportbonden om een beeld te krijgen van de verschillende witwastechnieken die samenhangen met betaald voetbal. Hieruit komt naar voren dat er risico’s zijn op geldstromen verbonden aan corruptie, (bijvoorbeeld via betalingen van royalty’s), witwasrisico’s bij transacties die samenhangen met transfer- en uitzendrechten, en risico’s bij het eigendom van voetbalclubs. Andere gesignaleerde vormen van witwassen zijn belastingontduiking en matchfixing.

Vragenlijst en terugkoppeling

Een brede selectie van banken krijgt binnenkort een vragenlijst van DNB over dit onderwerp. Aan het einde van tweede kwartaal zullen de uitkomsten van het onderzoek met de sector worden gedeeld.

Bron: DNB

 

Print Friendly and PDF ^

'Amerikaanse praktijken bij handhaving white collar crime: het vizier op de manager'

Op 9 september 2015 kondigde het Amerikaanse Ministerie van Justitie een wijziging aan van haar handhavingsbeleid op het gebied van de witteboordencriminaliteit. De boodschap van de Deputy Attorney General (DOJ) – in wat inmiddels het ‘Yates Memo’ is gaan heten – is helder. Bij handhaving zal niet langer op de rechtspersoon maar op de natuurlijke persoon worden gefocust. De vernieuwde aanpak moet enerzijds een afschrikwekkende werking hebben op managers. Anderzijds wordt met de op de man gerichte aanpak uiteindelijk beoogd het publieke vertrouwen in het rechtssysteem te vergroten. Ook in Nederland is een tendens waarneembaar om leidinggevenden nog vaker dan voorheen strafrechtelijk aansprakelijk te houden naast de rechtspersoon’. Voor het geval het Nederlandse Openbaar Ministerie zich voor nog verdergaand optreden zou willen laten inspireren door het Yates Memo, geven de auteurs van deze column kritische kanttekeningen in overweging.  Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

NGO's verzoeken OESO om standaarden voor schikkingen in corruptiezaken

Op 16 maart jl. heeft onder leiding van de OESO een ministeriële bijeenkomst plaatsgevonden in Paris die in teken stond van de versterking van de implementatie van het Anti-corruptieverdrag. Eén van de onderwerpen die tijdens deze bijeenkomst centraal stond, zijn schikkingen met bedrijven in corruptie-zaken. In dat verband is besproken hoe zelfmelden kan worden bevorderd en de rol van schikkingen hierbij. Van de 126 bedrijven die tussen 1999 en 2004 wereldwijd te maken hebben gehad met een verdenking van corruptie is 69% geschikt. De VS is hierbij koploper met het schikken van 70 van de 84 zaken die daar liepen tussen 2004 en 2012. Steeds meer landen treden in de voetsporen van de VS. Ook Nederland. Denk maar aan de schikkingen tussen het OM en Ballast Nedam, SMB, Rabank (Libor-affaire) en het meest recente voorbeeld, Vimpelcom.

Hoewel veel bedrijven de voorkeur geven aan het aangaan van een schikking boven de zaak voorleggen aan een strafrechter, is er in de media en de literatuur de nodige kritiek geuit op deze wijze van afdoening van strafzaken. Zo zou sprake zijn van klassenjustitie, is geen sprake van openbare waarheidsvinding en staat het het maken van jurisprudentie in de weg. Volgens Corstens is een schikking bij „stevige strafbare feiten” niet de juiste keuze. „Als staatsburger wil ik weten wat er aan de hand is geweest. Het is in het algemeen belang dat wij als burgers kunnen beoordelen en kunnen controleren wat justitie doet.” En dat, zegt hij, kan alleen als de zaak wordt voorgelegd aan een „onpartijdige, onafhankelijke rechter”.

In verband met de ministeriële bijeenkomst die plaatsvond in Parijs, hebben een aantal NGO’s, waaronder Corruption Watch, Global Witness, Transparency International en UNCAC Coalition, de OESO op 10 maart aangeschreven. Zij verzoeken de OESO standaarden te ontwikkelen die gebruikt kunnen worden bij het sluiten van schikkingen. Doel van deze standaarden is te bewerkstelligen dat dergelijke schikkingen een afschrikkende werking hebben dan wel houden.

In de brief worden 14 standaarden genoemd waar schikkingen aan zouden moeten voldoen, waaronder:

  1. Schikkingen moeten een tool zijn die deel uitmaakt van een bredere handhavingsstrategie, waarbij ook vervolging een belangrijke rol inneemt.
  2. Autoriteiten moeten enkel een schikking aangaan wanneer het bedrijf de misstand zelf heeft gemeld en vervolgens volledige medewerking heeft verleend.
  3. Een vorm van gerechtelijk toezicht moet worden verplicht, waar in ieder geval een toetsing van het bewijs deel van uitmaakt.
  4. De vervolging van natuurlijke personen moet tot de standaard praktijk behoren.
  5. Schikkingen zouden enkel aangegaan moeten worden indien het bedrijf in kwestie bereid is schuld te bekennen. Schikkingen, inclusief de inhoudelijke details, moeten worden behandeld tijdens een openbare hoorzitting en moeten bovendien voor het publiek toegankelijk zijn.
  6. Compensatie voor slachtoffers moet onderdeel uitmaken van de schikking.

Deze standaarden zijn gebaseerd op best practices.

Lees hier de volledige brief.

Print Friendly and PDF ^