Transparency International Impact Report 2015

When Transparency International started out more than 20 years ago, many thought nothing could be done about corruption. Back then, few imagined international anti-corruption laws, corrupt dictators brought to justice, corporations held to account, or individual citizens making the difference. Things look very different today. Our global movement – made up of thousands of dedicated and courageous people – has proved all of this possible. In our new impact report, we’re showing some of the ways we’re creating change around the world.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Oud-Wethouder gemeente Helmond aangehouden

De Rijksrecherche heeft maandagochtend een 58-jarige man  in zijn woning aangehouden. Hij wordt verdacht van valsheid in geschrifte, oplichting, verduistering en ambtelijke corruptie. De man legde in juli 2013 zijn functie als wethouder neer.

Strafbare feiten

De Rijksrecherche is het onderzoek gestart nadat er door de voormalige politieke partij van de oud-wethouder Sociaal Democraten Ondernemend Helmond aangifte van fraude is gedaan.  Onder leiding van het Openbaar Ministerie Oost-Brabant worden de vermoedelijk gepleegde strafbare feiten onderzocht.

Geld

De man zou het geld dat op de rekening van de politieke partij stond vermoedelijk gebruikt hebben om privé-uitgaven mee te doen. Daarnaast zou hij in de periode dat hij als oud-wethouder wachtgeld ontving werkzaamheden hebben verricht waar hij een vergoeding voor heeft ontvangen.

De 58-jarige man zit in voorarrest en mag vanwege de aan hem opgelegde beperkingen alleen contact hebben met zijnadvocaat.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

Voormalig directeur van woningstichting PWS veroordeeld voor omkoping, belastingfraude en valsheid in geschrifte

Rechtbank Rotterdam 14 oktober 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:7315 De voormalige directeur van de Rotterdamse woningcorporatie PWS is veroordeeld voor omkoping, valsheid in geschrifte en belastingfraude. De rechtbank legt de 61-jarige Henk S. negen maanden celstraf op.

Feit 1

Aan de verdachte wordt verweten dat rechtspersoon 1 in de periode van 4 januari 2003 tot en met 3 oktober 2005 opzettelijk twee facturen heeft opgemaakt ter zake van niet verrichte werkzaamheden, met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te gebruiken, aan welke gedraging de verdachte opdracht, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven. Volgens de facturen betreffen zij beide “Declaratie betreffende onroerend goed advies”.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is met betrekking tot dit verwijt vrijspraak bepleit. Aangevoerd is onder meer dat de op deze twee facturen vermelde werkzaamheden wel degelijk door de verdachte, vanuit zijn bv rechtspersoon 1, zijn verricht. Zij hebben betrekking op advisering en begeleiding van rechtspersoon 1. Laatstgenoemde was daarvan niet op de hoogte omdat hij van professionele begeleiding niets wilde weten. De afspraak om rechtspersoon 1 te begeleiden en de facturen daarvoor aan rechtspersoon 2 (een vennootschap van rechtspersoon 1) te richten, heeft de verdachte gemaakt met medeverdachte 2 .

Oordeel van de rechtbank

Min of meer in lijn met de verklaring van de verdachte dat rechtspersoon 1 van de coaching niet afwist, heeft laatstgenoemde verklaard dat hij nooit door de verdachte is gecoacht en dat hij niet weet waarop de twee facturen betrekking hebben.

Medeverdachte 2 bevestigt dat de verdachte met hem heeft gesproken over begeleiding van zijn zoon, terwijl ook door derden, met name door medeverdachte 3, wordt bevestigd dat sprake is geweest van advies en begeleiding van medeverdachte 1 door de verdachte. medeverdachte 2 spreekt overigens niet over een concrete afspraak die hij daarover met de verdachte zou hebben gemaakt en weet zich evenmin iets te herinneren van betalingen c.q. rekeningen die door de verdachte aan rechtspersoon 2 uitgebracht zouden zijn. Hij neemt slechts in algemene bewoordingen aan dat de verdachte voor zijn werkzaamheden betaald wil worden. De verklaring van de verdachte vindt in zoverre ten dele steun in het dossier.

Toch is de rechtbank van oordeel dat sprake is van valse facturen. Doorslaggevend voor dat oordeel is de e-mailwisseling van 18 en 19 september 2005 tussen rechtspersoon 1, medeverdachte 2, medeverdachte 3 en de verdachte. Hieruit komt naar voren dat door de betrokkenen met elkaar is overlegd op welke werkzaamheden de twee facturen betrekking zouden kunnen hebben, dit om het verhaal daarover met elkaar af te stemmen en ervoor te zorgen dat iedereen hetzelfde vertelt. Opvallend daarbij is bovendien dat rechtspersoon 1 in zijn bericht van 19 september 2005 geen enkele blijk van verbazing geeft in reactie op het bericht van de verdachte dat de facturen betrekking hebben op begeleiding van rechtspersoon 1 in managementvaardigheden terwijl hij daar, aldus de verdachte, geen weet van had.

Het verweer dat bij de verdachte het oogmerk ontbrak om de facturen als echt en onvervalst te gebruiken, wordt verworpen. Beide facturen zijn door de verdachte ingediend bij rechtspersoon 2 en zijn daarmee door hem gebruikt ter verantwoording van werkzaamheden voor rechtspersoon 2 die feitelijk niet zijn verricht. De omstandigheden dat rechtspersoon 2 mogelijk wist dat die facturen vals waren en (desondanks) tot betaling is over gegaan, en dat de btw door rechtspersoon 2 over die factuur is afgedragen aan de fiscus, doen niet af aan het oogmerk van de verdachte om die door hem opgemaakte facturen als echt en onvervalst te gebruiken.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Standpunten van de officier van justitie en de verdachte

De officier van justitie verwijt de verdachte als feit 3, kort gezegd, dat hij zich als directeur van woningstichting heeft laten omkopen in de jaren 2000 tot en met 2005. De verdachte betwist dit. De door hem ontvangen bedragen zoals bedoeld in feit 3 zijn volgens de verdachte geen giften, maar een vergoeding voor nevenwerkzaamheden. Naast zijn werk voor woningstichting ontwikkelde hij, samen met medeverdachte 2 en medeverdachte 3, vastgoedprojecten. Mocht de rechtbank de ontvangen bedragen wel als giften zien, dan stelt de verdachte dat hij als directeur van de stichting woningstichting geen werkgever of lastgever in de zin van artikel 328ter Sr had aan wie hij mededeling hoefde te doen, zodat artikel 328ter Sr op hem niet van toepassing is. Daarnaast, zo stelt hij, heeft hij met diverse leden van de raad van toezicht gesproken over zijn nevenwerkzaamheden en waren diverse leden van die raad bekend met de ontvangen betalingen, zodat van verzwijging, laat staan opzet daarop, geen sprake is.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de verdachte in de jaren 2000 tot en met 2005 de bedragen heeft ontvangen die in feit 3 van de tenlastelegging subsidiair zijn vermeld. Dit zijn de bedragen die in feit 3, sub 1 tot en met 6, steeds staan vermeld achter ‘althans’. Verder is komen vast te staan dat hij een bedrag van € 118.750,00 heeft ontvangen uit het bedrag van € 500.000,00 dat staat vermeld als feit 3 sub 7. In totaal gaat het om een bedrag van ruim 850.000 euro. Blijkens het dossier zijn vergelijkbare betalingen gedaan aan medeverdachte 2 en medeverdachte 3. Deze bedragen zijn indirect afkomstig van wederpartijen van woningstichting bij diverse vastgoedprojecten.

De eerste vraag die thans voorligt, is of de door de verdachte ontvangen betalingen giften zijn of dat het gaat om vergoedingen voor verrichte nevenwerkzaamheden. Daarbij is allereerst van belang dat de verdachte destijds werkzaam was als directeur van woningstichting. Hij is, zo heeft hij verklaard, aangenomen om woningstichting weer ‘op de kaart van de volkshuisvesting’ te zetten en van een verouderde beheerorganisatie een moderne corporatie te maken die tot de top van de Nederlandse volkshuisvesters behoorde. Uit de schriftelijke verklaring van de verdachte d.d. 1 februari 2011 (pagina 2 onderaan) blijkt dat projectontwikkeling in dat verband werd beoogd. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat (het leiding geven aan) projectontwikkelingswerkzaamheden ten behoeve van woningstichting behoorde tot het takenpakket van de verdachte als directeur van woningstichting. Daar komt bij dat hij gehouden was zijn volledige werkkracht ten behoeve van woningstichting in te zetten (artikel 7 lid 2 van zijn arbeidsovereenkomst); nevenactiviteiten in de zeer substantiële omvang zoals door verdachte geschetst, passen daar niet in.

Nevenactiviteiten zouden bovendien vallen onder het verbod van artikel 7 lid 3, het verbod op nevenactiviteiten zonder schriftelijke toestemming van de raad van toezicht. Dat volgens de verdachte dit verbod nooit zo nauw is opgevat als dat het is geformuleerd, betekent niet dat hij mocht denken dat het verrichten van nevenactiviteiten van de door de verdachte gestelde aard en omvang ook toegestaan was. Het gaat hier immers om projecten waarbij woningstichting uiteindelijk degene is voor wiens rekening zeer substantiële betalingen aan de verdachte (en aan zijn medeverdachten) kwamen. Het betoog van de verdachte dat tijdens de sollicitatiegesprekken al duidelijk was dat de verdachte nevenactiviteiten als door hem bedoeld zou blijven verrichten, moet als onaannemelijk terzijde worden geschoven: dan valt immers niet in te zien waarom in de arbeidsovereenkomst slechts wordt gesproken over betrekkelijk ondergeschikte nevenactiviteiten.

Als directeur van woningstichting kon de verdachte niet een deel van zijn takenpakket afzonderen en tot betaalde nevenwerkzaamheden bestempelen. Dit zou alleen anders zijn geweest indien woningstichting, vertegenwoordigd door de raad van toezicht, daarvoor expliciet toestemming verleend zou hebben, maar daarvan is niet gebleken. De contacten die de verdachte zegt te hebben gehad met enkele individuele leden van de raad, zijn hiertoe onvoldoende. Als de verdachte had gewild dat de raad van toezicht ermee instemde dat hij projectontwikkelingsactiviteiten buiten woningstichting, maar uiteindelijk indirect toch geheel of grotendeels op kosten van woningstichting, zou verrichtten, dan had hij daar uitdrukkelijk toestemming voor moeten vragen. Dat volgt niet alleen uit artikel 7 lid 3 van de arbeidsovereenkomst en artikel 7.6 van de statuten, maar ook uit de eisen die naar maatstaven van een behoorlijk handelend bestuurder aan een directeur kunnen worden gesteld. Dat medeverdachte 2, de voorzitter van de raad van toezicht, bekend was met de door de verdachte gestelde activiteiten, maakt dit niet anders. Hij was immers zelf ook betrokken bij de in geschil zijnde geldstromen en kon hierover dus niet objectief oordelen.

Voor de beoordeling van de geldstromen is verder het volgende van belang.

Hoewel de details van de verschillende projecten, zoals vermeld in feit 3 van de tenlastelegging, wat verschillen, komt het er steeds op neer dat medeverdachte 2 – de voorzitter van de raad van toezicht van woningstichting – en de verdachte – de directeur/bestuurder van woningstichting –, tezamen met medeverdachte 3, zeer substantiële betalingen ontvingen en onderling verdeelden. Op papier werd dit voor woningstichting verborgen gehouden. De betalingen werden gedaan door wederpartijen van woningstichting bij vastgoedprojecten, geheel of grotendeels uit de transactiewinst op die projecten, en liepen via rechtspersoon 3, en/of rechtspersoon 4 (vennootschappen van medeverdachte 2) en/of rechtspersoon 5 (de vennootschap van medeverdachte 3). Deze drie vennootschappen verzonden hiervoor facturen, deels met zeer algemene omschrijvingen. Anders dan wat verwacht zou worden bij regulier werk, werden de bedragen in kwestie door de verdachte niet gefactureerd aan bovenstaande vennootschappen. Betalingen aan hem werden zwart gedaan, veelal op zijn Zwitserse bankrekening. Ook medeverdachte 3 ontving zijn betalingen (deels) op een Zwitserse bankrekening.

medeverdachte 4, de vertegenwoordiger van Bouwbedrijf rechtspersoon 6, is er in zijn verklaring duidelijk over waarom hij betaalde: “Toen ik aan het onderhandelen was met woningstichting over de uitvoering van het project vertelde medeverdachte 2, voorzitter van het bestuur van woningstichting, mij dat ik provisie moest betalen om het project te kunnen uitvoeren. Ik had natuurlijk kunnen weigeren maar dan had ik het project niet gekregen. Bij dit gesprek waren de directeur van woningstichting, verdachte en een adviseur van woningstichting, de heer medeverdachte 3, aanwezig.” medeverdachte 4 verklaarde ook dat hij rechtspersoon 3 heeft betaald om de zogeheten stichtingskosten uit de overeenkomst tussen woningstichting en rechtspersoon 6 te mogen verhogen. Dat dit zo is gegaan, blijkt ook uit de overeenkomsten tussen rechtspersoon 3 en medeverdachte 4 / rechtspersoon 6 en het bij medeverdachte 2 aangetroffen overzicht adviesactiviteiten en de partners 2000. In overeenkomst D/133 zegt medeverdachte 4 / rechtspersoon 6 aan rechtspersoon 3 een betaling toe bij het afsluiten van de overeenkomst tussen woningstichting en rechtspersoon 6, in de overeenkomsten D/131 en D/132 zegt rechtspersoon 3 toe dat ‘zij en haar drie gelieerde adviseurs’ zich zullen inspannen om de stichtingskosten te verhogen van NLG 220.000,00 naar NLG 260.000,00, in ruil waarvoor medeverdachte 4 / rechtspersoon 6 een vergoeding van NLG 350.000,0,00 en NLG 2.100.000,00 toezegt. Uit document D/001 blijkt dat de verdachte één van die adviseurs is: hij ontvangt een deel van de door rechtspersoon 6 betaalde vergoedingen. De verdachte is tevens degene die als vertegenwoordiger van woningstichting de overeenkomst woningstichting - rechtspersoon 6 d.d. 6 april 1999 sluit, waarin de stichtingskosten zijn gesteld op NLG 260.000,00. De rechtbank kan uit het voorgaande slechts afleiden dat medeverdachte 4 heeft betaald voor een wijziging van het contract tussen woningstichting en rechtspersoon 6, dat de verdachte daaraan heeft meegewerkt en dat hij een deel van de betaling heeft ontvangen.

Verder verklaarde ook medeverdachte 5 – betrokken bij de projecten project 1 (feit 3.1), project 2 (feit 3.4) en project 3 (feit 3.6) – dat medeverdachte 2 wel zaken met hem wilde doen, maar dat hij daarvoor een provisie wilde hebben. “medeverdachte 2 kent deze mensen – de rechtbank: betrokkenen bij project 3 – niet eens maar wilde wel een bepaald deel van de commissie hebben.” medeverdachte 5 verklaarde verder “het was in feite een soort leergeld wat ik moest betalen als ik dat niet zou betalen zou de relatie gestopt worden.” De betalingen die gedaan zijn in verband met deze projecten zijn blijkens de overzichten D/001, D/002 en D/003 door medeverdachte 2 gedeeld met onder meer de verdachte. De verklaring van medeverdachte 5 dat het ging om commissie, vindt bevestiging in de verklaring getuige 1, de directeur van de contractuele wederpartij van woningstichting in project 3. Deze noemt de aan medeverdachte 5 betaalde – en uiteindelijk met de verdachte gedeelde – vergoeding een bemiddelingsprovisie.

Verder heeft ook medeverdachte 3 verklaard dat er commissie werd betaald. medeverdachte 2 bedong die van de verkopende partij en verdeelde het onder hun drieën medeverdachte 2, medeverdachte 3 en de verdachte). Hij deelde commissie met medeverdachte 2 omdat diens positie bij woningstichting het voor medeverdachte 3 mogelijk maakte om werkzaamheden uit te voeren, aldus medeverdachte 3. medeverdachte 3 verklaarde verder dat hij in het project 4 (feit 3.3) een betaling heeft ontvangen. Deze betaling kreeg hij mede, zo verklaarde hij, omdat hij de huurovereenkomst woningstichting – rechtspersoon 7 tekende. medeverdachte 3 ontving in dit project hetzelfde als de verdachte, die de huurovereenkomsten namens woningstichting tekende.

Gelet op de versluierde wijze van betaling waarin gedeelten van de transactiewinst van wederpartijen van woningstichting aan de verdachte zijn uitbetaald, de verklaringen van medeverdachte 4, medeverdachte 5 en medeverdachte 3, en het feit dat daar waar de verdachte aan projectontwikkeling deed, dit onder zijn takenpakket van directeur van woningstichting viel, kan slechts geconcludeerd worden dat de in geschil zijnde betalingen aan de verdachte geen betrekking hebben op nevenwerkzaamheden. De bedragen die hij ontving van wederpartijen van woningstichting zijn dan ook aan te merken als giften. Deze zijn betaald aan de verdachte naar aanleiding van hetgeen hij in zijn functie van directeur van woningstichting zou doen of nalaten.

Anders dan de raadsman van de verdachte heeft betoogd, had de verdachte deze giften moeten melden. Hij was blijkens zijn arbeidsovereenkomst werknemer van woningstichting en woningstichting was zo ingericht dat de raad van toezicht belast was met het toezicht op het bestuur, dus op de verdachte. Hij had giften dan ook moeten melden aan de raad van toezicht of in ieder geval aan een lid van de raad van toezicht dat niet betrokken was bij de onderhavige betalingen. Doel van de melding is de werkgever woningstichting, vertegenwoordigd door haar raad van toezicht, in de gelegenheid te stellen te controleren dat ontvangen giften acceptabel zijn, geen afbreuk doen aan de integriteit van de ontvanger en geen invloed hebben op de besluitvorming. Een melding aan of kennis van medeverdachte 2 en/of getuige 2 is dus onvoldoende, nu zij zelf ook betalingen ontvingen in de hier bedoelde projecten en dus niet onbevoordeeld zijn.

De verdachte heeft bij herhaling verklaard dat hij de betreffende bedragen heeft ontvangen voor nevenactiviteiten en dat enkele leden van de raad van toezicht bekend waren met delen van die nevenwerkzaamheden. Vastgesteld moet worden dat de verdachte met zijn verklaring impliciet te kennen heeft gegeven dat hij in elk geval geen melding heeft gedaan van giften. Dat leden van de raad van toezicht mogelijk bekend waren met door de verdachte verrichtte projectactiviteiten, maakt niet dat zij ook bekend waren met de hier bedoelde giften. Projectontwikkeling behoorde immers tot de takenpakket van de verdachte als bestuurder van woningstichting. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de raad van toezicht of leden daarvan (anders dan medeverdachte 2 en getuige 2) bekend waren met de betreffende betalingen als zodanig. Daar waar de verdachte concreet aangeeft met getuige 3 en getuige 4 gesproken te hebben over wat hij nevenactiviteiten noemt, zeggen zij zich dit niet te herinneren.

Geconcludeerd wordt dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de door hem ontvangen giften in strijd met de goede trouw niet heeft gemeld aan zijn werkgever. Feit 3 is dus bewezen.

In aanvulling op het voorgaande wordt, mede naar aanleiding van standpunten van de officier van justitie dan wel de verdediging, nog het volgende overwogen:

  • De verdediging heeft aangevoerd dat het bij project 5 ging om projectontwikkelingsactiviteiten verricht voordat de verdachte tot bestuurder werd benoemd. Dit verweer slaagt niet. medeverdachte 4 betaalde voor een contractsaanpassing en verdachte heeft als bestuurder van woningstichting het contract met die aanpassing daarin getekend.
  • De rechtbank zal de bewezenverklaring beperken tot de bedragen die de verdachte zelf heeft ontvangen. Dat zijn immers de bedragen die hij – zoals tenlastegelegd – als directeur van woningstichting heeft ontvangen en had moeten melden aan de raad van toezicht.

Bewezenverklaring

Feit 1: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 2: opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

Feit 3: anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, nagelaten, zal doen dan wel zal nalaten, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd;

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Gedragscode over integriteit rijksambtenaren opgefrist

Je houdt je verre van belangenverstrengeling en vriendjespolitiek. Je zegt wat je doet en doet wat je zegt. Je gebruikt bevoegdheden, middelen en informatie zorgvuldig. Je ben zorgvuldig in de omgang met anderen. Je bent aanspreekbaar en legt verantwoording af. Je laat je niet verleiden of fêteren. Je blijft altijd professioneel. Dat is de basis in de nieuwe versie van de gedragscode integriteit voor rijksambtenaren. Minister Blok (Wonen en Rijksdienst) heeft de gedragscode naar de Tweede Kamer gestuurd. In de code worden verschillende normen en regels voor rijksambtenaren uitgewerkt. Bijvoorbeeld over het aannemen van cadeautjes, het ingaan op uitnodigingen, nevenwerkzaamheden en financiële belangen. Maar ook over de eigen vrijheid van meningsuiting via sociale media.

De code is het minimum. Diensten of afdelingen binnen het Rijk kunnen verder gaan, en striktere regels opstellen die toegespitst zijn op het specifieke werk van die dienst of afdeling.

Als er twijfels zijn, stimuleert de code vooral dat rijksambtenaren dilemma’s op het gebied van integriteit bespreekbaar maken, met collega’s en hun leiding. Daarnaast moeten zij elkaar aanspreken op normoverschrijdend gedrag en weten dat daar sancties op staan.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling medewerker Koninklijke Marechaussee wegens schending ambtsgeheim. Vrijspraak voor het ten laste gelegde deelnemen aan een criminele organisatie.

Rechtbank Noord-Holland 28 september 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:8189 Op grond van diverse CIE meldingen over de illegale handel in drank en sigaretten werd er door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar medeverdachte 2 binnen welk onderzoek diverse telecommunicatiemiddelen zijn afgetapt en vele tapgesprekken zijn opgenomen. De informatie uit dit onderzoek van de FIOD, de diverse tapgesprekken en het feit dat medeverdachte 2 eerder ter zake van Opiumwet delicten is veroordeeld hebben uiteindelijk geleid tot een verdenking van drugssmokkel via de luchthaven Schiphol.

Naar aanleiding van het bovenstaande is onder leiding van officier van justitie mr. Haneveld door de Koninklijke Marechaussee, Team Zware Criminaliteit op 11 oktober 2013 een rechercheonderzoek gestart onder de naam “Gunn”. Tijdens dit onderzoek blijkt er ook sprake te zijn van nauwe contacten met iemand van de Koninklijke Marechaussee, hetgeen naderhand verdachte bleek te zijn.

Verdachte wordt verweten dat hij zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim, door als medewerker van de Koninklijke Marechaussee personen te bevragen in de systemen van de Koninklijke Marechaussee en de verkregen informatie door te spelen aan een ander, medeverdachte 1.

Voorts wordt verdachte verweten – in de rol van adviseur en door voornoemde bevragingen te verrichten om te controleren of koeriers en afhalers ongestoord konden reizen per vliegtuig – onderdeel te hebben uitgemaakt van een criminele organisatie, die als oogmerk had het plegen van misdrijven in het kader van de Opiumwet.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van hetgeen verdachte in feit 1 is tenlastegelegd omtrent bevraagde persoon 3, medeverdachte 2, bevraagde persoon 5, bevraagde persoon 7, bevraagde persoon 9 en verdachte .

Standpunt van de verdediging

Feit 1 – zaaksdossier B04

De raadsman van verdachte heeft gepleit voor (partiële) vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Inzake de bevragingen van medeverdachte 1 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet volgt dat verdachte de gegevens van de specifieke bevragingen ook heeft geopenbaard naar medeverdachte 1 anders dan dat verdachte uit gewoonte altijd zei tegen medeverdachte 1 dat “het goed was”.

Inzake de bevragingen van bevraagde persoon 8, bevraagde persoon 2, bevraagde persoon 6 en bevraagde persoon 11 kan niet bewezen worden dat verdachte de gegevens van de specifieke bevragingen heeft doorgegeven aan medeverdachte 1, dan wel aan een ander.

Inzake de bevraging van bevraagde persoon 11 heeft de raadsman zich bovendien op het standpunt gesteld dat – gelet op het feit dat verdachte een onjuiste persoonssleutel heeft ingevoerd – geen informatie betreffende de bedoelde bevraagde persoon 11 is verkregen en is doorgegeven.

Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de aard van de informatie inzake de bevragingen die verdachte heeft gedaan en welke hij heeft doorgegeven aan een derde, niet dusdanig was dat men over een ‘geheim’ in de zin van artikel 272 Wetboek van Strafrecht kan spreken. De raadsman voert hiertoe aan dat verdachte ofwel informatie doorgaf die de derde reeds bekend was dan wel zelf kon verkrijgen, ofwel verdachte enkel iets zei in de trant van “alles is goed”.

Feit 2 – zaaksdossier B06

De raadsman van verdachte heeft gepleit voor vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit, nu er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte heeft deelgenomen aan de vermeende criminele organisatie.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte en de systemen

Verdachte werkte bij de Kmar als opsporingsambtenaar in de functie van wachtmeester eerste klas en was werkzaam in de balie op Schiphol ten behoeve van Grensbewaking. Hij keek onder andere of iemand Nederland in – of uit mag reizen. Verdachte kon (onder meer) de volgende systemen raadplegen om zijn werkzaamheden uit te voeren: OPS/NSIS, tegenwoordig Grenscontrole (de rechtbank begrijpt: Grensapplicatie). Ook kon hij BPS, Basis Politie Systeem en BLS, Bevragen Landelijke Systemen raadplegen. Zijn gebruikersnaam voor BPS was ‘loggingcode verdachte’. De vertrouwelijke informatie was ten behoeve van de taak die hij verrichtte. Dat was voor verdachte de grensbewakingstaak en als hij bezig was met politiewerkzaamheden was dat voor de politietaak.

Het is binnen de Kmar uitdrukkelijk verboden om eerder genoemde politiesystemen anders dan voor de uitoefening van de dienst te gebruiken. Gebruikers van deze politiesystemen worden daar nadrukkelijk op gewezen bij de opleiding en toewijzing van autorisaties. Bij het inloggen op het netwerk van de Kmar wordt middels tekst gewezen op het feit dat de politiesystemen alleen ten behoeve van de dienst mogen worden gebruikt. De informatie die uit de bedoelde politiesystemen gehaald kan worden is zeer privacy gevoelig, geheim en mag alleen opgevraagd, gebruikt, geraadpleegd of verstrekt worden zoals beschreven in de Wet Politiegegevens. Een manier van zoeken in de loggingen gebeurt door het invoeren van een persoonssleutel. Een persoonssleutel bestaat uit de eerste vier letters van je achternaam, de eerste letter van de voornaam en laatste twee cijfers van het geboortejaar en wordt ook wel aangeduid als ‘Keno sleutel’ of ‘keno code’.

De bevragingen

Verdachte heeft erkend diverse bevragingen op verzoek van medeverdachte 1 gedaan te hebben. Verdachte wist dat het niet mocht wat hij deed. Alle bevragingen die verdachte heeft gedaan, heeft hij gedaan op Schiphol.

Verweren

De rechtbank overweegt ten aanzien van de verweren zoals door de raadsman naar voren zijn gebracht als volgt.

Bevragingen

Gelet op wat hiervoor onder de redengevende feiten en omstandigheden is vermeld, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bevragingen van voornoemde personen heeft gedaan en deze informatie – anders dan beroepsmatig – op enig moment heeft teruggekoppeld aan medeverdachte medeverdachte 1. Dat wordt overigens ook voor het grootste deel door verdachte erkend. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat ‘hoe’ en ‘wanneer’ binnen de ten laste gelegde periode verdachte deze verkregen informatie precies aan medeverdachte 1 heeft teruggekoppeld, niet ter zake doet, nu het enkele feit dat hij heeft gekeken en de verkregen informatie vervolgens terugkoppelde aan een ander, voldoende is voor een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bevraging van medeverdachte 1 als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij over een langere periode uit gewoonte medeverdachte 1 vele malen heeft bevraagd. Daarom doet niet ter zake dat wanneer medeverdachte 1 hem dan om informatie vroeg, verdachte pas achteraf – nadat hij had gezegd dat “alles goed” was – de volgende bevraging deed. Verdachte was immers door de vele eerdere bevragingen van medeverdachte 1 reeds bekend met de informatie in de systemen over medeverdachte 1 .

‘Geheim’ ex artikel 272 Wetboek van Strafrecht

In de rechtspraak wordt voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een geheim in de zin van dit artikel acht geslagen op onder meer de aard van de informatie, het moment dat de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en de hoedanigheid waarin deze hiervan kennis kreeg. Er kan ook sprake zijn van de schending van een geheim wanneer de informatie niet alleen bij de geheimhouder, maar ook bij andere instanties kan worden verkregen (HR 11 februari 2003, NJ 2003/274). Daarom is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat de verkregen informatie ook bij de bevraagde zelf bekend was of kon worden – bijvoorbeeld door bij het CJIB te informeren –, niets afdoet aan het feit dat deze doorgespeelde informatie vertrouwelijke informatie betrof.

De rechtbank merkt in dit kader voorts op dat de verkregen informatie niet enkel informatie behoefde te bevatten die reeds bekend was of kon worden bij de bevraagde, nu de verkregen informatie ook betrekking kon hebben op bijvoorbeeld lopende politieonderzoeken.

Wat betreft het feit dat de doorgespeelde informatie van verdachte veelal niet meer inhield dan enkele woorden in de trant van “alles is goed”, is de rechtbank van oordeel dat ‘geen informatie’, wel degelijk ook vertrouwelijke informatie betreft. Juist in onderhavig onderzoek was het doel van de bevragingen – voor medeverdachte 1 – onder meer om te bezien of de bevraagde personen ongehinderd langs de douane konden komen. In dat kader is de boodschap “alles is goed” van cruciaal belang, wat de doorgespeelde informatie voor de ontvanger ervan van grote waarde maakte.

Vrijspraak

Feit 1

De rechtbank zal verdachte, overeenkomstig de conclusie van de officier van justitie en het verzoek van de verdediging, vrijspreken van hetgeen onder feit 1 in de tenlastelegging is opgenomen omtrent bevraagde persoon 3, medeverdachte 2, bevraagde persoon 5, bevraagde persoon 7, bevraagde persoon 9 en verdachte .

Daarnaast acht de rechtbank evenmin bewezen dat verdachte ten aanzien van de persoon bevraagde persoon 11 zijn ambtsgeheim heeft geschonden. Zij zal verdachte ook hiervan vrijspreken.

Uit het dossier blijkt namelijk dat verdachte heeft bedoeld persoon bevraagde persoon 11 te bevragen, maar dat hij daarvoor de verkeerde persoonssleutel heeft gebruikt. Aldus heeft verdachte kennelijk informatie verkregen die niet de persoon bevraagde persoon 11 betrof, maar die verdachte wel aan hem heeft gekoppeld en die hij vervolgens zo (dus alsof het bevraagde persoon 11 betrof) aan medeverdachte 1 heeft doorgegeven (“niets aan de hand”. Deze aan medeverdachte 1 doorgegeven informatie was dus geen informatie die verdachte uit de systemen heeft gehaald en die geheim moest blijven.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat verdachte – juist ook gelet op zijn toenmalige hoedanigheid, te weten die van opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee en de lengte van zijn dienstverband – vermoedens moet hebben gehad dat medeverdachte 1 zich bezig hield met strafbare feiten. Aangenomen mag worden dat dit besef bij hem eerder doordrong dan bij ‘de normale burger’ het geval zou zijn. In die zin gaat de rechtbank niet mee met de verklaring van verdachte dat er ‘slechts sprake was van een (naïeve) vriendendienst’ waar hij bevragingen deed voor medeverdachte 1 en overige handelingen verrichtte, zoals onder meer het helpen met het boeken van een vliegticket en het geven van informatie over aankomende koffers en douanecontroles van passagiers.

Met het doorgeven van informatie heeft verdachte bijgedragen tot de verwezenlijking van het doel van de organisatie, namelijk het smokkelen van cocaïne naar Nederland via de luchthaven. Bezien vanuit het gezichtspunt van de organisatie, maakte verdachte er daarom mogelijk deel van uit.

De vraag is echter of verdachte zich realiseerde dat hij tot die organisatie behoorde en of hij zich realiseerde dat die organisatie het doel had om misdrijven te plegen.

Deze vragen beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier geen concrete feiten of omstandigheden bevinden, waaruit het onvoorwaardelijke opzet voor het deelnemen aan een criminele organisatie ten aanzien van verdachte kan worden afgeleid.

Uit de bewijsmiddelen in het dossier is allereerst niet gebleken dat verdachte actief betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne. Dat verdachte informatie uit de systemen van de Kmar op verzoek van medeverdachte 1 aan hem heeft verstrekt, lijkt met name gebaseerd te zijn op (het onderhouden van) de vriendschap met medeverdachte 1. Niet is gebleken dat verdachte zelf op enig moment uit eigen initiatief heeft gehandeld. Ook bevat het dossier geen aanwijzingen dat verdachte werd beloond voor zijn handelingen en voldoende is komen vast te staan dat verdachte over ruime legale inkomsten beschikte. Voorts heeft verdachte – anders dan medeverdachte 1 en diens medeverdachten bij de drugstransporten – gedurende het onderzoek gebruik gemaakt van hetzelfde telefoonnummer, en heeft hij niet geheimzinnig gehandeld met betrekking tot het gebruik van zijn telefoon(nummer). De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte, anders dan zijn medeverdachten, zich kennelijk niet genoodzaakt voelde zijn telefonische communicatie zoveel mogelijk verborgen te houden.

De rechtbank is gelet op alles wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat verdachte geen onderdeel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een taakstraf van 240 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^