Voormalig directeur van woningstichting PWS veroordeeld voor omkoping, belastingfraude en valsheid in geschrifte

Rechtbank Rotterdam 14 oktober 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:7315 De voormalige directeur van de Rotterdamse woningcorporatie PWS is veroordeeld voor omkoping, valsheid in geschrifte en belastingfraude. De rechtbank legt de 61-jarige Henk S. negen maanden celstraf op.

Feit 1

Aan de verdachte wordt verweten dat rechtspersoon 1 in de periode van 4 januari 2003 tot en met 3 oktober 2005 opzettelijk twee facturen heeft opgemaakt ter zake van niet verrichte werkzaamheden, met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te gebruiken, aan welke gedraging de verdachte opdracht, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven. Volgens de facturen betreffen zij beide “Declaratie betreffende onroerend goed advies”.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is met betrekking tot dit verwijt vrijspraak bepleit. Aangevoerd is onder meer dat de op deze twee facturen vermelde werkzaamheden wel degelijk door de verdachte, vanuit zijn bv rechtspersoon 1, zijn verricht. Zij hebben betrekking op advisering en begeleiding van rechtspersoon 1. Laatstgenoemde was daarvan niet op de hoogte omdat hij van professionele begeleiding niets wilde weten. De afspraak om rechtspersoon 1 te begeleiden en de facturen daarvoor aan rechtspersoon 2 (een vennootschap van rechtspersoon 1) te richten, heeft de verdachte gemaakt met medeverdachte 2 .

Oordeel van de rechtbank

Min of meer in lijn met de verklaring van de verdachte dat rechtspersoon 1 van de coaching niet afwist, heeft laatstgenoemde verklaard dat hij nooit door de verdachte is gecoacht en dat hij niet weet waarop de twee facturen betrekking hebben.

Medeverdachte 2 bevestigt dat de verdachte met hem heeft gesproken over begeleiding van zijn zoon, terwijl ook door derden, met name door medeverdachte 3, wordt bevestigd dat sprake is geweest van advies en begeleiding van medeverdachte 1 door de verdachte. medeverdachte 2 spreekt overigens niet over een concrete afspraak die hij daarover met de verdachte zou hebben gemaakt en weet zich evenmin iets te herinneren van betalingen c.q. rekeningen die door de verdachte aan rechtspersoon 2 uitgebracht zouden zijn. Hij neemt slechts in algemene bewoordingen aan dat de verdachte voor zijn werkzaamheden betaald wil worden. De verklaring van de verdachte vindt in zoverre ten dele steun in het dossier.

Toch is de rechtbank van oordeel dat sprake is van valse facturen. Doorslaggevend voor dat oordeel is de e-mailwisseling van 18 en 19 september 2005 tussen rechtspersoon 1, medeverdachte 2, medeverdachte 3 en de verdachte. Hieruit komt naar voren dat door de betrokkenen met elkaar is overlegd op welke werkzaamheden de twee facturen betrekking zouden kunnen hebben, dit om het verhaal daarover met elkaar af te stemmen en ervoor te zorgen dat iedereen hetzelfde vertelt. Opvallend daarbij is bovendien dat rechtspersoon 1 in zijn bericht van 19 september 2005 geen enkele blijk van verbazing geeft in reactie op het bericht van de verdachte dat de facturen betrekking hebben op begeleiding van rechtspersoon 1 in managementvaardigheden terwijl hij daar, aldus de verdachte, geen weet van had.

Het verweer dat bij de verdachte het oogmerk ontbrak om de facturen als echt en onvervalst te gebruiken, wordt verworpen. Beide facturen zijn door de verdachte ingediend bij rechtspersoon 2 en zijn daarmee door hem gebruikt ter verantwoording van werkzaamheden voor rechtspersoon 2 die feitelijk niet zijn verricht. De omstandigheden dat rechtspersoon 2 mogelijk wist dat die facturen vals waren en (desondanks) tot betaling is over gegaan, en dat de btw door rechtspersoon 2 over die factuur is afgedragen aan de fiscus, doen niet af aan het oogmerk van de verdachte om die door hem opgemaakte facturen als echt en onvervalst te gebruiken.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Standpunten van de officier van justitie en de verdachte

De officier van justitie verwijt de verdachte als feit 3, kort gezegd, dat hij zich als directeur van woningstichting heeft laten omkopen in de jaren 2000 tot en met 2005. De verdachte betwist dit. De door hem ontvangen bedragen zoals bedoeld in feit 3 zijn volgens de verdachte geen giften, maar een vergoeding voor nevenwerkzaamheden. Naast zijn werk voor woningstichting ontwikkelde hij, samen met medeverdachte 2 en medeverdachte 3, vastgoedprojecten. Mocht de rechtbank de ontvangen bedragen wel als giften zien, dan stelt de verdachte dat hij als directeur van de stichting woningstichting geen werkgever of lastgever in de zin van artikel 328ter Sr had aan wie hij mededeling hoefde te doen, zodat artikel 328ter Sr op hem niet van toepassing is. Daarnaast, zo stelt hij, heeft hij met diverse leden van de raad van toezicht gesproken over zijn nevenwerkzaamheden en waren diverse leden van die raad bekend met de ontvangen betalingen, zodat van verzwijging, laat staan opzet daarop, geen sprake is.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de verdachte in de jaren 2000 tot en met 2005 de bedragen heeft ontvangen die in feit 3 van de tenlastelegging subsidiair zijn vermeld. Dit zijn de bedragen die in feit 3, sub 1 tot en met 6, steeds staan vermeld achter ‘althans’. Verder is komen vast te staan dat hij een bedrag van € 118.750,00 heeft ontvangen uit het bedrag van € 500.000,00 dat staat vermeld als feit 3 sub 7. In totaal gaat het om een bedrag van ruim 850.000 euro. Blijkens het dossier zijn vergelijkbare betalingen gedaan aan medeverdachte 2 en medeverdachte 3. Deze bedragen zijn indirect afkomstig van wederpartijen van woningstichting bij diverse vastgoedprojecten.

De eerste vraag die thans voorligt, is of de door de verdachte ontvangen betalingen giften zijn of dat het gaat om vergoedingen voor verrichte nevenwerkzaamheden. Daarbij is allereerst van belang dat de verdachte destijds werkzaam was als directeur van woningstichting. Hij is, zo heeft hij verklaard, aangenomen om woningstichting weer ‘op de kaart van de volkshuisvesting’ te zetten en van een verouderde beheerorganisatie een moderne corporatie te maken die tot de top van de Nederlandse volkshuisvesters behoorde. Uit de schriftelijke verklaring van de verdachte d.d. 1 februari 2011 (pagina 2 onderaan) blijkt dat projectontwikkeling in dat verband werd beoogd. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat (het leiding geven aan) projectontwikkelingswerkzaamheden ten behoeve van woningstichting behoorde tot het takenpakket van de verdachte als directeur van woningstichting. Daar komt bij dat hij gehouden was zijn volledige werkkracht ten behoeve van woningstichting in te zetten (artikel 7 lid 2 van zijn arbeidsovereenkomst); nevenactiviteiten in de zeer substantiële omvang zoals door verdachte geschetst, passen daar niet in.

Nevenactiviteiten zouden bovendien vallen onder het verbod van artikel 7 lid 3, het verbod op nevenactiviteiten zonder schriftelijke toestemming van de raad van toezicht. Dat volgens de verdachte dit verbod nooit zo nauw is opgevat als dat het is geformuleerd, betekent niet dat hij mocht denken dat het verrichten van nevenactiviteiten van de door de verdachte gestelde aard en omvang ook toegestaan was. Het gaat hier immers om projecten waarbij woningstichting uiteindelijk degene is voor wiens rekening zeer substantiële betalingen aan de verdachte (en aan zijn medeverdachten) kwamen. Het betoog van de verdachte dat tijdens de sollicitatiegesprekken al duidelijk was dat de verdachte nevenactiviteiten als door hem bedoeld zou blijven verrichten, moet als onaannemelijk terzijde worden geschoven: dan valt immers niet in te zien waarom in de arbeidsovereenkomst slechts wordt gesproken over betrekkelijk ondergeschikte nevenactiviteiten.

Als directeur van woningstichting kon de verdachte niet een deel van zijn takenpakket afzonderen en tot betaalde nevenwerkzaamheden bestempelen. Dit zou alleen anders zijn geweest indien woningstichting, vertegenwoordigd door de raad van toezicht, daarvoor expliciet toestemming verleend zou hebben, maar daarvan is niet gebleken. De contacten die de verdachte zegt te hebben gehad met enkele individuele leden van de raad, zijn hiertoe onvoldoende. Als de verdachte had gewild dat de raad van toezicht ermee instemde dat hij projectontwikkelingsactiviteiten buiten woningstichting, maar uiteindelijk indirect toch geheel of grotendeels op kosten van woningstichting, zou verrichtten, dan had hij daar uitdrukkelijk toestemming voor moeten vragen. Dat volgt niet alleen uit artikel 7 lid 3 van de arbeidsovereenkomst en artikel 7.6 van de statuten, maar ook uit de eisen die naar maatstaven van een behoorlijk handelend bestuurder aan een directeur kunnen worden gesteld. Dat medeverdachte 2, de voorzitter van de raad van toezicht, bekend was met de door de verdachte gestelde activiteiten, maakt dit niet anders. Hij was immers zelf ook betrokken bij de in geschil zijnde geldstromen en kon hierover dus niet objectief oordelen.

Voor de beoordeling van de geldstromen is verder het volgende van belang.

Hoewel de details van de verschillende projecten, zoals vermeld in feit 3 van de tenlastelegging, wat verschillen, komt het er steeds op neer dat medeverdachte 2 – de voorzitter van de raad van toezicht van woningstichting – en de verdachte – de directeur/bestuurder van woningstichting –, tezamen met medeverdachte 3, zeer substantiële betalingen ontvingen en onderling verdeelden. Op papier werd dit voor woningstichting verborgen gehouden. De betalingen werden gedaan door wederpartijen van woningstichting bij vastgoedprojecten, geheel of grotendeels uit de transactiewinst op die projecten, en liepen via rechtspersoon 3, en/of rechtspersoon 4 (vennootschappen van medeverdachte 2) en/of rechtspersoon 5 (de vennootschap van medeverdachte 3). Deze drie vennootschappen verzonden hiervoor facturen, deels met zeer algemene omschrijvingen. Anders dan wat verwacht zou worden bij regulier werk, werden de bedragen in kwestie door de verdachte niet gefactureerd aan bovenstaande vennootschappen. Betalingen aan hem werden zwart gedaan, veelal op zijn Zwitserse bankrekening. Ook medeverdachte 3 ontving zijn betalingen (deels) op een Zwitserse bankrekening.

medeverdachte 4, de vertegenwoordiger van Bouwbedrijf rechtspersoon 6, is er in zijn verklaring duidelijk over waarom hij betaalde: “Toen ik aan het onderhandelen was met woningstichting over de uitvoering van het project vertelde medeverdachte 2, voorzitter van het bestuur van woningstichting, mij dat ik provisie moest betalen om het project te kunnen uitvoeren. Ik had natuurlijk kunnen weigeren maar dan had ik het project niet gekregen. Bij dit gesprek waren de directeur van woningstichting, verdachte en een adviseur van woningstichting, de heer medeverdachte 3, aanwezig.” medeverdachte 4 verklaarde ook dat hij rechtspersoon 3 heeft betaald om de zogeheten stichtingskosten uit de overeenkomst tussen woningstichting en rechtspersoon 6 te mogen verhogen. Dat dit zo is gegaan, blijkt ook uit de overeenkomsten tussen rechtspersoon 3 en medeverdachte 4 / rechtspersoon 6 en het bij medeverdachte 2 aangetroffen overzicht adviesactiviteiten en de partners 2000. In overeenkomst D/133 zegt medeverdachte 4 / rechtspersoon 6 aan rechtspersoon 3 een betaling toe bij het afsluiten van de overeenkomst tussen woningstichting en rechtspersoon 6, in de overeenkomsten D/131 en D/132 zegt rechtspersoon 3 toe dat ‘zij en haar drie gelieerde adviseurs’ zich zullen inspannen om de stichtingskosten te verhogen van NLG 220.000,00 naar NLG 260.000,00, in ruil waarvoor medeverdachte 4 / rechtspersoon 6 een vergoeding van NLG 350.000,0,00 en NLG 2.100.000,00 toezegt. Uit document D/001 blijkt dat de verdachte één van die adviseurs is: hij ontvangt een deel van de door rechtspersoon 6 betaalde vergoedingen. De verdachte is tevens degene die als vertegenwoordiger van woningstichting de overeenkomst woningstichting - rechtspersoon 6 d.d. 6 april 1999 sluit, waarin de stichtingskosten zijn gesteld op NLG 260.000,00. De rechtbank kan uit het voorgaande slechts afleiden dat medeverdachte 4 heeft betaald voor een wijziging van het contract tussen woningstichting en rechtspersoon 6, dat de verdachte daaraan heeft meegewerkt en dat hij een deel van de betaling heeft ontvangen.

Verder verklaarde ook medeverdachte 5 – betrokken bij de projecten project 1 (feit 3.1), project 2 (feit 3.4) en project 3 (feit 3.6) – dat medeverdachte 2 wel zaken met hem wilde doen, maar dat hij daarvoor een provisie wilde hebben. “medeverdachte 2 kent deze mensen – de rechtbank: betrokkenen bij project 3 – niet eens maar wilde wel een bepaald deel van de commissie hebben.” medeverdachte 5 verklaarde verder “het was in feite een soort leergeld wat ik moest betalen als ik dat niet zou betalen zou de relatie gestopt worden.” De betalingen die gedaan zijn in verband met deze projecten zijn blijkens de overzichten D/001, D/002 en D/003 door medeverdachte 2 gedeeld met onder meer de verdachte. De verklaring van medeverdachte 5 dat het ging om commissie, vindt bevestiging in de verklaring getuige 1, de directeur van de contractuele wederpartij van woningstichting in project 3. Deze noemt de aan medeverdachte 5 betaalde – en uiteindelijk met de verdachte gedeelde – vergoeding een bemiddelingsprovisie.

Verder heeft ook medeverdachte 3 verklaard dat er commissie werd betaald. medeverdachte 2 bedong die van de verkopende partij en verdeelde het onder hun drieën medeverdachte 2, medeverdachte 3 en de verdachte). Hij deelde commissie met medeverdachte 2 omdat diens positie bij woningstichting het voor medeverdachte 3 mogelijk maakte om werkzaamheden uit te voeren, aldus medeverdachte 3. medeverdachte 3 verklaarde verder dat hij in het project 4 (feit 3.3) een betaling heeft ontvangen. Deze betaling kreeg hij mede, zo verklaarde hij, omdat hij de huurovereenkomst woningstichting – rechtspersoon 7 tekende. medeverdachte 3 ontving in dit project hetzelfde als de verdachte, die de huurovereenkomsten namens woningstichting tekende.

Gelet op de versluierde wijze van betaling waarin gedeelten van de transactiewinst van wederpartijen van woningstichting aan de verdachte zijn uitbetaald, de verklaringen van medeverdachte 4, medeverdachte 5 en medeverdachte 3, en het feit dat daar waar de verdachte aan projectontwikkeling deed, dit onder zijn takenpakket van directeur van woningstichting viel, kan slechts geconcludeerd worden dat de in geschil zijnde betalingen aan de verdachte geen betrekking hebben op nevenwerkzaamheden. De bedragen die hij ontving van wederpartijen van woningstichting zijn dan ook aan te merken als giften. Deze zijn betaald aan de verdachte naar aanleiding van hetgeen hij in zijn functie van directeur van woningstichting zou doen of nalaten.

Anders dan de raadsman van de verdachte heeft betoogd, had de verdachte deze giften moeten melden. Hij was blijkens zijn arbeidsovereenkomst werknemer van woningstichting en woningstichting was zo ingericht dat de raad van toezicht belast was met het toezicht op het bestuur, dus op de verdachte. Hij had giften dan ook moeten melden aan de raad van toezicht of in ieder geval aan een lid van de raad van toezicht dat niet betrokken was bij de onderhavige betalingen. Doel van de melding is de werkgever woningstichting, vertegenwoordigd door haar raad van toezicht, in de gelegenheid te stellen te controleren dat ontvangen giften acceptabel zijn, geen afbreuk doen aan de integriteit van de ontvanger en geen invloed hebben op de besluitvorming. Een melding aan of kennis van medeverdachte 2 en/of getuige 2 is dus onvoldoende, nu zij zelf ook betalingen ontvingen in de hier bedoelde projecten en dus niet onbevoordeeld zijn.

De verdachte heeft bij herhaling verklaard dat hij de betreffende bedragen heeft ontvangen voor nevenactiviteiten en dat enkele leden van de raad van toezicht bekend waren met delen van die nevenwerkzaamheden. Vastgesteld moet worden dat de verdachte met zijn verklaring impliciet te kennen heeft gegeven dat hij in elk geval geen melding heeft gedaan van giften. Dat leden van de raad van toezicht mogelijk bekend waren met door de verdachte verrichtte projectactiviteiten, maakt niet dat zij ook bekend waren met de hier bedoelde giften. Projectontwikkeling behoorde immers tot de takenpakket van de verdachte als bestuurder van woningstichting. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de raad van toezicht of leden daarvan (anders dan medeverdachte 2 en getuige 2) bekend waren met de betreffende betalingen als zodanig. Daar waar de verdachte concreet aangeeft met getuige 3 en getuige 4 gesproken te hebben over wat hij nevenactiviteiten noemt, zeggen zij zich dit niet te herinneren.

Geconcludeerd wordt dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de door hem ontvangen giften in strijd met de goede trouw niet heeft gemeld aan zijn werkgever. Feit 3 is dus bewezen.

In aanvulling op het voorgaande wordt, mede naar aanleiding van standpunten van de officier van justitie dan wel de verdediging, nog het volgende overwogen:

  • De verdediging heeft aangevoerd dat het bij project 5 ging om projectontwikkelingsactiviteiten verricht voordat de verdachte tot bestuurder werd benoemd. Dit verweer slaagt niet. medeverdachte 4 betaalde voor een contractsaanpassing en verdachte heeft als bestuurder van woningstichting het contract met die aanpassing daarin getekend.
  • De rechtbank zal de bewezenverklaring beperken tot de bedragen die de verdachte zelf heeft ontvangen. Dat zijn immers de bedragen die hij – zoals tenlastegelegd – als directeur van woningstichting heeft ontvangen en had moeten melden aan de raad van toezicht.

Bewezenverklaring

Feit 1: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 2: opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

Feit 3: anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, nagelaten, zal doen dan wel zal nalaten, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd;

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF