Veroordeling medewerker Koninklijke Marechaussee wegens schending ambtsgeheim. Vrijspraak voor het ten laste gelegde deelnemen aan een criminele organisatie.

Rechtbank Noord-Holland 28 september 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:8189 Op grond van diverse CIE meldingen over de illegale handel in drank en sigaretten werd er door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar medeverdachte 2 binnen welk onderzoek diverse telecommunicatiemiddelen zijn afgetapt en vele tapgesprekken zijn opgenomen. De informatie uit dit onderzoek van de FIOD, de diverse tapgesprekken en het feit dat medeverdachte 2 eerder ter zake van Opiumwet delicten is veroordeeld hebben uiteindelijk geleid tot een verdenking van drugssmokkel via de luchthaven Schiphol.

Naar aanleiding van het bovenstaande is onder leiding van officier van justitie mr. Haneveld door de Koninklijke Marechaussee, Team Zware Criminaliteit op 11 oktober 2013 een rechercheonderzoek gestart onder de naam “Gunn”. Tijdens dit onderzoek blijkt er ook sprake te zijn van nauwe contacten met iemand van de Koninklijke Marechaussee, hetgeen naderhand verdachte bleek te zijn.

Verdachte wordt verweten dat hij zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim, door als medewerker van de Koninklijke Marechaussee personen te bevragen in de systemen van de Koninklijke Marechaussee en de verkregen informatie door te spelen aan een ander, medeverdachte 1.

Voorts wordt verdachte verweten – in de rol van adviseur en door voornoemde bevragingen te verrichten om te controleren of koeriers en afhalers ongestoord konden reizen per vliegtuig – onderdeel te hebben uitgemaakt van een criminele organisatie, die als oogmerk had het plegen van misdrijven in het kader van de Opiumwet.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van hetgeen verdachte in feit 1 is tenlastegelegd omtrent bevraagde persoon 3, medeverdachte 2, bevraagde persoon 5, bevraagde persoon 7, bevraagde persoon 9 en verdachte .

Standpunt van de verdediging

Feit 1 – zaaksdossier B04

De raadsman van verdachte heeft gepleit voor (partiële) vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Inzake de bevragingen van medeverdachte 1 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet volgt dat verdachte de gegevens van de specifieke bevragingen ook heeft geopenbaard naar medeverdachte 1 anders dan dat verdachte uit gewoonte altijd zei tegen medeverdachte 1 dat “het goed was”.

Inzake de bevragingen van bevraagde persoon 8, bevraagde persoon 2, bevraagde persoon 6 en bevraagde persoon 11 kan niet bewezen worden dat verdachte de gegevens van de specifieke bevragingen heeft doorgegeven aan medeverdachte 1, dan wel aan een ander.

Inzake de bevraging van bevraagde persoon 11 heeft de raadsman zich bovendien op het standpunt gesteld dat – gelet op het feit dat verdachte een onjuiste persoonssleutel heeft ingevoerd – geen informatie betreffende de bedoelde bevraagde persoon 11 is verkregen en is doorgegeven.

Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de aard van de informatie inzake de bevragingen die verdachte heeft gedaan en welke hij heeft doorgegeven aan een derde, niet dusdanig was dat men over een ‘geheim’ in de zin van artikel 272 Wetboek van Strafrecht kan spreken. De raadsman voert hiertoe aan dat verdachte ofwel informatie doorgaf die de derde reeds bekend was dan wel zelf kon verkrijgen, ofwel verdachte enkel iets zei in de trant van “alles is goed”.

Feit 2 – zaaksdossier B06

De raadsman van verdachte heeft gepleit voor vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit, nu er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte heeft deelgenomen aan de vermeende criminele organisatie.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte en de systemen

Verdachte werkte bij de Kmar als opsporingsambtenaar in de functie van wachtmeester eerste klas en was werkzaam in de balie op Schiphol ten behoeve van Grensbewaking. Hij keek onder andere of iemand Nederland in – of uit mag reizen. Verdachte kon (onder meer) de volgende systemen raadplegen om zijn werkzaamheden uit te voeren: OPS/NSIS, tegenwoordig Grenscontrole (de rechtbank begrijpt: Grensapplicatie). Ook kon hij BPS, Basis Politie Systeem en BLS, Bevragen Landelijke Systemen raadplegen. Zijn gebruikersnaam voor BPS was ‘loggingcode verdachte’. De vertrouwelijke informatie was ten behoeve van de taak die hij verrichtte. Dat was voor verdachte de grensbewakingstaak en als hij bezig was met politiewerkzaamheden was dat voor de politietaak.

Het is binnen de Kmar uitdrukkelijk verboden om eerder genoemde politiesystemen anders dan voor de uitoefening van de dienst te gebruiken. Gebruikers van deze politiesystemen worden daar nadrukkelijk op gewezen bij de opleiding en toewijzing van autorisaties. Bij het inloggen op het netwerk van de Kmar wordt middels tekst gewezen op het feit dat de politiesystemen alleen ten behoeve van de dienst mogen worden gebruikt. De informatie die uit de bedoelde politiesystemen gehaald kan worden is zeer privacy gevoelig, geheim en mag alleen opgevraagd, gebruikt, geraadpleegd of verstrekt worden zoals beschreven in de Wet Politiegegevens. Een manier van zoeken in de loggingen gebeurt door het invoeren van een persoonssleutel. Een persoonssleutel bestaat uit de eerste vier letters van je achternaam, de eerste letter van de voornaam en laatste twee cijfers van het geboortejaar en wordt ook wel aangeduid als ‘Keno sleutel’ of ‘keno code’.

De bevragingen

Verdachte heeft erkend diverse bevragingen op verzoek van medeverdachte 1 gedaan te hebben. Verdachte wist dat het niet mocht wat hij deed. Alle bevragingen die verdachte heeft gedaan, heeft hij gedaan op Schiphol.

Verweren

De rechtbank overweegt ten aanzien van de verweren zoals door de raadsman naar voren zijn gebracht als volgt.

Bevragingen

Gelet op wat hiervoor onder de redengevende feiten en omstandigheden is vermeld, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bevragingen van voornoemde personen heeft gedaan en deze informatie – anders dan beroepsmatig – op enig moment heeft teruggekoppeld aan medeverdachte medeverdachte 1. Dat wordt overigens ook voor het grootste deel door verdachte erkend. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat ‘hoe’ en ‘wanneer’ binnen de ten laste gelegde periode verdachte deze verkregen informatie precies aan medeverdachte 1 heeft teruggekoppeld, niet ter zake doet, nu het enkele feit dat hij heeft gekeken en de verkregen informatie vervolgens terugkoppelde aan een ander, voldoende is voor een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bevraging van medeverdachte 1 als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij over een langere periode uit gewoonte medeverdachte 1 vele malen heeft bevraagd. Daarom doet niet ter zake dat wanneer medeverdachte 1 hem dan om informatie vroeg, verdachte pas achteraf – nadat hij had gezegd dat “alles goed” was – de volgende bevraging deed. Verdachte was immers door de vele eerdere bevragingen van medeverdachte 1 reeds bekend met de informatie in de systemen over medeverdachte 1 .

‘Geheim’ ex artikel 272 Wetboek van Strafrecht

In de rechtspraak wordt voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een geheim in de zin van dit artikel acht geslagen op onder meer de aard van de informatie, het moment dat de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en de hoedanigheid waarin deze hiervan kennis kreeg. Er kan ook sprake zijn van de schending van een geheim wanneer de informatie niet alleen bij de geheimhouder, maar ook bij andere instanties kan worden verkregen (HR 11 februari 2003, NJ 2003/274). Daarom is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat de verkregen informatie ook bij de bevraagde zelf bekend was of kon worden – bijvoorbeeld door bij het CJIB te informeren –, niets afdoet aan het feit dat deze doorgespeelde informatie vertrouwelijke informatie betrof.

De rechtbank merkt in dit kader voorts op dat de verkregen informatie niet enkel informatie behoefde te bevatten die reeds bekend was of kon worden bij de bevraagde, nu de verkregen informatie ook betrekking kon hebben op bijvoorbeeld lopende politieonderzoeken.

Wat betreft het feit dat de doorgespeelde informatie van verdachte veelal niet meer inhield dan enkele woorden in de trant van “alles is goed”, is de rechtbank van oordeel dat ‘geen informatie’, wel degelijk ook vertrouwelijke informatie betreft. Juist in onderhavig onderzoek was het doel van de bevragingen – voor medeverdachte 1 – onder meer om te bezien of de bevraagde personen ongehinderd langs de douane konden komen. In dat kader is de boodschap “alles is goed” van cruciaal belang, wat de doorgespeelde informatie voor de ontvanger ervan van grote waarde maakte.

Vrijspraak

Feit 1

De rechtbank zal verdachte, overeenkomstig de conclusie van de officier van justitie en het verzoek van de verdediging, vrijspreken van hetgeen onder feit 1 in de tenlastelegging is opgenomen omtrent bevraagde persoon 3, medeverdachte 2, bevraagde persoon 5, bevraagde persoon 7, bevraagde persoon 9 en verdachte .

Daarnaast acht de rechtbank evenmin bewezen dat verdachte ten aanzien van de persoon bevraagde persoon 11 zijn ambtsgeheim heeft geschonden. Zij zal verdachte ook hiervan vrijspreken.

Uit het dossier blijkt namelijk dat verdachte heeft bedoeld persoon bevraagde persoon 11 te bevragen, maar dat hij daarvoor de verkeerde persoonssleutel heeft gebruikt. Aldus heeft verdachte kennelijk informatie verkregen die niet de persoon bevraagde persoon 11 betrof, maar die verdachte wel aan hem heeft gekoppeld en die hij vervolgens zo (dus alsof het bevraagde persoon 11 betrof) aan medeverdachte 1 heeft doorgegeven (“niets aan de hand”. Deze aan medeverdachte 1 doorgegeven informatie was dus geen informatie die verdachte uit de systemen heeft gehaald en die geheim moest blijven.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat verdachte – juist ook gelet op zijn toenmalige hoedanigheid, te weten die van opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee en de lengte van zijn dienstverband – vermoedens moet hebben gehad dat medeverdachte 1 zich bezig hield met strafbare feiten. Aangenomen mag worden dat dit besef bij hem eerder doordrong dan bij ‘de normale burger’ het geval zou zijn. In die zin gaat de rechtbank niet mee met de verklaring van verdachte dat er ‘slechts sprake was van een (naïeve) vriendendienst’ waar hij bevragingen deed voor medeverdachte 1 en overige handelingen verrichtte, zoals onder meer het helpen met het boeken van een vliegticket en het geven van informatie over aankomende koffers en douanecontroles van passagiers.

Met het doorgeven van informatie heeft verdachte bijgedragen tot de verwezenlijking van het doel van de organisatie, namelijk het smokkelen van cocaïne naar Nederland via de luchthaven. Bezien vanuit het gezichtspunt van de organisatie, maakte verdachte er daarom mogelijk deel van uit.

De vraag is echter of verdachte zich realiseerde dat hij tot die organisatie behoorde en of hij zich realiseerde dat die organisatie het doel had om misdrijven te plegen.

Deze vragen beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier geen concrete feiten of omstandigheden bevinden, waaruit het onvoorwaardelijke opzet voor het deelnemen aan een criminele organisatie ten aanzien van verdachte kan worden afgeleid.

Uit de bewijsmiddelen in het dossier is allereerst niet gebleken dat verdachte actief betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne. Dat verdachte informatie uit de systemen van de Kmar op verzoek van medeverdachte 1 aan hem heeft verstrekt, lijkt met name gebaseerd te zijn op (het onderhouden van) de vriendschap met medeverdachte 1. Niet is gebleken dat verdachte zelf op enig moment uit eigen initiatief heeft gehandeld. Ook bevat het dossier geen aanwijzingen dat verdachte werd beloond voor zijn handelingen en voldoende is komen vast te staan dat verdachte over ruime legale inkomsten beschikte. Voorts heeft verdachte – anders dan medeverdachte 1 en diens medeverdachten bij de drugstransporten – gedurende het onderzoek gebruik gemaakt van hetzelfde telefoonnummer, en heeft hij niet geheimzinnig gehandeld met betrekking tot het gebruik van zijn telefoon(nummer). De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte, anders dan zijn medeverdachten, zich kennelijk niet genoodzaakt voelde zijn telefonische communicatie zoveel mogelijk verborgen te houden.

De rechtbank is gelet op alles wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat verdachte geen onderdeel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een taakstraf van 240 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF