Veroordeling wegens ambtelijke omkoping

Rechtbank Noord-Holland 1 mei 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:3803 Verdachte heeft zich door het verstrekken van giften schuldig gemaakt aan het omkopen van een ambtenaar. Hoewel niet zonder meer duidelijk is wie de eerste stap daartoe heeft gezet vormt de omstandigheid dat verdachte zelf het initiatief heeft genomen om met medeverdachte 1 in contact te komen een sterke aanwijzing dat hij degene is die de omkoping geïnitieerd heeft, hoewel de veroordeling van medeverdachte 1 van heden ook wijst op een gretigheid voor het meewerken aan omkoping. Verdachte heeft bovendien meegewerkt om de schijn op te houden dat het eerlijke transacties waren door een – nauwelijks bruikbaar – rapport in ontvangst te nemen en in te stemmen met de verhullende teksten op de facturen. Hierdoor heeft hij zich tevens schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.

Achergrond

Medeverdachte 1 is op 1 december 2006 als ambtenaar in dienst getreden bij de gemeente Haarlemmermeer met een voltijds dienstverband van 36 uur per week, in de functie van clustermanager Beheer & Onderhoud. Hij verrichtte daarnaast nevenwerkzaamheden via BV 2, waarin hij via BV 3 als DGA volledige zeggenschap heeft. Daarnaast verrichtte hij nevenwerkzaamheden via zijn eenmansbedrijf.

BV 4, waarvan verdachte DGA is, is bestuurder van BV 1. Verdachte heeft aan medeverdachte 2, directeur van De Waterwolf Dienstverlening Buitenruimte B.V. gevraagd hoe hij medeverdachte 1, van wie hij slechts wist dat hij bij de gemeente Haarlemmermeer werkte, kon benaderen. Verdachte en medeverdachte 2 hebben toen een gezamenlijke lunch georganiseerd, waarbij medeverdachte 1 ook werd uitgenodigd. Deze lunch vond plaats op 11 juni 2009. Hierna heeft verdachte drie mondelinge opdrachten gegeven aan BV 2. Niets is afgesproken over de termijn van levering van de tegenprestatie en niets is afgesproken over de prijs die medeverdachte 1 bij verdachte in rekening mocht brengen.

Verdachte heeft op 9 november 2009 € 23.841,65 overgemaakt op de bankrekening van BV 2 overeenkomstig de factuur 2009/LS0309 met als onderwerp: “1e fase Beeldkwaliteitplannen en gemeentelijke onderhoudsstrategieën in Zuid-Holland”.

Verdachte heeft hiervoor als tegenprestatie een door medeverdachte 1 opgestelde nota ontvangen ´Beheer Kwaliteit in de Openbare Ruimte'. Dit rapport bestaat uit passages van het bij de gemeente Haarlemmermeer eerder op verzoek van medeverdachte 1 door BV 5 uitgebrachte rapport “Integraal beheerkwaliteitsplan”.

Verdachte heeft op 2 december 2009 € 28.675,43 overgemaakt op de bankrekening van BV 2 overeenkomstig de factuur 2009/LS0311 met als onderwerp “Meerjaren structuurplannen en vraag gestuurd beheer en onderhoud”. medeverdachte 1 verklaart dat hij hiervoor geen fysiek product heeft aangeleverd.

Verdachte heeft op 17 december 2009 € 53.864,16 overgemaakt op rekening van BV 2 overeenkomstig de factuur 2009/LS0313 d.d. 7 december 2009 met als onderwerp; “Voorschot inhuur werkvoorbereiding contractering Noord en Zuid-Holland”. Hiervoor zijn geen werkzaamheden verricht. Op 9 december 2009 geeft medeverdachte 1 de opdracht “ Uitvoering Verhardingsmaatregelen 2008-2010” aan de Waterwolf. Op 16 december 2009 krijgt BV 1 van de Waterwolf opdracht voor genoemde verhardingsmaatregelen voor een bedrag van € 533.200.

De facturen van BV 2 zijn in de administratie van verdachte als ‘overige kosten’ geboekt op het project 9259, zijnde het project “Verhardingsmaatregelen 2008-2010”.

Bij een omvangrijk project via de gemeente Haarlemmermeer diende gebruik te worden gemaakt van de onderaannemer BV 1. Dit is volgens getuige 1 gebaseerd op een tussen verdachte, medeverdachte 1 en medeverdachte 2 mondeling gemaakte afspraak.

Alle projecten in het kader van het onderhoud aan de openbare ruimte moesten worden weggezet bij De Waterwolf, hoewel alle projectleiders, ook getuige 2, destijds manager van de afdeling OV&R bij de gemeente Haarlemmermeer, zelf, faliekant tegen waren, omdat zij vonden dat met gemeenschapsgeld zo efficiënt mogelijk moest worden omgegaan.

Op 9 december 2009 stuurde medeverdachte 1 een e-mail aan medeverdachte 2 met onder meer als inhoud: ”Hierbij geef ik jou opdracht conform bovenstaande omschrijving, op basis van de lijst met werkzaamheden, met een inspectiedatum van begin 2008 voor een totaalbedrag van € 878.000,00”.

De waarde van de omzet die BV 1 bij De Waterwolf realiseerde in 2006, 2007 en 2008 bedroeg respectievelijk € 43.128, € 95.639 en € 992. In 2009 heeft verdachte via zijn onderneming BV 1 bij De Waterwolf facturen ingeleverd ten bedrage van totaal ongeveer € 495.000. De eerste factuur was gedateerd 12 juni 2009. Hiernaast kreeg BV 1 van de Waterwolf op 16 december 2009 de opdracht van € 533.200.

Feit 1

Blijkens de eerste door medeverdachte 1 ingezonden factuur heeft hij met betrekking tot de eerste opdracht werkzaamheden verricht in juli en augustus 2009. Medeverdachte 1 heeft hiervoor een rapport van 15 bladzijden geleverd. Dit rapport is samengesteld uit passages die afkomstig zijn van een kort daarvoor door BV 5 aan de gemeente afgeleverd 31 pagina’s tellend rapport genaamd: “Integraal beheerkwaliteitplan”. De rechtbank stelt vast dat de tekst van het rapport van medeverdachte 1 nagenoeg geheel afkomstig is van het door BV 5 opgestelde rapport en overigens inclusief de foto’s een gelijke lay-out kent. medeverdachte 1 heeft BV 1 een prijs in rekening gebracht van € 23.841,65 die gebaseerd is op 206 uren aan werkzaamheden. Bij de doorzoeking bij BV 1 is het rapport van medeverdachte 1 niet aangetroffen. Met betrekking tot de vraag aan verdachte wat de aanleiding was voor de opdracht en waarvoor het rapport gebruikt is, is geen concreet antwoord gekomen. De rechtbank concludeert uit al het voorgaande dat hier materieel sprake is van een gift en dat het rapport dat medeverdachte 1 heeft opgesteld uitsluitend de functie had om de werkelijkheid te verhullen. Gelet op de aanvang van de werkzaamheden, juli 2009, en dat verdachte voor die datum medeverdachte 1 niet eerder ontmoet had, kan het niet anders dan dat die opdrachten rechtstreeks zijn voortgevloeid uit afspraken die zijn gemaakt tijdens de gezamenlijke lunch op 11 juni 2009.

De betaling van € 28.675,43 van BV 1 op rekening van BV 2 is gebaseerd op een mondelinge opdracht zonder afspraken over prijs en datum levering van de tegenprestatie. medeverdachte 1 heeft hiervoor geen fysiek product afgeleverd en omschrijft, net als verdachte, zijn tegenprestatie als het geven van adviezen. De rechtbank acht het onaannemelijk dat medeverdachte 1, zoals hij heeft verklaard 183 uren bezig is geweest met onderzoek en advisering ten behoeve van BV 1 terwijl dat geen enkel bewijs van inspanning van de zijde van medeverdachte 1 of enig ander resultaat heeft opgeleverd en de rechtbank ziet de betaling dan ook als een gift.

Op 17 december 2009 wordt op de rekening van BV 2 € 53.864,43 bijgeschreven van de rekening van BV 1 ter betaling van de factuur van 7 december 2009 met omschrijving “Voorschot inhuur werkvoorbereiding contractering Noord en Zuid-Holland”. Volgens verdachte is hier niks van terecht gekomen en heeft hij dit bedrag ten onrechte betaald. verdachte verklaarde ter terechtzitting dat BV 2 personeel aan BV 1 ter beschikking zou stellen dat BV 1 nodig had om de opdracht van De Waterwolf met betrekking tot de uitvoering van het verhardingsmaatregelenpakket uit te voeren. De opdracht daartoe is echter pas op 16 december 2009 aan BV 1 verstrekt. Het is onbegrijpelijk dat verdachte € 53.864,43 betaalt aan BV 2 voor de inhuur van personeel via BV 2 voor werkzaamheden waarvoor verdachte nog geen opdracht heeft ontvangen. In het licht van alle voornoemde omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat ook hier materieel sprake is van een gift en dient hetgeen door verdachte en medeverdachte 1 wordt verklaard eveneens ter verhulling van de werkelijke aard van de betaling.

Ten aanzien van het al dan niet in strijd met de plicht in zijn bediening iets hebben gedaan

Blijkens het onderzoek van Ernst & Young heeft BV 1 in 2009 totaal € 495.000 aan facturen verzonden aan De Waterwolf, waarvan voor ongeveer € 340.000 in de laatste twee maanden. Daarnaast is BV 1 op 16 december 2009 door De Waterwolf een opdracht gegund ter grootte van € 533.200. Gelet op de verklaringen van getuige 2 en getuige 1 wist De Waterwolf dat de opdrachten van de gemeente Haarlemmermeer met betrekking tot de openbare ruimte bij haar terecht zouden komen. BV 1 wist op haar beurt dat De Waterwolf de werkzaamheden naar haar zou doorzetten. De giften van BV 1 aan BV 2 hebben naar het oordeel van de rechtbank geen ander doel gehad dan te bewerkstelligen dat BV 1 de opdrachten, die de gemeente Haarlemmermeer aan De Waterwolf verstrekte, geheel of gedeeltelijk mocht uitvoeren. Aldus heeft medeverdachte 1 in strijd met zijn plicht als ambtenaar gehandeld, welke plicht onder meer inhoudt dat de ambtenaar integer handelt, neutraal te werk gaat en aan anderen geen persoonlijke voorkeurspositie toekent en nog minder, dat hij zich laat betalen om aan een ander een opdracht te gunnen of te laten gunnen.

Feit 2

Nu verdachte het ten laste gelegde ten aanzien van de facturen genoemd onder 2, tweede, derde en vierde liggende streepjes heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak daarvan is bepleit, is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering.

Hoewel de verdediging betwist dat drie facturen vals zijn, kan uit de inhoud van de verklaringen van verdachte en het pleidooi niet anders dan geconcludeerd worden dat die facturen niet, dan wel niet geheel, overeenkomstig de werkelijkheid zijn, omdat de opgegeven werkzaamheden niet dan wel niet volledig zijn verricht, terwijl de factuur doet voorkomen dat dit wel het geval is. Dat maakt de facturen wel degelijk vals.

De verdediging heeft er op gewezen dat verdachte van medeverdachte 2 te horen kreeg wat op de factuur moest komen staan, maar dat maakt de conclusie niet anders. Voorts bracht de verdediging naar voren dat medeverdachte 2 ter vermijding van betaling van vennootschapsbelasting – De Waterwolf leek af te stevenen op winst – een voorziening in 2009 wilde treffen om de heffing minder te doen zijn, en hij dacht dat voortijdige facturering daarvoor een geschikt middel kon zijn. Afgezien van de vraag of de gedachte van medeverdachte 2 juist is, ziet de rechtbank daarin geen grond om te concluderen dat het valse karakter van de facturen daaraan om die reden komt te ontvallen. Verder heeft de verdediging er op gewezen dat achter de facturering een verrekening schuil ging tussen BV 1 en De Waterwolf. Hoewel de verklaringen van verdachte en medeverdachte 2 een grote gelijkenis tonen, maar ook gedeeltelijk niet gelijkluidend zijn, erkent verdachte dat daarvan niets op papier staat. Wat daar van zij, deze omstandigheid ontdoet de facturen niet van hun vals karakter.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of een ambtenaar een gift doen naar aanleiding van hetgeen deze in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, heeft gedaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de leeftijd van verdachte. Ten slotte heeft de rechtbank er mee rekening gehouden dat verdachte zijn bedrijf heeft verkocht en geld terug gestort heeft op de rekening van De Waterwolf teneinde met dat bedrijf schoon schip te maken, zoals verdachte dat heeft genoemd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Nieuw OESO rapport over omkoping van buitenlandse ambtenaren'

Op 2 december 2014 is door de OESO een belangrijk rapport gepubliceerd over de vorderingen op het gebied van de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren door bedrijven. In diverse landen is de wetgeving aangescherpt en internationale organisaties hebben anticorruptierichtlijnen uitgevaardigd. Vooral de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk hanteren strenge anticorruptiewetgeving met extraterritoriale werking, waarmee − zo leert de praktijk − ook Nederlandse ondernemers te maken kunnen krijgen. Het OECD Foreign Bribery Report toont aan dat meer aandacht voor anticorruptiebestrijding noodzakelijk is. Daarbij komt een belangrijke rol toe aan commissarissen en het senior management van bedrijven. De ‘tone at the top’ is immers (mede) bepalend voor de cultuur van een bedrijf. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Gerechtshof verklaart klagers niet-ontvankelijk in beklag tegen beslissing van OvJ om ABN AMRO niet te vervolgen ter zake van omkoping

Gerechtshof Den Haag 21 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1042 Deze artikel 12 Sv-procedure richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie van het Functioneel Parket om de ABN AMRO Bank N.V. als rechtsopvolgster van Fortis Bank (Nederland) N.V. niet te vervolgen ter zake van omkoping.

Achtergrond

Klagers hebben bij brief van 29 november 2013 aangifte tegen beklaagde gedaan van onder meer omkoping, die volgens klagers redelijkerwijs kan worden toegerekend aan ABN AMRO als rechtsopvolger van Fortis. Namens het OM is klagers bericht dat niet tot strafvervolging van de aangegeven feiten zal worden overgegaan. Tegen die beslissing van de officier van justitie richt zich het beklag op grond van artikel 12 Sv.

Het beklag strekt er toe om een strafrechtelijk onderzoek te gelasten ter zake van de (ambtelijke) omkoping van naam 1, medewerker van woningcorporatie Vestia, met provisiegelden die verbonden waren aan de verkoop van financiële producten en  dienstverlening van Fortis door  middel van de financiële dienstverlening van een onafhankelijke intermediair, meer specifiek via de tussenpersoon handelend onder de naam 2, zoals deze zich zou hebben voorgedaan in de jaren 2004 tot en met 2009. Klagers verzoeken tevens ter zake van die gestelde feiten de strafrechtelijke vervolging te gelasten van ABN AMRO, als rechtsopvolger van Fortis.

Ontvankelijkheid van het beklag

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat klager CFV niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het beklag en dat het beklag voor het overige dient te worden afgewezen. Klagers persisteren bij hun beklag.

Ten aanzien van klager CFV

Mevrouw Braal-Verhoog heeft het belang van CFV in raadkamer van 18 februari 2015 aldus toegelicht dat dit primair gelegen is in de rol van CFV als beheerder van het Saneringsfonds, waaruit 675 miljoen euro aan Vestia is uitgekeerd, teneinde een faillissement van Vestia af te wenden.

Desgevraagd heeft mevrouw Braal-Verhoog te kennen gegeven dat de financiële middelen waaruit het Saneringsfonds uitkeringen doet, door CFV verkregen worden door heffingen op te leggen aan de woningbouwbouwcorporaties.

Volgens mevrouw Braal-Verhoog heeft het CFV als publiekrechtelijke organisatie bovendien de maatschappelijke taak om aangifte te doen van strafbare feiten en aldus zorg te dragen voor het belang dat de maatschappij heeft bij de vervolging van strafbare feiten die een maatschappij ontwrichtend element in zich dragen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering kan een rechtstreeks belanghebbende schriftelijk beklag doen indien een strafbaar feit niet wordt vervolgd. Volgens de wet en vaste rechtspraak wordt onder rechtstreeks belang verstaan een objectief bepaalbaar en specifiek eigen belang van klager.

Het behartigen van een maatschappelijk belang, zoals klager kennelijk als publiekrechtelijke organisatie  voorstaat, is volgens vaste rechtspraak onvoldoende specifiek om als rechtstreeks eigen belang als bedoeld in de wet aan te merken.

Het hof overweegt voorts dat het CFV op grond van de Woningwet weliswaar belast is met het financiële toezicht op de woningbouwcorporaties, maar dat het CFV door de bestreden beslissing niet rechtstreeks in dat belang is geraakt, nu de middelen die CFV aan Vestia heeft uitgekeerd zijn bijeengebracht door woningbouwcorporaties. Niet is vastgesteld  dat klager vertegenwoordiger is van de betrokken woningcorporaties en niet is gebleken dat klager zich heeft gesteld als schriftelijk gemachtigde van de betrokken woningcorporaties.

Bovendien concludeert het hof dat noch uit hetgeen klager naar voren heeft gebracht, noch uit de in dit dossier gevoegde onderzoekrapportages is gebleken van een rechtstreeks verband tussen enerzijds de door CFV aan Vestia verstrekte gelden ter leniging van de financiële nood die het gevolg is geweest van financieel wanbeleid bij deze woningcorporatie en anderzijds de verkoop aan Vestia van financiële producten van Fortis via financiële dienstverlening van een intermediair.

Dit leidt tot de conclusie dat klager CFV niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het beklag.

Ten aanzien van klager Vestia

Op grond van het verhandelde in raadkamer van 28 februari 2015 en de daarna binnengekomen stukken als hierboven vermeld, stelt het hof vast dat de klacht zich uitsluitend richt op de vervolging van beklaagde, als rechtsopvolger van Fortis, vanwege het vermeende strafbare handelen van financieel intermediair naam 2 - een tussenpersoon die financiële producten van Fortis verkocht aan Vestia - dat aan Fortis zou zijn toe te rekenen.

Het hof ziet zich bij de beoordeling van het beklag allereerst voor de vraag gesteld of beklaagde kan worden beschouwd als rechtsopvolger van Fortis en overweegt daartoe als volgt.

Klaagster refereert aan een boetebesluit van de financiële toezichthouder AFM, opgelegd aan ABN AMRO wegens het niet of onvoldoende verstrekken van inlichtingen en voor onderzoek benodigde gegevens met betrekking tot het handelen van Fortis. Het boetebesluit concentreert zich echter niet op het handelen van Fortis zelf.

Hoewel beklaagde in de context van dat boetebesluit door de AFM als rechtsopvolger van Fortis wordt aangemerkt en hoewel ook in de onderhavige beklagzaak klagers en het openbaar ministerie de term “rechtsopvolger” hanteren, dient het hof na te gaan of in casu sprake is geweest van rechtsopvolging in strafrechtelijke zin. Rechtsopvolging in de civielrechtelijke betekenis en in bestuursrechtelijke zin impliceert naar het oordeel van het hof niet dat zonder meer ook sprake is van strafrechtelijke rechtsopvolging.

Van rechtsopvolging in de strafrechtelijke betekenis kan sprake zijn wanneer de maatschappelijke realiteit met zich meebrengt dat de ontbonden rechtspersoon, die zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, wordt voortgezet door een opvolgend rechtspersoon terwijl er maatschappelijk gezien sprake is van identiteit tussen de oude en de nieuwe rechtspersoon. Voor vaststelling van die reïncarnatie zijn echter meer feiten en omstandigheden vereist dan het gegeven dat zowel Fortis als ABN AMRO (nieuw) financiële ondernemingen zijn als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht(Wft) en dat ABN AMRO zich mede heeft gericht op het door de ontbonden Fortis achtergelaten marktsegment. Identiteit tussen voorganger en opvolger alleen op die grond aannemen is niet mogelijk, alleen al niet omdat er meer bankinstellingen in dezelfde financiële markt waar ook Fortis opereerde actief zijn.

Van belang voor de vaststelling van een eventuele reïncarnatie is in het bijzonder of ABN AMRO dezelfde, voor Fortis kenmerkende, activiteiten voortzette. Daarvan is het hof na bestudering van hetgeen klaagster naar voren heeft gebracht en van het in deze zaak opgemaakte dossier niet gebleken. Het dossier bevat  wel aanwijzingen dat ABN AMRO duidelijk afstand wilde nemen van activiteiten van Fortis.

Bovendien kan in dit verband na de deconfiture van Fortis niet worden geconstateerd dat de activiteiten van ABN AMRO (nieuw), die daarvoor in de plaats kwamen, worden geleid door dezelfde personen terwijl ook het hoofdkantoor van Fortis niet meer – ook niet met een andere naam - bestaat.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot het  oordeel dat geen sprake is van een rechtsopvolging in strafrechtelijke zin en concludeert dat mitsdien klager Vestia niet-ontvankelijk is in het beklag.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Directeur van een publieke omroep heeft zich laten omkopen. Hierdoor heeft hij meegewerkt aan subsidiefraude, fraude met facturen en hij heeft belastingfraude gepleegd.

Rechtbank Rotterdam 23 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2850 De verdachte heeft in een tijdsbestek van enkele jaren een groot aantal strafbare feiten gepleegd. Hij heeft zich als directeur van een publieke omroep laten omkopen, hij heeft meegewerkt aan subsidiefraude en fraude met facturen en hij heeft belastingfraude gepleegd. Na zijn ontslag bij omroep 1 heeft hij bovendien een overeenkomst vervalst om intellectuele eigendomsrechten van omroep 1 elders te kunnen verkopen.

Feit 1

De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte en medeverdachte 1 en medeverdachte 2 de in de tenlastelegging genoemde facturen van onderneming 4 aan onderneming 1, onderneming 2, respectievelijk onderneming 3 valselijk hebben opgemaakt, nu daarop – in strijd met de waarheid – staat vermeld dat de gefactureerde bedragen zien op werkzaamheden die de medeverdachte 1 (de directeur van onderneming 4) voor deze bedrijven zou hebben verricht.

De verdediging heeft vrijspraak van dit feit bepleit.

De aan onderneming 1 gerichte facturen

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de aan onderneming 1 gerichte facturen vals zijn. Weliswaar heeft medeverdachte 2 tegenover de FIOD verklaard dat medeverdachte 1 niet voor onderneming 1 heeft gewerkt, maar hieraan kan naar het oordeel van de rechtbank geen gewicht van betekenis worden toegekend. Blijkens de processen-verbaal van verhoor van de verdachte zijn vermoedens die de FIOD in dat stadium van het onderzoek had, aan haar gepresenteerd als vaststaande feiten. Ook zijn feiten voorgehouden die onjuist zijn en lijken haar bij de weergave van haar antwoorden dingen in de mond te zijn gelegd, hetgeen ernstige afbreuk doet aan de bruikbaarheid van die verklaringen. Het dossier en het verhandelde ter zitting biedt overigens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor dit onderdeel van het aan de verdachte tenlastegelegde feit. De belastende verklaring van medeverdachte 4 ten aanzien van de aan onderneming 1 gerichte facturen, is daarvoor onvoldoende. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.

De aan onderneming 2 gerichte facturen

De verdachte zal ook worden vrijgesproken van het valselijk opmaken van de aan onderneming 2 gerichte facturen. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van medeverdachte 3, over door medeverdachte 1 verrichte werkzaamheden voor onderneming 2 en het maken van vaste afspraken over de betaling, onvoldoende weerlegging in het dossier, zodat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de aan onderneming 2 gerichte facturen vals zijn.

De aan onderneming 3 gerichte facturen

De verdediging heeft ten aanzien van dit onderdeel eveneens vrijspraak bepleit, omdat de werkzaamheden van onderneming 2 na het faillissement zijn overgaan op onderneming 3 en onderneming 4 werd geïnstrueerd om met het oog daar op in het vervolg aan onderneming 3 te factureren. De facturen zijn dan ook niet vals, aldus de verdediging.

De rechtbank volgt de verdediging niet in dit standpunt en is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de aan onderneming 3 gerichte facturen vals zijn. Getuige 1, werkzaam bij onderneming 3, welk bedrijf verantwoordelijk was voor de productie van het programma Meeting Point, heeft tegenover de FIOD verklaard dat onderneming 3 onderneming 4 niet heeft ingehuurd. Die verklaring wordt bevestigd door getuige 6, destijds eveneens werkzaam bij onderneming 3. Deze verklaringen vinden op geen enkele wijze weerlegging in het dossier. Het standpunt van de verdediging dat het hier zou gaan om werkzaamheden die na het faillissement van onderneming 2 voor rekening van onderneming 3 zouden zijn uitgevoerd, is onvoldoende onderbouwd.

De betrokkenheid van de verdachte als medepleger bij dit feit blijkt uit zijn e-mail van 28 juli 2007 waarin hij medeverdachte 2 instrueert dat aan onderneming 3 gefactureerd moest worden.

Feit 2

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 7 februari 2005 tot en met 7 juni 2006, samen met een ander of anderen, de bedrijfsadministratie van omroep 1 valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door daarin vijf facturen op te (laten) nemen, afkomstig van onderneming 5 gericht aan omroep 1, waarop telkens bedragen waren gefactureerd voor verrichte leveringen of diensten, die in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden.

De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van dit feit en zal de verdachte daarvan vrijspreken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de gefactureerde leveringen/diensten niet zijn verricht. Het is hooguit opvallend te noemen dat het werkzaamheden betreft waarvoor is gecontracteerd met het bedrijf onderneming 1, terwijl die werkzaamheden ook door een medewerker van dat bedrijf zijn uitgevoerd. Dit is echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat de vijf op naam van onderneming 5 gestelde en in de administratie van omroep 1 opgenomen facturen vals zijn, zoals verweten, nu onderneming 5 en onderneming 1 aan elkaar gelieerde bedrijven zijn.

Feit 3

Aan de verdachte is tenlastegelegd – kort gezegd – betrokkenheid bij valsheid in geschrifte bij drie aan Media gerichte subsidieaanvragen en de daarbij behorende intentieverklaringen1. De rechtbank acht dit feit bewezen voor zover het gaat om de producties ‘Is this the will of Allah’ en ‘Trails from the East’ en acht dit feit niet bewezen voor zover het gaat om de productie ‘On the edge of death and life’. Daartoe wordt het volgende overwogen.

‘Is this the will of Allah?’

In de aanvraag voor ‘Is this the will of Allah’ d.d. 27 april 2005 en de (door de verdachte ondertekende) intentieverklaring d.d. 21 april 2005 staat een bijdrage van omroep 1 van € 420.000, terwijl in werkelijkheid een bijdrage van € 1500 of lager werd voorzien. Dat die bijdrage € 150.000 of minder zou zijn, blijkt uit de tussen medeverdachte vennootschap en omroep 1 gesloten overeenkomsten d.d. 24 maart 2004 en 18 september 2006 met daarin bijdragen genoemd van € 150.000 respectievelijk € 100.000 en uit de e-mail d.d. 28 oktober 2004 van medeverdachte 5 aan de verdachte, waarin medeverdachte 5 aan de verdachte vraagt om een brief waarin een bijdrage van omroep 1 van € 360.0002wordt genoemd, terwijl hij gelijktijdig bevestigt dat de bijdrage van omroep 1 € 150.000 is en in overleg mogelijk zelfs minder wordt. De verklaring van de verdachte en van medeverdachte 5 dat het bedrag van € 420.000 destijds wel degelijk een feitelijke basis had, is strijdig met de inhoud van deze stukken en onvoldoende onderbouwd. De rechtbank hecht daarom geen geloof aan die verklaring.

De rol van de verdachte bij deze valsheid in geschrifte bestaat uit het ondertekenen van de intentieverklaring. Hij deed dit – gelet op de hiervoor al genoemde e-mail d.d. 28 oktober 2004 – in de wetenschap dat deze bedoeld was om een subsidieaanvraag bij de Europese Commissie te doen. Zijn betrokkenheid bij dit feit is dan ook essentieel en zijn handelen kwalificeert als medeplegen.

‘On the edge of death and life’

De verdachte zal worden vrijgesproken voor zover het betreft productie ‘The edge of death and life’. De verdachte ontkent de op zijn naam opgestelde intentieverklaring te hebben getekend en door de FIOD wordt dit in zoverre onderschreven dat zij twijfel hebben aan de echtheid van de handtekening die op die intentieverklaring staat (zie AH-72).

‘Trails from the East’

In de aanvraag voor ‘Trails from the East’ d.d. 10 juni 2004 en de (door de verdachte ondertekende) intentieverklaring d.d. 14 juli 2004 – maar later ook in het Final financial report – staat een bedrag van € 375.000 als bijdrage van omroep 1. In de overeenkomst d.d. 23 maart 2004 tussen omroep 1 en medeverdachte vennootschap staat evenwel een bijdrage van € 200.000 en dat bedrag wordt bevestigd in een ongedateerde brief van medeverdachte 5 aan getuige 2. Kortom, zowel bij de aanvraag aan als bij de afrekening met Media wordt een te hoge bijdrage van omroep 1 voorgehouden. Dat kan geen gevolg zijn van verschillende gehanteerde begrotingsmethoden, omdat omroep 1 niet meer heeft bijgedragen dan zij heeft bijgedragen (volgens de projectlijst gevonden bij omroep 1 waren de werkelijke kosten € 194.553,42).

Dat medeverdachte 5 aan Media bewust een onjuist beeld schetste over de hoogte van omroep 1 bijdrage en dat de verdachte zich daarvan bewust was, blijkt uit de e-mail d.d. 13 juli 2004 van medeverdachte 5 aan verdachte, waarin hij aan verdachte vraagt om een nieuwe intentieverklaring voor € 485.000 om subsidie aan te vragen, terwijl hij gelijktijdig bevestigt dat het contract van kracht blijft; de gevraagde intentieverklaring is – zo drukt medeverdachte 5 het in die e-mail uit – van generlei waarde en slechts visaas.

Ook bij deze valsheid in geschrifte bestaat de rol van de verdachte uit het ondertekenen van de valse intentieverklaring. Ook hier geldt dat dit een essentieel onderdeel vormt van het gepleegde strafbare feit en dat hij als medepleger is aan te merken.

Effect van de aanvragen en intentieverklaringen

Met de aanvragen en de bijgevoegde intentieverklaringen is naar Media / de Commissie toe een onjuist beeld geschetst. De documenten zijn dan ook valselijk opgemaakt en gebruikt.

Het verweer dat intentieverklaringen in de subsidiepraktijk van de mediawereld geen werkelijke betekenis hebben, wordt verworpen. De rechtbank acht op zich aannemelijk dat de bindende kracht van een dergelijke verklaring gering is, in de betekenis dat omroepen in de praktijk hierop terug (kunnen) komen en dat ook Media weet dat toegezegde bijdragen kunnen veranderen of zelfs worden ingetrokken, zonder dat hierdoor in de praktijk de subsidie in gevaar komt. Dat is echter geen vrijbrief om aan de subsidiegever een op voorhand al fictieve deelname voor te spiegelen.

Feit 4

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van augustus 2007 tot en met maart 2009 opzettelijk een vals Contract Agreement tussen omroep 1 en onderneming 5, betreffende de uitzendrechten voor de programma’s “the 99 beautiful names of Allah” en “the Koran recitals”, voorhanden heeft gehad, waarin in strijd met de waarheid de uitzendrechten van omroep 1 betreffende deze programma’s onder meer zijn beperkt tot de Benelux, terwijl in werkelijkheid deze rechten volledig bij omroep 1 lagen.

De verdachte ontkent niet dat hij het bedoelde Contract Agreement in zijn bezit heeft gehad, maar volgens hem betrof het een oud contract, opgesteld vóór het later door omroep 1 met onderneming 1 afgesloten contract. Hij heeft dit oude contract weliswaar ondertekend, maar nooit gebruikt omdat hij er geen goed gevoel bij had. Vervolgens is op 1 januari 2005 het contract gesloten tussen omroep 1 en onderneming 1, op basis waarvan de uitzendrechten van de programma’s “the 99 beautiful names of Allah” en “the Koran recitals” volledig bij omroep 1 liggen. Het is juist dat er vanuit Indonesië interesse is getoond voor beide programma’s maar volgens de verdachte heeft hij toen gezegd dat daarvan nieuwe opnamen gemaakt moesten worden, omdat de rechten bij omroep 1 lagen.

De rechtbank volgt de verdachte niet in zijn verklaring en verwijst daarbij naar e-mailcorrespondentie tussen hem en betrokkene 1, gevoerd begin augustus 2007. Hieruit blijkt dat de verdachte na zijn ontslag bij omroep 1 op 4 juli 2007 naar mogelijkheden zoekt om zaken te doen. Hij biedt aan betrokkene 1 filmmateriaal aan en merkt op dat het voor hem niet moeilijk is om aan materiaal te komen. Hij bezit alle originele moederbanden en krijgt alle materiaal dat nodig is, maar dat moet geheim blijven. Gevraagd naar de rechten van omroep 1 programma’s laat de verdachte aan betrokkene 1 weten dat hij hem een verklaring zal doen toekomen over de rechten van “de schone namen” en de “koran recitals”. Vervolgens stuurt de verdachte op 5 augustus 2007 een e-mailbericht aan medeverdachte 4 met het verzoek om het als bijlage meegezonden concept Agreement, met daarin opgenomen een beperking van de uitzendrechten van omroep 1 tot de Benelux ten aanzien van “the 99 beautiful names of Allah” en “the Koran recitals”, uit te werken op briefpapier van onderneming 5 en aan hem te retourneren.

Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de verdachte, die wist dat de uitzendrechten van beide programma’s volledig bij omroep 1 lagen, wel degelijk de bedoeling heeft gehad om het bij hem aangetroffen Contract Agreement, met daarin de beperking van de uitzendrechten van omroep 1, te gebruiken. Zij acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van maart 2004 tot en met december 2008 als directeur van omroep 1 van verschillende personen giften heeft ontvangen en deze in strijd met de goede trouw niet heeft gemeld aan omroep 1.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van een kortere pleegperiode dan de periode die is tenlastegelegd, aangezien de verdachte op 4 juli 2007 op staande voet is ontslagen en sedertdien geen werkzaamheden meer heeft verricht voor omroep 1. Daarnaast kan op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte, als directeur van omroep 1, giften - te weten een vordering van betrokkene 2 op getuige 3 (cessie) ten bedrage van ongeveer € 20.000 en een bedrag van 170.000 dirham heeft aangenomen. De hieromtrent door de verdachte gegeven uitleg omtrent de herkomst, betekenis en bestemming van deze geldbedragen, vindt onvoldoende weerlegging in het dossier, zodat de verdachte voor deze onderdelen zal worden vrijgesproken.

Dit geldt ook voor de contante betalingen die door getuige 4 aan de verdachte zouden zijn gedaan. getuige 4 heeft naar aanleiding van door de FIOD aan hem getoonde aantekeningen van de verdachte verklaard dat hij zich door de verdachte heeft laten chanteren en aan hem sedert 2005 zo’n € 50.000 heeft betaald, meestal € 2.750 per uitzending. De verdachte ontkent dat hij geldbedragen van getuige 4 heeft aangenomen en heeft verklaard dat bedoelde aantekeningen in D-100 zien op extra kosten ( € 75 per minuut) die omroep 1 heeft moeten maken voor de productie van getuige 4 omdat hij zijn werk niet goed deed. Aan het eind zouden deze kosten met hem verrekend worden, zoals contractueel was vastgelegd. Deze verklaring van de verdachte vindt in zekere mate steun in de verklaring van getuige 5, die bevestigt dat getuige 4 slecht werk leverde en hij twee afleveringen van zijn productie Drive niet heeft geleverd. Nu bovendien de aantekeningen van de verdachte in D-100 voor meerdere uitleg en interpretatie vatbaar zijn, en overigens de verklaring van getuige 4 onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, zal ook voor dit onderdeel vrijspraak volgen.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte giften heeft aangenomen in de vorm van betalingen, voor rekening van medeverdachte 5, met een door medeverdachte 5 aan hem ter beschikking gestelde American Express creditcard en hij dit niet aan zijn werkgever heeft gemeld. Zij baseert dit oordeel mede op de bekennende verklaring die de verdachte hieromtrent heeft afgelegd bij de FIOD. Weliswaar heeft de verdachte bij de rechter-commissaris en ook ter zitting verklaard dat hij niet meer achter zijn bij de FIOD afgelegde verklaringen staat, omdat de omstandigheden waaronder hij werd gehoord voor hem zeer belastend waren. Echter, noch uit de door de verdachte geschetste omstandigheden, noch uit de processen-verbaal van verhoor vloeit voort dat sprake is geweest van een zodanige op de verdachte uitgeoefende druk dat aan zijn verklaringen bij de FIOD geen waarde kan worden gehecht. Ook het verwijt voor zover dat ziet op de door medeverdachte 5 aan de verdachte gegeven televisie met DVD-recorder en toebehoren ter waarde van ruim € 13.000 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. Door de verdediging is aangevoerd dat omroep 1 op de hoogte was van het feit dat de verdachte gebruik maakte van die apparatuur. Dit doet echter niet af aan het feit dat omroep 1 er niet van op de hoogte was dat na verloop van een jaar of twee medeverdachte 5 de bruikleen achterhaald vond, de apparatuur niet meer terugverlangde en de verdachte deze ook niet heeft geretourneerd. Onder die omstandigheden dient de apparatuur, daargelaten de aanvankelijke intentie van bruikleen, alsnog te worden aangemerkt als een gift waarvan de verdachte melding had dienen te maken aan zijn werkgever.

Feit 6

De verdediging heeft vrijspraak van dit feit bepleit, nu de verdachte niet opzettelijk onjuiste aangiftes inkomstenbelasting over de jaren 2004 tot en met 2008 heeft gedaan. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte vanaf 20 juni 2004 een creditcard tot zijn beschikking had voor rekening van medeverdachte 5. De verdachte heeft op 5 november 2009 tegenover de FIOD verklaard dat hij zakelijke kosten die hij met die creditcard had betaald, ook bij omroep 1 heeft gedeclareerd. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij eveneens privé-uitgaven met de creditcard van medeverdachte 5 heeft betaald. Zowel de hiervoor genoemde door omroep 1 betaalde bedragen als de privé-uitgaven die de verdachte met de creditcard heeft gedaan, zijn te beschouwen als inkomsten in de zin van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001.

Dat alle met de creditcard van medeverdachte 5 door Williams gedane uitgaven zagen op (on)kosten die door de verdachte zijn gemaakt voor de programma’s van medeverdachte 5 en dus niet dienen te worden aangemerkt als inkomsten, zoals de verdediging ter zitting heeft bepleit, wordt weerlegd door de verklaring van de verdachte tegenover de FIOD. Daaruit blijkt dat hij ook privé-uitgaven met die creditcard heeft betaald. Overigens is niet gebleken dat de verdachte de bedragen ter zake van die privé-uitgaven aan medeverdachte 5 heeft vergoed.

Deze inkomsten uit of in verband met de dienstbetrekking hadden in de desbetreffende aangifte(s) inkomstenbelasting van de verdachte moeten worden opgenomen, hetgeen niet is gebeurd. Gelet op de verklaring van de verdachte tegenover de FIOD, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wist dat hij meer inkomsten genoot dan hij had opgegeven in zijn aangifte(s) en dat hij dat meerdere bewust buiten zijn aangifte(s) heeft gelaten. Hij heeft derhalve opzettelijk onjuist(e) aangifte(s) gedaan.

Bewezenverklaring

1. primair: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

3. medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

4. opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet  dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

5. anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd;

6. opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt gegeven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging 

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hooijmaijers-zaak: 2,5 jaar cel voor oud-gedeputeerde

Ton Hooijmaijers, een oud-gedeputeerde van de provincie Noord-Holland, is veroordeeld tot 2,5 jaar gevangenisstraf voor omkoping, valsheid in geschrift en witwassen. Het gerechtshof Amsterdam heeft dit vandaag beslist. Het Openbaar Ministerie eiste 4 jaar. De rechtbank legde eerder 3 jaar op. Het hof heeft minder feiten bewezen verklaard dan de rechtbank en heeft mede daardoor een lagere gevangenisstraf opgelegd.

Ambtelijke omkoping

De verdachte liet zich betalen door ondernemers uit voornamelijk de vastgoedsector. Volgens de verdachte hielden die betalingen geen verband met het feit dat hij gedeputeerde was, maar hadden deze betrekking op door hem gegeven adviezen. Volgens het hof had de verdachte minimaal moeten vermoeden dat de betalingen en beloften zijn gedaan met het oog op zijn functie bij de provincie. Zijn omkopers hadden belang bij een gedeputeerde die hen gunstig gezind was. In een aantal gevallen heeft de verdachte zich zelfs ingezet voor provinciale projecten, terwijl hij in dat verband betalingen of een belofte had aangenomen.

Betalingen via makelaar

De verdachte heeft zijn werkwijze jarenlang verborgen kunnen houden. Dat deed hij onder meer door betalingen via een vennootschap van een bevriende makelaar,  Arnold vd K, te laten lopen. Op de facturen was in strijd met de waarheid vermeld dat de betalingen betrekking hadden op adviezen.

Andere verdachten

De makelaar is door het hof veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf van 240 uur. Het hof heeft, net als de rechtbank, de echtgenote van de verdachte (Jocelyne P.) vrijgesproken.

Motivering straf

Volgens het hof heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in een politiek bestuurder. Corruptie tast de fundamenten van onze democratische rechtsstaat aan. Het hof vindt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enig juiste sanctie. Aanleiding voor enige strafmatiging ziet het hof in de gevolgen van zijn strafvervolging voor de verdachte en zijn gezinsleden.
De uitspraak wordt later gepubliceerd.
Print Friendly and PDF ^