Directeur van een publieke omroep heeft zich laten omkopen. Hierdoor heeft hij meegewerkt aan subsidiefraude, fraude met facturen en hij heeft belastingfraude gepleegd.

Rechtbank Rotterdam 23 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2850 De verdachte heeft in een tijdsbestek van enkele jaren een groot aantal strafbare feiten gepleegd. Hij heeft zich als directeur van een publieke omroep laten omkopen, hij heeft meegewerkt aan subsidiefraude en fraude met facturen en hij heeft belastingfraude gepleegd. Na zijn ontslag bij omroep 1 heeft hij bovendien een overeenkomst vervalst om intellectuele eigendomsrechten van omroep 1 elders te kunnen verkopen.

Feit 1

De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte en medeverdachte 1 en medeverdachte 2 de in de tenlastelegging genoemde facturen van onderneming 4 aan onderneming 1, onderneming 2, respectievelijk onderneming 3 valselijk hebben opgemaakt, nu daarop – in strijd met de waarheid – staat vermeld dat de gefactureerde bedragen zien op werkzaamheden die de medeverdachte 1 (de directeur van onderneming 4) voor deze bedrijven zou hebben verricht.

De verdediging heeft vrijspraak van dit feit bepleit.

De aan onderneming 1 gerichte facturen

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de aan onderneming 1 gerichte facturen vals zijn. Weliswaar heeft medeverdachte 2 tegenover de FIOD verklaard dat medeverdachte 1 niet voor onderneming 1 heeft gewerkt, maar hieraan kan naar het oordeel van de rechtbank geen gewicht van betekenis worden toegekend. Blijkens de processen-verbaal van verhoor van de verdachte zijn vermoedens die de FIOD in dat stadium van het onderzoek had, aan haar gepresenteerd als vaststaande feiten. Ook zijn feiten voorgehouden die onjuist zijn en lijken haar bij de weergave van haar antwoorden dingen in de mond te zijn gelegd, hetgeen ernstige afbreuk doet aan de bruikbaarheid van die verklaringen. Het dossier en het verhandelde ter zitting biedt overigens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor dit onderdeel van het aan de verdachte tenlastegelegde feit. De belastende verklaring van medeverdachte 4 ten aanzien van de aan onderneming 1 gerichte facturen, is daarvoor onvoldoende. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.

De aan onderneming 2 gerichte facturen

De verdachte zal ook worden vrijgesproken van het valselijk opmaken van de aan onderneming 2 gerichte facturen. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van medeverdachte 3, over door medeverdachte 1 verrichte werkzaamheden voor onderneming 2 en het maken van vaste afspraken over de betaling, onvoldoende weerlegging in het dossier, zodat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de aan onderneming 2 gerichte facturen vals zijn.

De aan onderneming 3 gerichte facturen

De verdediging heeft ten aanzien van dit onderdeel eveneens vrijspraak bepleit, omdat de werkzaamheden van onderneming 2 na het faillissement zijn overgaan op onderneming 3 en onderneming 4 werd geïnstrueerd om met het oog daar op in het vervolg aan onderneming 3 te factureren. De facturen zijn dan ook niet vals, aldus de verdediging.

De rechtbank volgt de verdediging niet in dit standpunt en is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de aan onderneming 3 gerichte facturen vals zijn. Getuige 1, werkzaam bij onderneming 3, welk bedrijf verantwoordelijk was voor de productie van het programma Meeting Point, heeft tegenover de FIOD verklaard dat onderneming 3 onderneming 4 niet heeft ingehuurd. Die verklaring wordt bevestigd door getuige 6, destijds eveneens werkzaam bij onderneming 3. Deze verklaringen vinden op geen enkele wijze weerlegging in het dossier. Het standpunt van de verdediging dat het hier zou gaan om werkzaamheden die na het faillissement van onderneming 2 voor rekening van onderneming 3 zouden zijn uitgevoerd, is onvoldoende onderbouwd.

De betrokkenheid van de verdachte als medepleger bij dit feit blijkt uit zijn e-mail van 28 juli 2007 waarin hij medeverdachte 2 instrueert dat aan onderneming 3 gefactureerd moest worden.

Feit 2

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 7 februari 2005 tot en met 7 juni 2006, samen met een ander of anderen, de bedrijfsadministratie van omroep 1 valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door daarin vijf facturen op te (laten) nemen, afkomstig van onderneming 5 gericht aan omroep 1, waarop telkens bedragen waren gefactureerd voor verrichte leveringen of diensten, die in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden.

De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van dit feit en zal de verdachte daarvan vrijspreken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de gefactureerde leveringen/diensten niet zijn verricht. Het is hooguit opvallend te noemen dat het werkzaamheden betreft waarvoor is gecontracteerd met het bedrijf onderneming 1, terwijl die werkzaamheden ook door een medewerker van dat bedrijf zijn uitgevoerd. Dit is echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat de vijf op naam van onderneming 5 gestelde en in de administratie van omroep 1 opgenomen facturen vals zijn, zoals verweten, nu onderneming 5 en onderneming 1 aan elkaar gelieerde bedrijven zijn.

Feit 3

Aan de verdachte is tenlastegelegd – kort gezegd – betrokkenheid bij valsheid in geschrifte bij drie aan Media gerichte subsidieaanvragen en de daarbij behorende intentieverklaringen1. De rechtbank acht dit feit bewezen voor zover het gaat om de producties ‘Is this the will of Allah’ en ‘Trails from the East’ en acht dit feit niet bewezen voor zover het gaat om de productie ‘On the edge of death and life’. Daartoe wordt het volgende overwogen.

‘Is this the will of Allah?’

In de aanvraag voor ‘Is this the will of Allah’ d.d. 27 april 2005 en de (door de verdachte ondertekende) intentieverklaring d.d. 21 april 2005 staat een bijdrage van omroep 1 van € 420.000, terwijl in werkelijkheid een bijdrage van € 1500 of lager werd voorzien. Dat die bijdrage € 150.000 of minder zou zijn, blijkt uit de tussen medeverdachte vennootschap en omroep 1 gesloten overeenkomsten d.d. 24 maart 2004 en 18 september 2006 met daarin bijdragen genoemd van € 150.000 respectievelijk € 100.000 en uit de e-mail d.d. 28 oktober 2004 van medeverdachte 5 aan de verdachte, waarin medeverdachte 5 aan de verdachte vraagt om een brief waarin een bijdrage van omroep 1 van € 360.0002wordt genoemd, terwijl hij gelijktijdig bevestigt dat de bijdrage van omroep 1 € 150.000 is en in overleg mogelijk zelfs minder wordt. De verklaring van de verdachte en van medeverdachte 5 dat het bedrag van € 420.000 destijds wel degelijk een feitelijke basis had, is strijdig met de inhoud van deze stukken en onvoldoende onderbouwd. De rechtbank hecht daarom geen geloof aan die verklaring.

De rol van de verdachte bij deze valsheid in geschrifte bestaat uit het ondertekenen van de intentieverklaring. Hij deed dit – gelet op de hiervoor al genoemde e-mail d.d. 28 oktober 2004 – in de wetenschap dat deze bedoeld was om een subsidieaanvraag bij de Europese Commissie te doen. Zijn betrokkenheid bij dit feit is dan ook essentieel en zijn handelen kwalificeert als medeplegen.

‘On the edge of death and life’

De verdachte zal worden vrijgesproken voor zover het betreft productie ‘The edge of death and life’. De verdachte ontkent de op zijn naam opgestelde intentieverklaring te hebben getekend en door de FIOD wordt dit in zoverre onderschreven dat zij twijfel hebben aan de echtheid van de handtekening die op die intentieverklaring staat (zie AH-72).

‘Trails from the East’

In de aanvraag voor ‘Trails from the East’ d.d. 10 juni 2004 en de (door de verdachte ondertekende) intentieverklaring d.d. 14 juli 2004 – maar later ook in het Final financial report – staat een bedrag van € 375.000 als bijdrage van omroep 1. In de overeenkomst d.d. 23 maart 2004 tussen omroep 1 en medeverdachte vennootschap staat evenwel een bijdrage van € 200.000 en dat bedrag wordt bevestigd in een ongedateerde brief van medeverdachte 5 aan getuige 2. Kortom, zowel bij de aanvraag aan als bij de afrekening met Media wordt een te hoge bijdrage van omroep 1 voorgehouden. Dat kan geen gevolg zijn van verschillende gehanteerde begrotingsmethoden, omdat omroep 1 niet meer heeft bijgedragen dan zij heeft bijgedragen (volgens de projectlijst gevonden bij omroep 1 waren de werkelijke kosten € 194.553,42).

Dat medeverdachte 5 aan Media bewust een onjuist beeld schetste over de hoogte van omroep 1 bijdrage en dat de verdachte zich daarvan bewust was, blijkt uit de e-mail d.d. 13 juli 2004 van medeverdachte 5 aan verdachte, waarin hij aan verdachte vraagt om een nieuwe intentieverklaring voor € 485.000 om subsidie aan te vragen, terwijl hij gelijktijdig bevestigt dat het contract van kracht blijft; de gevraagde intentieverklaring is – zo drukt medeverdachte 5 het in die e-mail uit – van generlei waarde en slechts visaas.

Ook bij deze valsheid in geschrifte bestaat de rol van de verdachte uit het ondertekenen van de valse intentieverklaring. Ook hier geldt dat dit een essentieel onderdeel vormt van het gepleegde strafbare feit en dat hij als medepleger is aan te merken.

Effect van de aanvragen en intentieverklaringen

Met de aanvragen en de bijgevoegde intentieverklaringen is naar Media / de Commissie toe een onjuist beeld geschetst. De documenten zijn dan ook valselijk opgemaakt en gebruikt.

Het verweer dat intentieverklaringen in de subsidiepraktijk van de mediawereld geen werkelijke betekenis hebben, wordt verworpen. De rechtbank acht op zich aannemelijk dat de bindende kracht van een dergelijke verklaring gering is, in de betekenis dat omroepen in de praktijk hierop terug (kunnen) komen en dat ook Media weet dat toegezegde bijdragen kunnen veranderen of zelfs worden ingetrokken, zonder dat hierdoor in de praktijk de subsidie in gevaar komt. Dat is echter geen vrijbrief om aan de subsidiegever een op voorhand al fictieve deelname voor te spiegelen.

Feit 4

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van augustus 2007 tot en met maart 2009 opzettelijk een vals Contract Agreement tussen omroep 1 en onderneming 5, betreffende de uitzendrechten voor de programma’s “the 99 beautiful names of Allah” en “the Koran recitals”, voorhanden heeft gehad, waarin in strijd met de waarheid de uitzendrechten van omroep 1 betreffende deze programma’s onder meer zijn beperkt tot de Benelux, terwijl in werkelijkheid deze rechten volledig bij omroep 1 lagen.

De verdachte ontkent niet dat hij het bedoelde Contract Agreement in zijn bezit heeft gehad, maar volgens hem betrof het een oud contract, opgesteld vóór het later door omroep 1 met onderneming 1 afgesloten contract. Hij heeft dit oude contract weliswaar ondertekend, maar nooit gebruikt omdat hij er geen goed gevoel bij had. Vervolgens is op 1 januari 2005 het contract gesloten tussen omroep 1 en onderneming 1, op basis waarvan de uitzendrechten van de programma’s “the 99 beautiful names of Allah” en “the Koran recitals” volledig bij omroep 1 liggen. Het is juist dat er vanuit Indonesië interesse is getoond voor beide programma’s maar volgens de verdachte heeft hij toen gezegd dat daarvan nieuwe opnamen gemaakt moesten worden, omdat de rechten bij omroep 1 lagen.

De rechtbank volgt de verdachte niet in zijn verklaring en verwijst daarbij naar e-mailcorrespondentie tussen hem en betrokkene 1, gevoerd begin augustus 2007. Hieruit blijkt dat de verdachte na zijn ontslag bij omroep 1 op 4 juli 2007 naar mogelijkheden zoekt om zaken te doen. Hij biedt aan betrokkene 1 filmmateriaal aan en merkt op dat het voor hem niet moeilijk is om aan materiaal te komen. Hij bezit alle originele moederbanden en krijgt alle materiaal dat nodig is, maar dat moet geheim blijven. Gevraagd naar de rechten van omroep 1 programma’s laat de verdachte aan betrokkene 1 weten dat hij hem een verklaring zal doen toekomen over de rechten van “de schone namen” en de “koran recitals”. Vervolgens stuurt de verdachte op 5 augustus 2007 een e-mailbericht aan medeverdachte 4 met het verzoek om het als bijlage meegezonden concept Agreement, met daarin opgenomen een beperking van de uitzendrechten van omroep 1 tot de Benelux ten aanzien van “the 99 beautiful names of Allah” en “the Koran recitals”, uit te werken op briefpapier van onderneming 5 en aan hem te retourneren.

Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de verdachte, die wist dat de uitzendrechten van beide programma’s volledig bij omroep 1 lagen, wel degelijk de bedoeling heeft gehad om het bij hem aangetroffen Contract Agreement, met daarin de beperking van de uitzendrechten van omroep 1, te gebruiken. Zij acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van maart 2004 tot en met december 2008 als directeur van omroep 1 van verschillende personen giften heeft ontvangen en deze in strijd met de goede trouw niet heeft gemeld aan omroep 1.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van een kortere pleegperiode dan de periode die is tenlastegelegd, aangezien de verdachte op 4 juli 2007 op staande voet is ontslagen en sedertdien geen werkzaamheden meer heeft verricht voor omroep 1. Daarnaast kan op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte, als directeur van omroep 1, giften - te weten een vordering van betrokkene 2 op getuige 3 (cessie) ten bedrage van ongeveer € 20.000 en een bedrag van 170.000 dirham heeft aangenomen. De hieromtrent door de verdachte gegeven uitleg omtrent de herkomst, betekenis en bestemming van deze geldbedragen, vindt onvoldoende weerlegging in het dossier, zodat de verdachte voor deze onderdelen zal worden vrijgesproken.

Dit geldt ook voor de contante betalingen die door getuige 4 aan de verdachte zouden zijn gedaan. getuige 4 heeft naar aanleiding van door de FIOD aan hem getoonde aantekeningen van de verdachte verklaard dat hij zich door de verdachte heeft laten chanteren en aan hem sedert 2005 zo’n € 50.000 heeft betaald, meestal € 2.750 per uitzending. De verdachte ontkent dat hij geldbedragen van getuige 4 heeft aangenomen en heeft verklaard dat bedoelde aantekeningen in D-100 zien op extra kosten ( € 75 per minuut) die omroep 1 heeft moeten maken voor de productie van getuige 4 omdat hij zijn werk niet goed deed. Aan het eind zouden deze kosten met hem verrekend worden, zoals contractueel was vastgelegd. Deze verklaring van de verdachte vindt in zekere mate steun in de verklaring van getuige 5, die bevestigt dat getuige 4 slecht werk leverde en hij twee afleveringen van zijn productie Drive niet heeft geleverd. Nu bovendien de aantekeningen van de verdachte in D-100 voor meerdere uitleg en interpretatie vatbaar zijn, en overigens de verklaring van getuige 4 onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, zal ook voor dit onderdeel vrijspraak volgen.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte giften heeft aangenomen in de vorm van betalingen, voor rekening van medeverdachte 5, met een door medeverdachte 5 aan hem ter beschikking gestelde American Express creditcard en hij dit niet aan zijn werkgever heeft gemeld. Zij baseert dit oordeel mede op de bekennende verklaring die de verdachte hieromtrent heeft afgelegd bij de FIOD. Weliswaar heeft de verdachte bij de rechter-commissaris en ook ter zitting verklaard dat hij niet meer achter zijn bij de FIOD afgelegde verklaringen staat, omdat de omstandigheden waaronder hij werd gehoord voor hem zeer belastend waren. Echter, noch uit de door de verdachte geschetste omstandigheden, noch uit de processen-verbaal van verhoor vloeit voort dat sprake is geweest van een zodanige op de verdachte uitgeoefende druk dat aan zijn verklaringen bij de FIOD geen waarde kan worden gehecht. Ook het verwijt voor zover dat ziet op de door medeverdachte 5 aan de verdachte gegeven televisie met DVD-recorder en toebehoren ter waarde van ruim € 13.000 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. Door de verdediging is aangevoerd dat omroep 1 op de hoogte was van het feit dat de verdachte gebruik maakte van die apparatuur. Dit doet echter niet af aan het feit dat omroep 1 er niet van op de hoogte was dat na verloop van een jaar of twee medeverdachte 5 de bruikleen achterhaald vond, de apparatuur niet meer terugverlangde en de verdachte deze ook niet heeft geretourneerd. Onder die omstandigheden dient de apparatuur, daargelaten de aanvankelijke intentie van bruikleen, alsnog te worden aangemerkt als een gift waarvan de verdachte melding had dienen te maken aan zijn werkgever.

Feit 6

De verdediging heeft vrijspraak van dit feit bepleit, nu de verdachte niet opzettelijk onjuiste aangiftes inkomstenbelasting over de jaren 2004 tot en met 2008 heeft gedaan. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte vanaf 20 juni 2004 een creditcard tot zijn beschikking had voor rekening van medeverdachte 5. De verdachte heeft op 5 november 2009 tegenover de FIOD verklaard dat hij zakelijke kosten die hij met die creditcard had betaald, ook bij omroep 1 heeft gedeclareerd. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij eveneens privé-uitgaven met de creditcard van medeverdachte 5 heeft betaald. Zowel de hiervoor genoemde door omroep 1 betaalde bedragen als de privé-uitgaven die de verdachte met de creditcard heeft gedaan, zijn te beschouwen als inkomsten in de zin van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001.

Dat alle met de creditcard van medeverdachte 5 door Williams gedane uitgaven zagen op (on)kosten die door de verdachte zijn gemaakt voor de programma’s van medeverdachte 5 en dus niet dienen te worden aangemerkt als inkomsten, zoals de verdediging ter zitting heeft bepleit, wordt weerlegd door de verklaring van de verdachte tegenover de FIOD. Daaruit blijkt dat hij ook privé-uitgaven met die creditcard heeft betaald. Overigens is niet gebleken dat de verdachte de bedragen ter zake van die privé-uitgaven aan medeverdachte 5 heeft vergoed.

Deze inkomsten uit of in verband met de dienstbetrekking hadden in de desbetreffende aangifte(s) inkomstenbelasting van de verdachte moeten worden opgenomen, hetgeen niet is gebeurd. Gelet op de verklaring van de verdachte tegenover de FIOD, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wist dat hij meer inkomsten genoot dan hij had opgegeven in zijn aangifte(s) en dat hij dat meerdere bewust buiten zijn aangifte(s) heeft gelaten. Hij heeft derhalve opzettelijk onjuist(e) aangifte(s) gedaan.

Bewezenverklaring

1. primair: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

3. medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

4. opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet  dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

5. anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd;

6. opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt gegeven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging 

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hooijmaijers-zaak: 2,5 jaar cel voor oud-gedeputeerde

Ton Hooijmaijers, een oud-gedeputeerde van de provincie Noord-Holland, is veroordeeld tot 2,5 jaar gevangenisstraf voor omkoping, valsheid in geschrift en witwassen. Het gerechtshof Amsterdam heeft dit vandaag beslist. Het Openbaar Ministerie eiste 4 jaar. De rechtbank legde eerder 3 jaar op. Het hof heeft minder feiten bewezen verklaard dan de rechtbank en heeft mede daardoor een lagere gevangenisstraf opgelegd.

Ambtelijke omkoping

De verdachte liet zich betalen door ondernemers uit voornamelijk de vastgoedsector. Volgens de verdachte hielden die betalingen geen verband met het feit dat hij gedeputeerde was, maar hadden deze betrekking op door hem gegeven adviezen. Volgens het hof had de verdachte minimaal moeten vermoeden dat de betalingen en beloften zijn gedaan met het oog op zijn functie bij de provincie. Zijn omkopers hadden belang bij een gedeputeerde die hen gunstig gezind was. In een aantal gevallen heeft de verdachte zich zelfs ingezet voor provinciale projecten, terwijl hij in dat verband betalingen of een belofte had aangenomen.

Betalingen via makelaar

De verdachte heeft zijn werkwijze jarenlang verborgen kunnen houden. Dat deed hij onder meer door betalingen via een vennootschap van een bevriende makelaar,  Arnold vd K, te laten lopen. Op de facturen was in strijd met de waarheid vermeld dat de betalingen betrekking hadden op adviezen.

Andere verdachten

De makelaar is door het hof veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf van 240 uur. Het hof heeft, net als de rechtbank, de echtgenote van de verdachte (Jocelyne P.) vrijgesproken.

Motivering straf

Volgens het hof heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in een politiek bestuurder. Corruptie tast de fundamenten van onze democratische rechtsstaat aan. Het hof vindt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enig juiste sanctie. Aanleiding voor enige strafmatiging ziet het hof in de gevolgen van zijn strafvervolging voor de verdachte en zijn gezinsleden.
De uitspraak wordt later gepubliceerd.
Print Friendly and PDF ^

Transacties met omkopers oud-gedeputeerde Hooijmaijers

Het Openbaar Ministerie (OM) en ’t Ganzeveld BV en diens bestuurder zijn transacties overeengekomen van in totaal 83.750 euro vanwege omkoping van Ton Hooijmaijers, oud-gedeputeerde van de provincie Noord-Holland en valsheid in geschrifte. ’t Ganzeveld BV heeft een hoge transactie geaccepteerd van 67.000 euro. De bestuurder betaalt een bedrag van 16.750 euro en moet ook een werkstraf van 120 uur uitvoeren.

De rechtbank Noord-Holland veroordeelde Hooijmaijers op 3 december 2013 tot een gevangenisstraf van drie jaar omdat hij zich meerdere malen als ambtenaar heeft laten omkopen en uit misdrijf verkregen gelden heeft witgewassen. De behandeling van het hoger beroep in deze zaak is 12 februari begonnen bij het gerechtshof in Amsterdam.

Uit onderzoek is gebleken dat (de bestuurder van) ‘t Ganzeveld BV zakelijke contacten met Hooijmaijers had, giften heeft betaald en beloften heeft gedaan. Dat wordt door het OM gezien als actieve omkoping. De rechtbank heeft Hooijmaijers voor deze feiten veroordeeld vanwege passieve omkoping.

Het OM acht de transactie een passende afdoening in deze zaak. ’t Ganzeveld BV heeft, met haar optreden als tussenpersoon, geen eigen gewin uit de omkopingshandelingen voor ogen gehad. Bovendien is uit niets gebleken dat ’t Ganzeveld BV financieel voordeel heeft genoten.

Dagvaarding

Een ander bedrijf dat aan Hooijmaijers zou hebben betaald om hem gunstig te stemmen heeft een aangeboden OM-transactie niet geaccepteerd. In de strafzaak tegen de oud-gedeputeerde zijn deze betalingen ook door de rechtbank gezien als omkoping. De enige bestuurder van het inmiddels failliete bedrijf wordt door het OM gedagvaard om terecht te staan.

Bron: OM

Print Friendly and PDF ^

In hoger beroep 4 jaar cel geëist tegen oud-gedeputeerde H. voor o.a. ambtelijke corruptie

De advocaat-generaal (OM) in Amsterdam heeft vandaag in hoger beroep 4 jaar cel geëist tegen oud-gedeputeerde H. voor ambtelijke corruptie, het witwassen van ruim vier ton aan euro’s en valsheid in geschrift. Tegen zijn partner P. en een andere verdachte, Van de K., werd 3 maanden voorwaardelijke celstraf en 240 uur werkstraf geëist.

In de visie van het OM heeft H. zich in de periode 1 januari 2004 tot en met medio 2009 schuldig gemaakt aan een aanzienlijk aantal gevallen van ambtelijke corruptie. Dit betekent dat H. is betaald in ruil voor gunsten (passieve omkoping). Ook vindt het OM dat hij schuldig is aan het (laten) opmaken van een groot aantal valse facturen en aan witwassen. De strafbare feiten zijn gepleegd terwijl hij lid was van het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland; één feit is tevens gepleegd terwijl hij Statenlid was. Om het geld van de omkopers, dit waren onder andere projectontwikkelaars en tussenpersonen, te incasseren maakte hij onder meer gebruik van zijn bedrijf MOVE Consultants B.V., dat hij op naam van zijn vrouw had laten zetten en ook het bedrijf van genoemde bevriende makelaar. Het OM verwijt zijn vrouw dat zij, kort gezegd, het binnenhalen van het gewin van H. gefaciliteerd heeft. Ze moet wel ongeveer geweten hebben waar het geld vandaan kwam en ze heeft er ook ruimschoots van geprofiteerd. Ze heeft een cruciale rol gespeeld bij het versluieren van de transacties. Van de K. heeft, zo vindt het OM, zijn makelaarskantoor ter beschikking gesteld aan H.. Van de K. heeft evenzeer de corruptie gefaciliteerd. Er ging geld dóór zijn bedrijf, waarvan zowel de omkopers als H. profiteerden.

Het OM is van mening dat bij H. een celstraf van aanzienlijke duur recht doet aan de ernst van de feiten. “H. heeft de eed afgelegd dat hij als integer bestuurder zou handelen en heeft de macht die voortvloeit uit het ambt van gedeputeerde misbruikt. Het handelen van H. heeft niet alleen het aanzien van de provincie Noord-Holland geschaad. Een integere overheid is van cruciaal belang voor het aanzien van Nederland en dus ook voor de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats. Met betrekking tot de actieve omkopers is het verschil in strafwaardigheid van de verweten gedragingen goed uit te leggen. De actieve omkopers hebben zich ongerechtvaardigd trachten te verrijken op kosten van de belastingbetaler. Dat is fout, maar het is niet te vergelijken met het op het spel zetten van de integriteit van de overheid”, aldus de advocaat-generaal op de zitting. De proceshouding van H. is een verzwarend element bij de bepaling van de strafmaat. H. geeft er blijk van geen enkel inzicht te hebben in de strafwaardigheid van de door hem gepleegde feiten. “Het is het OM nog steeds niet duidelijk waarom H. bij de hem voorgehouden stand van zaken nog kan volhouden dat hij een integer bestuurder was die niet omgekocht is”, aldus de advocaat-generaal. Tegen de andere twee verdachten zijn lagere strafeisen op zijn plaats. De advocaat-generaal: “Het zijn ernstige verwijten maar niet vergelijkbaar met het verwijt dat H. gemaakt kan worden.”

De rechtbank veroordeelde H. tot 3 jaar cel en Van de K. tot 3 maanden voorwaardelijke celstraf en 180 uur werkstraf. P. werd vrijgesproken. Het OM ging in alle drie zaken in hoger beroep. H. stelde ook hoger beroep in, evenals Van de K. Het hoger beroep van het OM in de zaak H. richt zich tegen de vrijspraak van een corruptiefeit en een onderdeel van het witwasfeit. Ook is het OM het niet eens met het feit dat H. van de rechtbank strafkorting kreeg vanwege de mediabelangstelling.

Op 7 april  wordt uitspraak gedaan.

Bron: OM

Print Friendly and PDF ^

Uitspraak rechtbank op onderzoekswensen in de zaak Van Rey. Verzoek verhoor Teeven aangehouden.

Rechtbank Rotterdam 18 februari 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:1058

Op de zitting van 20 en 21 januari 2015 zijn namens de drie verdachten en door de officieren van justitie onderzoekswensen kenbaar gemaakt.

1. Vooropstellingen in alle zaken

1.1. Beslissingskader

De onderzoekswensen zijn getoetst aan de maatstaf van het verdedigingsbelang (vervolgingsbelang). Bij deze toetsing is de aan de onderzoekswensen ten grondslag gelegde motivering in aanmerking genomen.

Beoordeeld is of in de motivering tot uitdrukking is gebracht waarom het gewenste onderzoek, veelal het horen van een getuige, van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.

Tot de onderzoekswensen behoren ook verzoeken tot het horen van getuigen aan de hand van wier verklaringen de verdediging de vraag naar de rechtmatigheid van het onderzoek aan de orde wil stellen. Met als doel om daarna eventueel een beroep op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv te kunnen doen. Bij die verzoeken is naast het bovenstaande in de beoordeling meegenomen of er in de motivering aan de hand van de factoren genoemd in artikel 359a Sv aandacht is besteed aan het rechtsgevolg waartoe één en ander zou dienen te leiden.

Daar waar de motivering van de onderzoekswensen niet voldeed aan de hierboven genoemde maatstaven is beoordeeld of er desalniettemin reden was om tot toewijzing van de verzoeken te komen. Dit in overeenstemming met de op de zitting toegezegde te betrachten coulance bij de beoordeling van de motivering van de onderzoekswensen, vanwege het korte tijdsbestek tussen het verstrekken van het zeer omvangrijke einddossier en de regiezitting. Bij die beoordeling speelde een eventuele instemming van de officieren van justitie met de onderzoekswensen van de verdachten een belangrijke factor.

Het staat de raadslieden van de verdachten vrij om aanwezig te zijn bij de verhoren van getuigen in de zaken van medeverdachten. Als daar gebruik van wordt gemaakt, geldt vanaf dat moment dat deze getuigen ook in de zaak van die verdachte gelden als te zijn toegewezen. In verband hiermee wordt aan de rechter-commissaris verzocht om de raadslieden van alle verdachten op de hoogte te stellen van de data en tijdstippen van alle verhoren in de zaak San José.

1.2. Verdere gang van zaken

De zaken worden verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde de hieronder genoemde onderzoekshandelingen uit te voeren en voorts om de onderzoekshandelingen te verrichten die door de rechter-commissaris noodzakelijk worden geacht.

Op initiatief van de rechtbank, dan wel van de rechter-commissaris, zal als sluitstuk van de te voeren regie op enig moment een nadere regiezitting worden gelast. Bij de beoordeling van dan nog bestaande onderzoekswensen zal het noodzaakscriterium in beginsel leidend zijn.

1.3. Overig

Hieronder worden de toegewezen getuigen genoemd per verdachte en per feit/onderdeel waarvoor zij door de raadslieden waren verzocht. Dat is ook meteen het kader waarbinnen zij zijn toegewezen. Dit brengt mee dat een aantal getuigen meer dan één keer worden genoemd.

Aan de rechter-commissaris wordt in overweging gegeven om niet alle getuigen in Rotterdam te horen nu zowel de getuigen als de procespartijen in het zuiden van het land woonachtig/werkzaam zijn.

2. verdachte 1

2.1. Beslissingen getuigenverzoeken

Toegewezen worden de verzoeken tot het horen van:

Feit 1

  • getuige 1
  • getuige 2

Feiten 2 en 3

  • getuige 3
  • getuige 4
  • getuige 5
  • getuige 6

Feiten 4, 5 en 6 gezamenlijk

  • getuige 3
  • getuige 7
  • getuige 8
  • getuige 9
  • getuige 10

Feit 4

  • medeverdachte verdachte 2
  • medeverdachte verdachte 3
  • getuige 11
  • getuige 12

Projecten Kazernevoorterrein en aankoop stadskantoor

  • getuige 13
  • getuige 14
  • getuige 15
  • getuige 16
  • getuige 17
  • getuige 18
  • getuige 19
  • getuige 20
  • getuige 21

Project MCZ/Aldi

  • getuige 17
  • getuige 21
  • getuige 22
  • getuige 18
  • getuige 23
  • getuige 24
  • getuige 25
  • getuige 26
  • getuige 27
  • getuige 28

Project ECI

  • getuige 29
  • getuige 30
  • getuige 31
  • getuige 19
  • getuige 18
  • getuige 32
  • getuige 22
  • getuige 14
  • getuige 21
  • getuige 33

Project reclamezuil

  • getuige 12
  • getuige 2

Feit 5

  • getuige 34
  • getuige 35
  • getuige 19
  • getuige 36

Feit 6

  • getuige 37
  • medeverdachte verdachte 3
  • getuige 15

Feit 7

  • getuige 1
  • getuige 38
  • getuige 39
  • getuige 40

Aangehouden worden de verzoeken tot het horen van:

  • getuige 41;
  • F. Teeven;
  • de verbalisant(en) die werkzaam was (waren) als “uitluisteraar” op 20 september 2012;

in afwachting van het rapport van getuige 41.

Afgewezen worden de overige getuigenverzoeken.

2.2. Overige beslissingen

Kennis genomen is van de toezegging van de officieren van justitie dat zij:

  • het tapdossier waarin de uitgeluisterde en uitgewerkte telecommunicatie betreffende het telefoonnummer telefoonnummer zijn weergegeven vanaf 17 september 2012 tot 31 maart 2013 in het dossier van de verdachte zullen voegen;
  • de vorderingen van het openbaar ministerie en de beschikkingen van de rechter-commissaris in verband met de doorzoeking van 19 oktober 2012 bij de rechter-commissaris zullen opvragen en in het dossier van de verdachte zullen voegen.

Ten aanzien van het verzoek tot het horen van betrokkene 1 wordt beslist dat thans kan worden volstaan met het doen opmaken van een aanvullend rapport door de Kiesraad.

Betrokkene 2 en betrokkene 3 zullen, onder regie van de rechter-commissaris, worden opgedragen eenaanvullend proces-verbaal op te maken over het boekenonderzoek dat bij de verdachte verdachte 2 is verricht en de aangifte die naar aanleiding daarvan op 11 juli 2012 is gedaan. Het openbaar ministerie en de raadsvrouw kunnen hiertoe vragen inbrengen die de opsporingsambtenaren in hun proces-verbaal kunnen beantwoorden.

De beslissing op het verzoek tot het verstrekken van een verbatim uitwerking van de opgenomen tapgesprekken tussen de verdachte en de secretaresse van F. Teeven wordt aangehouden in afwachting van het verstrekken van het door het openbaar ministerie toegezegde tapdossier betreffende het telefoonnummer telefoonnummer.

Afgewezen worden de overige verzoeken.

3. verdachte 2

3.1. Beslissingen getuigenverzoeken

Toegewezen worden de verzoeken tot het horen van:

Alle feiten

  • medeverdachte verdachte 1
  • medeverdachte verdachte 3
  • getuige 11

Project Kazernevoorterrein

  • getuige 31
  • getuige 13
  • getuige 3
  • getuige 30
  • getuige 18
  • getuige 19
  • getuige 7
  • getuige 29
  • getuige 14
  • getuige 42
  • getuige 43

Project MCZ/Aldi

  • getuige 29
  • getuige 24
  • getuige 44
  • getuige 26
  • getuige 45
  • getuige 46

Project ECI

  • getuige 31
  • getuige 18
  • getuige 47
  • getuige 22
  • getuige 48

Project Retailpark

  • getuige 30
  • getuige 49
  • getuige 22
  • getuige 15

Project ZZ.01 reclamezuil

  • getuige 12
  • getuige 50
  • getuige 51
  • getuige 52

Getuigen bedrijf

  • getuige 53
  • getuige 34
  • getuige 8
  • getuige 54
  • getuige 55

Getuigen werkwijze verdachte 1

  • getuige 54
  • getuige 34
  • getuige 55

Afgewezen worden de overige getuigenverzoeken.

3.2. Overige beslissingen

Toegewezen wordt het verzoek tot het horen van de verdachte in zijn eigen zaak door de rechter-commissaris. De verdenking, de omvang van het dossier, de positie van de verdachte binnen dat dossier alsmede de instemming met het verzoek door de officieren van justitie vormen aanleiding om tot toewijzing van dit verzoek te komen. Dit ondanks dat een dergelijk verhoor hoogst ongebruikelijk is. De verdachte zal als eerste worden gehoord op de verdenkingen die tegen hem zijn gerezen alvorens een aanvang wordt gemaakt met de getuigenverhoren in zijn zaa.k

Betrokkene 2, betrokkene 3, betrokkene 4, betrokkene 5 en betrokkene 6 zullen, onder regie van de rechter-commissaris, worden opgedragen een aanvullend proces-verbaal op te maken over het boekenonderzoek dat bij de verdachte is verricht en de aangifte die naar aanleiding daarvan op 11 juli 2012 is gedaan. Het openbaar ministerie en de raadsman kunnen hiertoe vragen inbrengen die de opsporingsambtenaren in hun proces-verbaal kunnen beantwoorden.

Afgewezen worden de overige verzoeken.

4. verdachte 3

4.1. Beslissingen getuigenverzoeken

Toegewezen worden de verzoeken tot het horen van:

  • medeverdachte 2
  • getuige 7
  • getuige 18
  • getuige 30
  • getuige 29

4.2. Overige verzoeken

Het verzoek van de raadsman tot afsplitsing van de zaak wordt afgewezen. De zaak van verdachte 3 hangt (zeer) nauw samen met de zaken van de medeverdachten. Op enig - niet vooraf te bepalen - moment zou door het verstrijken van de tijd deze beslissing anders kunnen uitvallen.

5. Openbaar ministerie

Beslissingen getuigenverzoeken

Toegewezen worden de verzoeken tot het horen van:

  • getuige 12
  • getuige 11

Lees hier de volledige uitspraak.

Zie ook:

Print Friendly and PDF ^