Voorlezing van stukken ex art. 301 lid 4 Sv

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1329 De verdachte is bij arrest van 17 december 2014 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand wegens overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 1) en overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 2). Tevens is hem ter zake van elk van beide feiten de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van (telkens) vier maanden. Wegens het bewezenverklaarde onder 3, overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, is bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Middel

Het middel klaagt dat het hof ten bezware van de verdachte op stukken acht heeft geslagen die niet ter terechtzitting zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud de verdachte is meegedeeld.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Artikel 301, vierde lid, Sv, dat in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is op grond van art. 415 Sv, bepaalt dat ten bezware van de verdachte geen acht wordt geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig het derde lid is meegedeeld. Deze bepaling strekt ertoe dat de verdachte niet wordt geconfronteerd met stukken die hij niet kent en die nadelig voor hem zijn. Onder dergelijke stukken moeten worden verstaan stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de oplegging van straf of maatregel. Op grond van het bepaalde in art. 417, eerste lid, Sv mogen stukken welke in eerste aanleg zijn voorgelezen ook voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen worden aangemerkt.

9. De behandeling van de onderhavige zaak heeft in eerste aanleg bij verstek plaatsgevonden. Een proces-verbaal van de terechtzitting waarop de zaak inhoudelijk is behandeld, bevindt zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Er staat derhalve niet vast dat de door het hof voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen in eerste aanleg op de wijze als vermeld in art. 301 Sv zijn voorgelezen dan wel dat daarvan de korte inhoud is meegedeeld.

10. In het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof is niet met zoveel woorden opgenomen dat er bepaalde stukken zijn voorgelezen dan wel dat de korte inhoud van die stukken is vermeld. Blijkens dat proces-verbaal heeft de behandeling van het hoger beroep zich geconcentreerd op de door de verdediging opgegeven bezwaren met betrekking tot de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf. Verdachte heeft ter terechtzitting alle feiten bekend, en de raadsvrouw van de verdachte heeft, na overleg met de verdachte over de te voeren verdediging, haar pleidooi toegesneden op de vraag welke straf aan verdachte zou moeten worden opgelegd.

11. Het ten bezware van de verdachte acht slaan op niet voorgehouden stukken wordt in art. 301, vierde lid, Sv niet met nietigheid bedreigd. Een verzuim op dit punt behoeft niet tot cassatie te leiden indien de verdachte niet in zijn belang is geschonden door het verzuim. Mijns inziens doet een dergelijk geval zich hier in ieder geval voor voor zover het betreft stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde. Er is in de aantekening van het mondeling arrest naast de bekennende verklaring van verdachte volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv. Gelet op de volledige bekentenis van verdachte mocht daarmee ook worden volstaan. Er kan dus vanuit worden gegaan dat de inhoud van die bewijsmiddelen overeenstemt met de bekennende verklaring van verdachte. In dat licht bezien, valt niet in te zien in welk belang de verdachte is geschaad door de niet-naleving van het bepaalde in art. 301, vierde lid, Sv.

12. In het proces-verbaal van de zitting van het hof is als zakelijk weergegeven verklaring van verdachte naar aanleiding van vragen van de voorzitter vermeld, dat hij weet dat de volgens het uittreksel uit de justitiële documentatie openstaande zaak is afgedaan met een taakstraf. Nu deze verklaring is opgenomen als een reactie op een vraag van de voorzitter kan daaruit worden afgeleid dat er naar aanleiding van dat uittreksel aan verdachte kennelijk een vraag is gesteld. Tevens is naar aanleiding van vragen van de voorzitter reeds ter sprake gekomen dat hij ten tijde van de terechtzitting van het hoger beroep vastzat voor een taakstraf van zesenveertig dagen, dat hij die dag bij de politierechter is geweest voor een diefstal van een fiets in Wijhe en een vordering tot tenuitvoerlegging en dat de openstaande zaak van het rijden onder invloed is afgedaan met een taakstraf van tachtig uren. De raadsvrouwe van de verdachte heeft onder meer ter verdediging aangevoerd dat zijn strafblad de laatste tijd betrekkelijk rustig is. Ook als verdachte verklaart dat hij op 6 januari 2015 vrij komt en dat hij niet meer zo wil leven kan het moeilijk anders dan dit is gezegd in reactie op het uittreksel van 21 pagina’s. Mij komt het voor dat in het proces-verbaal van de zitting van het hof voldoende ligt besloten dat de korte inhoud van het uittreksel aan verdachte is voorgehouden. Het enkele feit dat niet elke mutatie op een 21 pagina’s tellend uittreksel met de verdachte afzonderlijk is besproken, doet daar niet aan af.

13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Herzieningsaanvraag mbt veroordeling wegens onjuiste en/of onvolledige aangifte successierecht

Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:1256 Het Hof heeft in hoger beroep de aanvrager veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren ter zake van "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Beoordeling van de aanvraag

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

Bij het arrest waarvan thans herziening wordt gevraagd, is de aanvrager tot straf veroordeeld wegens het onjuist en/of onvolledig doen van een aangifte successierecht. Bewezenverklaard is dat in die aangifte geen melding is gemaakt van de verkrijging krachtens erfrecht door de aanvrager en zijn toenmalige echtgenote ter zake van het overlijden van [betrokkene 1] van drie vorderingen die de erflaatster op hen beiden had.

Ter zake van die verkrijging is aan de aanvrager door de belastinginspecteur een aanslag in het recht van successie opgelegd ten bedrage van € 425.428,-. Bij ambtshalve gegeven beschikking van 11 augustus 2015 heeft de inspecteur die aanslag tot nihil verminderd. In de aanvraag wordt betoogd dat die beschikking een gegeven vormt als hiervoor onder 3.1 bedoeld.

Dat betoog kan niet slagen omdat de aanvrager eraan voorbij ziet dat hij niet is veroordeeld omdat hij te weinig belasting heeft betaald maar omdat hij een onjuiste en/of onvolledige aangifte heeft gedaan. In die aangifte heeft hij immers, zo volgt uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, geen melding gemaakt van de drie vorderingen die hij en zijn toenmalige echtgenote hebben verkregen, daarmee de inspecteur de mogelijkheid ontnemend zich een oordeel te vormen niet alleen over de vraag of die vorderingen krachtens erfrecht zijn verkregen maar ook over de vraag welke de waarde in het economische verkeer van die vorderingen was op de sterfdatum.

Opmerking verdient nog dat de inspecteur zijn vorengenoemde beschikking niet heeft gemotiveerd zodat de gronden waarop hij die beschikking heeft gebaseerd niet bekend zijn. Weliswaar heeft hij in zijn beschikking verwezen naar 'de brief van 22 juli 2015', maar die brief behoort niet tot bijlagen die aan de aanvraag zijn gehecht. Overigens is de aanvrager zelf klaarblijkelijk van mening dat die brief niet op hem maar op zijn toenmalige echtgenote betrekking heeft, zodat de inhoud ervan in zijn optiek te dezen kennelijk niet van belang is en er voor de Hoge Raad dus geen reden is de aanvrager in de gelegenheid te stellen die brief alsnog te overleggen.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: bezwaarschrift tegen aangifte met onjuiste gegevens kwalificeert niet als onjuiste aangifte in de zin van art. 69 AWR (oud)

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333 De verdachte is bij arrest van 25 maart 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden wegens witwassen, meermalen gepleegd (feit 1), opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd (feit 2) en valsheid in geschrifte (feit 3).

Middel

Het tweede middel richt zich – op grond van art. 69, vierde lid, AWR - met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte met betrekking tot feit 3 (valsheid in geschrifte).

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft voor de niet-ontvankelijkheid van het OM aangevoerd dat op grond van art. 69, vierde lid Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) strafvervolging op grond van art. 225, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, is uitgesloten indien het feit ook valt onder het bereik van art. 69, eerste of tweede lid AWR.

Het hof verwerpt dit verweer. Over het jaar 2002 is door de belastingdienst, nadat verdachte in gebreke was gebleven een aangifte in te dienen, een ambtshalve aanslag opgelegd. Als reactie hierop is namens verdachte door Flex Account bezwaar aangetekend en is alsnog een aangiftebiljet ingediend.

Artikel 9 AWR bepaalt op welke wijze en binnen welke termijnen een aangifte moet worden gedaan. Is eenmaal een belastingaanslag opgelegd dan wordt een nadien doch binnen de wettelijke termijn voor bezwaar ingekomen aangiftebiljet aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslag. Een na aanslagoplegging ingediend aangiftebiljet kan daarom niet meer gelden als een (tijdige) aangifte als bedoeld in de wet. Derhalve is het namens verdachte later opgestelde aangiftebiljet geen aangifte als voorzien bij hoofdstuk II AWR en is de uitzondering van artikel 69, lid 4 AWR niet van toepassing.

Het OM is daarom ontvankelijk in de vervolging van feit 3."

Het Hof heeft aan de verwerping van het verweer ten grondslag gelegd zijn oordeel dat het namens de verdachte opgestelde aangiftebiljet over het jaar 2002 niet kan gelden als een "(tijdige) aangifte als bedoeld in de wet". Dat oordeel van het Hof is juist. Een niet binnen de ingevolge art. 9 AWR bepaalde termijn ingediend aangiftebiljet waarmee de inspecteur bij de aanslagoplegging geen rekening heeft kunnen houden, kan immers niet gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69, tweede lid (oud), AWR.

Het feit dat de verdachte over het jaar 2002 geen aangifte heeft gedaan, kan op zichzelf onder de delictsomschrijving van het eerste lid van art. 69 (oud) AWR worden gebracht. Dit houdt evenwel niet tevens in dat sprake is van de in het vierde lid van dat artikel bedoelde samenloop. Het indienen van een bezwaarschrift met gebruikmaking van een (al dan niet) onjuist/onvolledig ingevulde aangiftebiljet, is immers niet een feit dat onder het eerste lid van dat artikel valt. In zoverre faalt het middel.

Ook voor zover het middel betoogt dat vervolging op grond van art. 69, eerste lid (oud), AWR in verbinding met art. 68, tweede lid onder a (oud), AWR had kunnen plaatsvinden, faalt het. De bedoelde delictsomschrijving ziet op het onjuist aan de inspecteur verstrekken van de in art. 68, tweede lid onder a, AWR bedoelde inlichtingen, gegevens en aanwijzingen door degene die daartoe "desgevraagd" ingevolge art. 47, eerste lid, AWR verplicht is. Die omstandigheid doet zich hier niet voor.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontneming: Opvatting hof onjuist dat contante stortingen op bankrekeningen, nu zij voorwerpen van het bewezenverklaarde witwassen waren, reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1331 Aan de betrokkene is bij arrest van 25 maart 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de verplichting opgelegd om een bedrag van € 1.692.400 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het eerste middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het in de met deze ontnemingsprocedure samenhangende strafzaak "bewezenverklaarde witwassen en soortgelijke feiten" ontoereikend is gemotiveerd. Het tweede middel klaagt dat het Hof de betalingsverplichting mede heeft opgelegd ter ontneming van voordeel dat is verkregen uit een feit waarvan de betrokkene is vrijgesproken.

De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in:

"De veroordeelde is bij arrest van 25 maart 2015 van dit gerechtshof (parketnummer 21-004593-12) ter zake van witwassen, belastingfraude en valsheid in geschrift veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde witwassen en soortgelijke feiten financieel voordeel heeft genoten.

Voor de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof voornoemd arrest als uitgangspunt en volgt het grotendeels het in het kader van het onderzoek in de aan deze ontnemingsvordering ten grondslag liggende hoofdzaak opgemaakte berekening van de verbalisanten als weergeven in het stamproces-verbaal van de FIOD/ECD van 17 december 2008, dossiernummer 41701.

In het arrest in de aan deze ontneming ten grondslag liggende hoofdzaak is bewezen verklaard dat verdachte de volgende bedragen heeft witgewassen:

€ 55.737,65 door storting op een Duitse bank in 2002;

€ 736.050,= door storting op een Duitse bank in 2004;

€ 504.000,= door storting op een Luxemburgse bank.

Daarnaast heeft het hof bewezen geacht dat verdachte de aankoop van onroerend goed in Ibiza in 2002 waarvan de op papier vermelde aankoopprijs € 125.000,= bedroeg mede heeft betaald met € 430.000,= die verdachte in 2002 contant heeft opgenomen bij een Duitse bank. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat er in het onroerend goed investeringen zijn verricht tot een bedrag van € 86.093,=.

De waarde van het pand in 2008 is door de verbalisanten geschat op € 1.232.500,00. De verbalisanten zijn daarbij uitgegaan van de vraagprijs voor de onroerende zaak van € 1.450.000,=. Ervan uitgaande dat de vraagprijs over het algemeen meer bedraagt dan de verwachte verkoopprijs en dat in vijf jaren stijging van het onroerend goed heeft plaatsgevonden stellen de verbalisanten dat de werkelijke waarde van het onroerend goed 15% lager dan de vraagprijs van € 1.450.000,=. De werkelijke waarde zou dan € 1.232.500,= bedragen. Het hof neemt deze conclusie over.

Dit houdt in dat de waardestijging van het pand € 1.232.500,= minus € 125.000,= (op papier betaalde aankoopprijs) minus € 430.000,= (buiten het zicht gehouden betaling) minus € 86.093,= (investeringskosten) ofwel € 591.407,= bedraagt.

Het hof is anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat niet de gehele waardestijging kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel maar slechts dat deel dat door de investering van € 430.000 is gegenereerd.

Concreet houdt dit in:

430.000 / (125.000 + 430.000 + 86.093) x € 591.407 = € 396.674,12.

Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op het bovenstaande schat het hof het door veroordeelde behaalde wederrechtelijke voordeel op contante stortingen Duitse Bank 2002 € 55.737,65

Vermogenstoename onroerend goed Ibiza € 396.674,12

Contante stortingen Duitse Bank 2004 € 736.050,00

Contante stortingen Luxemburgse bank € 504.000,00

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 1.692.461,77."

Beoordeling Hoge Raad

In de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak is onder 1 bewezenverklaard dat de betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen van geldbedragen door storting op, en opname van, buitenlandse bankrekeningen. Ter zake van het onder 1 eveneens tenlastegelegde witwassen van onroerend goed op Ibiza is de betrokkene vrijgesproken.

In de overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het bewezenverklaarde witwassen tot het door de betrokkene wederrechtelijk verkrijgen van voordeel heeft geleid en dat voordeel geschat op, in totaal, € 1.692.461,77. Dit oordeel heeft het Hof kennelijk mede gebaseerd op de opvatting dat onder meer de contante stortingen op bankrekeningen bij Duitse en Luxemburgse banken, nu zij voorwerpen van het bewezenverklaarde witwassen waren, reeds daardoor tot een bedrag van € 1.295.787,65 (te weten het totaal van € 55.737,65, € 736.050,00 en € 504.000,00) wederrechtelijk verkregen voordeel vormden. Die opvatting is niet juist (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot het bedrag van € 1.295.787,65 door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen. Daarover klaagt het middel terecht.

Voor zover in 's Hofs overwegingen tot uitdrukking is gebracht dat het door het Hof genoemde bedrag van € 396.674,12 is verkregen door middel van of uit baten van het bewezenverklaarde witwassen en soortgelijke feiten, heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.

Indien het Hof heeft geoordeeld dat de "vermogenstoename onroerend goed Ibiza" heeft te gelden als voordeel door middel van of uit de baten van het tenlastegelegde witwassen van onroerend goed op Ibiza, heeft het Hof ten onrechte het bedrag van € 396.674,12 bij het ontnemingsbedrag betrokken reeds nu de verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde witwassen voor zover dat ziet op onroerend goed op Ibiza (vgl. EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03 (Geerings tegen Nederland), NJ 2007/349).

Indien het Hof heeft geoordeeld dat de "vermogenstoename onroerend goed Ibiza" is gerelateerd aan – want is op te vatten als voordeel uit de baten van – het tenlastegelegde witwassen voor zover dat ziet op het opnemen van een bankrekening en het "buiten het zicht houden" van het bedrag van € 430.000,00 heeft het Hof dat oordeel kennelijk gebaseerd op de opvatting dat het opnemen van dat geldbedrag, nu dit voorwerp van witwassen was, reeds daardoor wederrechtelijk voordeel vormde, waarbij uit die baten de "vermogenstoename onroerend goed Ibiza" is ontstaan. Die opvatting is echter niet juist (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 396.674,12 door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen.

De middelen slagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel mag de vervangende hechtenis in geval van samenloop ten hoogste een jaar bedragen

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1335 Het gaat in deze zaak om twee verdachten die in de nacht van 22 op 23 oktober 2011 een door hen gefabriceerd explosief aan een flitspaal te Voorschoten hebben opgehangen. De Explosieven Opruimingsdienst Defensie heeft het projectiel verwijderd en ontmanteld. Bij het ontmantelen is een ontploffing opgetreden en zijn twee medewerkers van de EOD zwaargewond geraakt en tevens heeft een medewerker van de forensische opsporing letsel opgelopen.

Verdachten zijn door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden resp. een gevangenisstraf van 45 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren . Daarnaast heeft het Hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen slachtoffer 1, slachtoffer 2, slachtoffer 3 en Politie Hollands Midden van respectievelijk € 68.250, € 11.026,46, € 402 en € 869,35 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 345, 90, 8 en 17 dagen hechtenis.

Middel

Het derde middel klaagt dat het Hof aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in totaal meer vervangende hechtenis heeft verbonden dan wettelijk is toegestaan.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 36f, vijfde lid, in verbinding met art. 24c, eerste lid, Sr dient de rechter bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, te bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. Die vervangende hechtenis mag in een geval als het onderhavige waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr, op grond van art. 60a in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ten hoogste een jaar bedragen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad zal zelf de duur van de vervangende hechtenis aldus verminderen dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van een jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1334

Zie ook de met deze zaak samenhangende zaak, waarbij de Hoge Raad ambtshalve de duur van de vervangende hechtenis verbetert.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling oud-burgemeester Offermanns blijft in stand

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1330

De Hoge Raad heeft vandaag de veroordeling van oud-burgemeester Ricardo Offermanns in stand gelaten. Offermanns werd op 12 maart 2015 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur wegens medeplichtigheid aan de schending van de geheimhoudingsverplichting in de benoemingsprocedure van een nieuwe burgemeester van Roermond. Hij had als kandidaat-burgemeester van de toenmalige wethouder en adviseur van de vertrouwenscommissie Van Rey in strijd met diens geheimhoudingsplicht relevante informatie over de procedure bewust aangenomen. Ook heeft hij Van Rey gelegenheid geboden om vertrouwelijke informatie met hem te delen.

Schending

De Hoge Raad heeft beslist dat het in de loop van een sollicitatieprocedure van een burgemeestersbenoeming verstrekken van informatie over hetgeen in een sollicitatieprocedure met de vertrouwenscommissie zal worden besproken een schending van de geheimhoudingsplicht oplevert.

Het Hof heeft geoordeeld dat de geheimhoudingsplicht als bedoeld in art. 61c, tweede lid, Gemeentewet ziet op de gehele procedure van de vertrouwenscommissie, "vanaf het moment van instellen van de vertrouwenscommissie door de Raad tot het moment van het uitbrengen van verslag van haar bevindingen door de vertrouwenscommissie aan de Raad en aan (destijds) de Commissaris van de Koningin". Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van genoemde wetsbepaling en in het bijzonder niet van de daarin voorkomende term "beraadslagingen".

Het Hof heeft geoordeeld dat ook het verschaffen door de in art. 5 van de Verordening vertrouwenscommissie van de gemeente Roermond genoemde personen, onder wie de adviseur van de vertrouwenscommissie, van informatie over de vragen die gesteld zouden worden tijdens het sollicitatiegesprek met de vertrouwenscommissie, valt onder de in art. 61c Gemeentewet bedoelde geheimhoudingsplicht.

Volgens de Hoge Raad geven deze oordelen van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Achtergrond

Door het eervolle ontslag van de toenmalige burgemeester van Roermond op 1 februari 2012 raakt het ambt van burgemeester in deze gemeente vacant. Overeenkomstig het bepaalde in art. 61, derde lid, Gemeentewet wordt in het verband van de benoemingsprocedure een vertrouwenscommissie ingesteld, belast met de beoordeling van de kandidaten. Aan de vertrouwenscommissie wordt de toenmalige wethouder (Van Rey) als adviseur toegevoegd. Offermans is één van de kandidaten. Hij wordt met een meerderheid van stemmen door de gemeenteraad gekozen als beoogd burgemeester van Roermond en bij besluit van 27 september 2012 aanbevolen bij de minister van Binnenlandse Zaken.

Volgens de verdenking van het Openbaar Ministerie zou Van Rey uit hoofde van zijn functie als adviseur lopende de sollicitatieprocedure in contact hebben gestaan met de Offermans en in strijd met zijn geheimhoudingsplicht aan de Offermans relevante informatie hebben verstrekt over vragen en casusposities die de Offermans  in het sollicitatiegesprek zouden worden voorgehouden en de gewenste antwoorden daarop en hoe hij daarbij de mooiste indruk zou maken. Naar het oordeel van het hof wist Offermans dat Van Rey deze vertrouwelijke informatie niet met hem mocht delen en heeft de Offermans Van Rey de gelegenheid geboden diens geheimhoudingsplicht te schenden. Derhalve acht het hof de Offermans schuldig aan medeplichtigheid aan het opzettelijk schenden van enig wettelijk voorschrift op grond waarvan Van Rey toen verplicht was het desbetreffende geheim te bewaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. meegebrachte getuigen

Hoge Raad 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1191 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 11 juni 2015 verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 250 voor vernieling. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het door de verdachte gedane verzoek tot het horen van een tweetal ter terechtzitting meegebrachte getuigen.

Beoordeling Hoge Raad

Van het horen van de getuigen van wier aanwezigheid mededeling is gedaan bij de (hernieuwde) aanvang respectievelijk hervatting van het onderzoek, kan slechts worden afgezien (i) met toestemming van de officier van justitie en de verdediging, of (ii) indien die procespartijen niet instemmen met het afzien van het horen, op de gronden die zijn genoemd in art. 288, eerste lid onder b en c, Sv, te weten dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen, dan wel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad. Ingevolge de schakelbepaling van art. 415 Sv zijn onder meer de art. 287-288 Sv van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding voor het gerechtshof. (Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014, 441, rov. 2.12 en 2.36-2.37.)

De voorzitter heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof de aldaar verschenen echtgenote en zoon van de verdachte aangemerkt als ter terechtzitting meegebrachte getuigen. Het Hof heeft afgezien van het horen van deze getuigen zonder in de motivering van zijn beslissing kenbaar aandacht te besteden aan de in art. 288, eerste lid onder b en c, Sv genoemde gronden. De afwijzing van het verzoek van de verdachte tot het horen van deze getuigen is dan ook niet begrijpelijk gemotiveerd.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Aanvraag herziening beslissing in ontnemingszaak kan niet tot herziening leiden, reeds omdat de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet is een uitspraak houdende een veroordeling in de zin van art. 457 Sv

Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:1257

Bij vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 2 februari 2015 is de veroordeelde in zijn strafzaak veroordeeld ter zake van het medeplegen van handel in merkvervalste horloges. De rechtbank heeft het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 62.314,63.

Door veroordeelde is een verzoek tot herziening gedaan.

Beoordeling Hoge Raad

De aanvraag zal niet tot herziening kunnen leiden, reeds omdat de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet is een uitspraak houdende een veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvraag kan daarom - gelet op art. 465, eerste lid, Sv - niet worden ontvangen.

Opmerking verdient dat de rechter die de maatregel heeft opgelegd op grond van art. 577b, tweede lid, Sv bevoegd is op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het vastgestelde bedrag te verminderen of kwijt te schelden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van professioneel/illegaal vuurwerk. Conclusie AG: falende klacht met beroep op Vidgen-arrest over schending ondervragingsrecht.

Hoge Raad 21 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1266 De verdachte is bij arrest van 28 januari 2015 door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van honderdtachtig uur wegens medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een partij professioneel/illegaal vuurwerk.

Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof voorts nog het volgende overwogen:

“Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht op basis van onder meer de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Volgens haar dienen - gezien de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Vidgen - de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van het bewijs te worden uitgesloten, omdat de verdediging deze medeverdachten niet op een effectieve manier heeft kunnen ondervragen. Voorts heeft de raadsvrouw de betrouwbaarheid van deze verklaringen betwist. Tot slot heeft zij aangevoerd dat de omstandigheid dat de politie verdachte heeft aangetroffen in de buurt van de vrachtwagen waarin zich het vuurwerk bevond, niet kan bijdragen aan een bewezenverklaring. Volgens de raadsvrouw was verdachte daar enkel aanwezig om nieuwe velgen op de auto van zijn schoonvader te plaatsen.

Oordeel hof

Het hof hecht geen geloof aan de door verdachte gegeven verklaring en komt tot een bewezenverklaring en overweegt daarbij als volgt.

De medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn op verzoek van de verdediging opgeroepen om ten overstaan van de raadsheer-commissaris als getuigen te worden gehoord. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij het verhoor door de raadsheer-commissaris antwoord gegeven op de vraag of hij verdachte kent. [medeverdachte 2] heeft geantwoord dat hij niet eens wist dat verdachte “ [verdachte] ” heet. “Ik ken hem alleen bij zijn voornaam. Na enig nadenken weet ik dat jij1 [verdachte] heet.” Hij heeft voorts verklaard op andere vragen geen antwoord te willen geven. Ten aanzien van de vraag waar hij verdachte van kent, heeft hij zich op zijn verschoningsrecht beroepen. De verdediging heeft toen afgezien van het stellen van verdere vragen. Medeverdachte [medeverdachte 1] is niet verschenen bij de raadsheer-commissaris, met als reden dat hij zich op zijn verschoningsrecht zou beroepen. De verdediging heeft toen afgezien van het stellen van vragen aan medeverdachte [medeverdachte 1] . Wel heeft zij in een fax aan de raadsheer-commissaris uitdrukkelijk aangegeven niet af te zien van het horen van deze getuige. Noch voor noch ter terechtzitting van het hof heeft de verdediging opnieuw verzocht om het horen van medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] .

Reeds omdat de verdediging, van wie in de regel het nodige initiatief mag worden verwacht tot het ondervragen van een getuige, heeft afgezien van het stellen van (verdere) vragen aan de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ten overstaan van de raadsheer-commissaris en bovendien niet heeft gevraagd om deze getuigen alsnog op zitting te (doen) horen, is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van de door het EHRM in de zaak Vidgen omschreven norm. Bovendien berust, anders dan in de zaak Vidgen, de bewezenverklaring in de onderhavige zaak niet alleen of in beslissende mate op de verklaring van één getuige. Het hof verwijst in dit verband in het bijzonder naar de bewijsmiddelen die betrekking hebben op het afluisteren van telefoongesprekken, op het aantreffen van verdachte in een auto samen met medeverdachte [medeverdachte 2] - in de onmiddellijke nabijheid van het busje waarin het vuurwerk zich bevond en een garage waar - naar ook eerder werd geconstateerd - vuurwerk was opgeslagen alsmede op de observatie door de politie van het transport van het vuurwerk.

Het hof heeft voorts geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , nu deze getuigen niet alleen verdachte hebben belast maar ook zichzelf en hun verklaringen over en weer voldoende steun vinden. Het namens verdachte geschetste alternatieve scenario acht het hof niet aannemelijk, aangezien daarvoor geen enkele onderbouwing is te vinden in het dossier.”

Middel

Het middel klaagt over schending van art. 6, derde lid onder d, EVRM op de grond dat de verdachte niet in de gelegenheid is gesteld de belastende verklaringen van zijn medeverdachten 1 en 2 te betwisten, terwijl deze verklaringen wel (als doorslaggevend bewijs) zijn gebruikt om tot een bewezenverklaring te komen.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof de verklaringen van medeverdachte 1 en medeverdachte 2 ten onrechte voor het bewijs heeft gebruikt nu:

  • (i) de betwiste verklaringen door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tegenover de politie zijn afgelegd in hun rol als verdachte, niet als onafhankelijke getuige; dit enkele feit zou al maken dat er sprake is geweest van een schending van art. 6, derde lid en onder d, EVRM;
  • (ii) uit de overige bewijsmiddelen op generlei wijze kan blijken van verdachtes betrokkenheid bij het transport of voorhanden hebben van het illegale vuurwerk;
  • (iii) het enkele feit dat verdachte is aangehouden op de plaats delict niet kan leiden tot de conclusie dat hij als medepleger kan worden aangemerkt;
  • (iv) (derhalve) aangaande verdachtes betrokkenheid slechts de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] overblijven;
  • (v) de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zo niet ‘sole and decisive’, dan toch van ‘considerable weight’ zijn;
  • (vi) compenserende factoren ontbreken omdat de verklaringen niet door de verdediging op hun betrouwbaarheid konden worden getoetst nu [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich ten overstaan van de raadsheer-commissaris op hun verschoningsrecht hebben beroepen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

8. In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM. Van die ongeoorloofdheid is geen sprake indien de verdachte niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit laatste moet aldus worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Hierbij moet voorts nog worden opgemerkt dat ook als een getuige zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, de verdachte niet het bij art. 6, derde lid en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen om die getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring. Tot slot is van belang dat een klacht, inhoudende dat de verdediging voornoemd recht niet heeft kunnen uitoefenen, niet kan slagen indien de verdediging, van wie in de regel het nodige initiatief mag worden verwacht, niet heeft verzocht de getuige(n) voor de terechtzitting in hoger beroep op te roepen en het hof voorts ook geen ambtshalve plicht had tot oproeping.

9. Het hof heeft primair geoordeeld dat geen sprake is van schending van de door het EHRM in de zaak Vidgen omschreven norm, nu de verdediging niet heeft verzocht de getuigen alsnog op zitting te (doen) horen. Voorts heeft het hof geoordeeld dat de bij de politie afgelegde verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bruikbaar zijn voor het bewijs nu deze verklaringen in voldoende mate steun vinden in de andere bewijsmiddelen.

10. In het licht van Uw rechtspraak zoals hierboven uiteengezet getuigt het primaire oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk nu uit de stukken niet blijkt dat de verdediging, nadat de raadsheer-commissaris op 22 mei 2014 constateerde dat beide getuigen zich op hun verschoningsrecht beriepen, het hof heeft verzocht deze getuigen (alsnog) op te roepen voor de inhoudelijke terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2015. Daarmee heeft de verdediging - zo meen ik Uw rechtspraak te moeten duiden - het recht om de getuigen aan de tand te voelen over hun eerder bij de politie afgelegde verklaringen prijsgegeven. De omstandigheid dat de verdediging tegenover de raadsheer-commissaris met klem heeft benadrukt geen afstand te doen van de getuigen, kan daar - in weerwil van wat het middel kennelijk wil - dan niet aan afdoen.

11. Voorts is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de bewezenverklaring niet alleen of in beslissende mate steunt op de verklaring van één getuige. Het hof wijst in dit verband in het bijzonder op (1) de afgeluisterde telefoongesprekken, (2) het aantreffen van de verdachte in een auto samen met medeverdachte [medeverdachte 2] in de onmiddellijke nabijheid van het busje waarin het vuurwerk zich bevond en een garage waar - naar ook eerder werd geconstateerd - vuurwerk was opgeslagen en (3) de observatie door de politie van het transport van het vuurwerk. De tapverslagen geven onder meer steun aan de omstandigheid dat het transport heeft plaatsgevonden met twee personen, waaronder [medeverdachte 2] , dat er een huurbus (IVECO) zou worden gebruikt en dat [medeverdachte 2] en de andere verdachte in de vroege morgen van 16 november 2011 naar het zuiden van het land zouden rijden. De aanwezigheid van de verdachte om 07:50 uur ‘s morgens, zittende in de Caddy samen met medeverdachte [medeverdachte 2] , geeft steun aan de bewezenverklaring. Ook de observatieverslagen van de politie geven, met name voor wat betreft het tijdstip van het transport, de gereden route en de daarvoor aan de verdachten uitgeleende en gebruikte mobiele nummers, daaraan steun. Het is niet gewaagd te veronderstellen dat zelfs zonder het bezigen van de verklaringen van beide getuigen voor het bewijs, een bewezenverklaring zich wel laat denken. Het oordeel dat de bewezenverklaring niet alleen of in beslissende mate berust op de verklaringen van beide getuigen is dus bepaald niet onbegrijpelijk.

12. Het hof heeft overigens nog iets toegevoegd over de betrouwbaarheid van de verklaringen van beide getuigen. Zij hebben niet volstaan met de schuld op het bordje van een ander te schuiven, maar ook belastend voor zichzelf verklaard. Bovendien is van enig belang dat de verklaringen van beide (niet ondervraagde) getuigen elkaar ondersteunen. Tenslotte begrijp ik het hof zo dat in het licht van de hierboven besproken taps, het aantreffen van verdachte en de observaties een alternatieve lezing in strijd met de verklaringen van beide getuigen gelet op het ontbreken van onderbouwing niet aannemelijk is.

13. Ik wijs er bovendien op dat de bewijsmiddelen 1 t/m 10 de betwiste getuigenverklaringen bepaald niet onaanzienlijk ondersteunen. De taps en observaties bevestigen het verhaal van beide getuigen.

14. Onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM wordt nog betoogd dat het er niet om gaat of de betwiste getuigenverklaring ‘sole and decisive’ is, maar of ‘their testimonies clearly carried considerable weight in the establishment of applicant’s guilt.’ De steller van het middel meent - als ik het goed begrijp - dat hoewel de betwiste verklaring van de niet ondervraagde getuige niet ‘sole and decisive’ is, deze verklaring wel een ‘considerable weight’ in de schaal (van het bewijs) legt en dat om die reden compenserende maatregelen geboden zijn.

15. De Wilde wijst er op dat de wisselende en alternatieve terminologie voor ‘sole and decisive’ onduidelijkheid oplevert. Is de maatstaf ‘considerable weight’ nu een andere dan ‘sole and decisive’, zoals Reisinger en Dubelaar menen? En als dat al zo is dan komt de vraag aan de orde wat de precieze inhoud van die maatstaf is. Moet het gewicht van het bewijsmiddel behoorlijk, aanmerkelijk, beduidend of zwaarwegend zijn? De eis ligt kennelijk ergens tussen ‘sole and decisive’ aan de ene kant en (kaal) redengevend aan de andere kant, maar een nadere afbakening ontbreekt in het middel. Een al te lage eis die nadert aan redengevend ligt niet voor de hand, omdat in dat geval compenserende maatregelen vrijwel steeds noodzakelijk zijn.

16. Voor zover ik heb kunnen nagaan is de eis van ‘considerable weight’ in de rechtspraak van de Hoge Raad nooit gesteld. De onderhavige zaak is niet erg geschikt om nader te exploreren of de eis van ‘considerable weight’ geldt en wat de betekenis daarvan is voor het Nederlandse bewijsrecht. Ik heb immers al betoogd dat de betekenis van de verklaringen van beide getuigen voor het bewijs in de onderhavige zaak - zacht gezegd - niet van (over) wegend belang is. Tot compenserende maatregelen was het hof hoe dan ook niet gehouden.

17. Aldus heeft het hof geen inbreuk gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van art. 6, eerste lid en derde lid en onder d, EVRM. Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

18. Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

E-mailbericht verzonden naar verkeerde instantie aan te merken als stelbrief?

Hoge Raad 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1178 De dagvaarding in hoger beroep is de verdachte in persoon betekend op 13 februari 2015. De terechtzitting van het hof vond plaats op 27 maart 2015. Op dezelfde datum is – dadelijk na sluiting van het onderzoek - door het hof uitspraak gedaan. Het cassatieberoep diende derhalve op grond van art. 432 Sv uiterlijk veertien dagen na de uitspraak van het hof op 27 maart 2015 te zijn ingesteld. Blijkens de akte cassatie, opgesteld door de griffier van het gerechtshof Den Haag is het cassatieberoep echter eerst op 17 april 2015, derhalve na ommekomst van de genoemde termijn ingesteld.

De overschrijding van de termijn voor het instellen van het beroep is ook de opsteller van de schriftuur niet ontgaan. Volgens die schriftuur kan echter uit een e-mail van de raadsvrouwe, mr. M.S. Waterval, van 9 april 2015 worden afgeleid dat haar door de griffie van het hof een onjuiste datum van het arrest van het hof is medegedeeld, namelijk 10 april 2015. Het cassatieberoep zou derhalve wel tijdig zijn ingesteld, althans zou de termijnoverschrijding verschoonbaar zijn.

Mededeling door de griffie van het gerecht van een onjuiste uitspraakdatum – hetgeen rechtstreeks gevolgen heeft voor de aanvang van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel - kan inderdaad een grond zijn voor het verschoonbaar achten van de overschrijding van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel. Een dergelijke onjuiste mededeling kan immers worden opgevat als een ambtelijk verzuim, dat aan de insteller van het cassatieberoep niet kan worden tegengeworpen – integendeel, hij moet er – in beginsel - op kunnen vertrouwen dat dergelijke mededelingen op juistheid berusten. Een dergelijk ambtelijk verzuim moet echter wel voldoende zijn vastgesteld: louter de theoretische mogelijkheid dat zich een dergelijk verzuim heeft voorgedaan is onvoldoende om verschoonbaar termijnverzuim aan te nemen.

Bij de cassatieschriftuur zijn als ‘producties’ twee e-mailberichten opgenomen die zijn verstuurd namens de raadsvrouwe van verdachte, mr. V.S. Waterval, beide gericht aan rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl, met als onderwerp “[verdachte] /OM parketnummers 10/145283-14 en 10/175504-14”

Het eerste bericht is gedateerd vrijdag 31 oktober 2014 en bevat als tekst:

“Geachte heer, mevrouw,

in bovengenoemde zaken stel ik mij als raadsvrouwe van [verdachte] . Bijgaand treft u afschrift van de akte instellen hoger beroep.

Ik verzoek u vriendelijk mij belde strafdossiers te doen toekomen.

Gaarne vernemend.

Met vriendelijke groet,

V.S. Waterval

Het tweede bericht, gedateerd 9 april 2015, luidt als volgt:

“Geachte heer, mevrouw,

In bovengenoemde zaak heb ik mij gesteld op 31 oktober 2014. Bijgevoegd was de akte instellen hoger beroep.

Helaas heb ik vernomen dat mijn e-mailbericht nimmer is verwerkt, zodat de zitting reeds heeft mogen plaatsvinden zonder mijn bijzijn. Tevens heb ik begrepen dat het arrest aanstaande vrijdag 10 april wordt verwacht.

Ik verzoek u dan ook vriendelijk mij zo spoedig mogelijk het arrest te doen toekomen.

Gaarne vernemend.

Met vriendelijke groet,

V.S. Waterval"

De verdachte is bij arrest van 27 maart 2015 door het gerechtshof Den Haag met toepassing van art. 416 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam waarbij hij is veroordeeld ter zake van een tweetal misdrijven tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan een maand voorwaardelijk, met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

Middel

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte het voorschrift van art. 51 Sv niet heeft nageleefd, aangezien de raadsvrouwe zich in hoger beroep had gesteld doch niet tijdig een afschrift heeft ontvangen van de appeldagvaarding.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

4.2. Uit het dossier blijkt inderdaad niet dat van de dagvaarding in hoger beroep afschrift is gedaan aan een raadsman. Volgens de steller van het middel had dat wel moeten geschieden, aangezien de raadsvrouwe mr. M.S. Waterval zich door middel van het hierboven als eerste reeds aangehaalde e-mailbericht als zodanig had gesteld. Vervolgens moet er volgens de steller van uit worden gegaan dat het genoemde e-mailbericht bij de griffie in het ongerede is geraakt, waarna, parallel aan het arrest van de Hoge Raad van 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6743, in cassatie moet worden aangenomen dat zich wel een raadsvrouwe had gesteld en dat het voorschrift van art. 51 Sv niet is nageleefd, hetgeen (substantiële) nietigheid van het arrest van het hof meebrengt.

4.3. In het genoemde geval uit 2011 ging het om een zogenaamde stelbrief ‘op papier’ die per fax was verzonden aan de griffie van het desbetreffende gerecht, welke verzending niet uit een ontvangstbevestiging door de griffier maar wel uit een (fax)verzendrapport kon blijken.

4.4. Het fenomeen van de stelbrief is geregeld in art. 39 Sv, waarvan het eerste lid als volgt luidt:

“1 De gekozen raadsman geeft van zijn optreden als zoodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan den griffier. Is dat nog niet het geval, dan geeft hij van zijn optreden schriftelijk kennis aan den in de zaak betrokken hulpofficier.”

4.5. De zich op de voet van art. 39 Sv gesteld hebbende raadsman kan uiteraard aanspraak maken op naleving van de processuele voorschriften die betrekking hebben op de status van raadsman van de verdachte, waaronder het voorschrift van art. 51 Sv dat hij een afschrift ontvangt van de dagvaarding. Een en ander geldt, nadat hoger beroep is ingesteld, mutatis mutandis, voor de op de eerste aanleg voortbouwende procesfase. Het zich hernieuwd stellen in appel is daarbij een wezenlijke voorwaarde: net als bij de toegevoegde raadsman (art. 43 Sv) geldt de keuze van een raadsman slechts voor de (gehele) aanleg waarin zij heeft plaatsgehad. Die aanleg is beëindigd als tegen de uitspraak een rechtsmiddel is ingesteld. Het sturen van en stelbrief is echter niet bij uitsluiting constitutief voor de erkenning als raadsman. Volgens de Hoge Raad moet de regeling van art. 39 Sv worden beschouwd als een ‘ordemaatregel’ en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Ook uit enig ander in het dossier aanwezig stuk kan aan de rechter blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg is voorzien van rechtsbijstand door een raadsman. Daarbij moet opgemerkt worden dat de appelakte niet als een zodanig stuk kan gelden.

4.6. In het onderhavige geval bevond zich het e-mailbericht van de raadsvrouwe niet in het dossier dat aan het hof ter beschikking stond. De discussie is dus ook niet of het hof op grond van het aan hem kenbare e-mailbericht tot de conclusie had moeten komen dat de verdachte was voorzien van rechtsbijstand door een raadsman (of: -vrouwe). Hoe dan ook zou het, gelet op het hierboven aangegeven enigszins informele karakter van de regels omtrent het stellen als raadsman, naar het mij voorkomt in het geheel niet ‘verboden’ zijn om op basis van een e-mail tot de conclusie te komen dat de verdachte ook in hoger beroep was voorzien van rechtsbijstand. Maar als gezegd, het e-mailbericht bevindt zich niet in het dossier, evenmin als enig ander stuk waaruit kan blijken dat een raadsman in hoger beroep optrad. De vraag die dus uiteindelijk inderdaad speelt is of de raadsvrouwe er aanspraak op kon maken dat haar e-mailbericht als stelbrief in de zin van art. 39 Sv zou worden aangemerkt en dus ook ter kennis van het hof zou komen. Bij een bevestigend antwoord op die vraag zou er sprake zijn van een tekortschieten van de justitiële instanties, aangezien het e-mailbericht kennelijk niet ter bestemde plaatse is aangekomen en dan zou dat gegeven niet ten nadele van de verdediging mogen komen.

4.7. De steller van het middel wijst er op dat bij sommige gerechten, zoals de rechtbank Rotterdam, afscheid is genomen van de fax, of van zins zijn dit op korte termijn te doen. E-mail zou dan kennelijk de fax kunnen vervangen. Helemaal juist is die stelling niet. Raadpleging van de internetpagina’s van de rechtbank Rotterdam levert inderdaad op dat bij de afdeling aldaar voor de griffie een algemeen e-mail adres is opgenomen, maar daarnaast is ook nog steeds een faxnummer vermeld. Niettemin zou bij e-mailberichten, gericht aan dat (algemene) e-mailadres van de griffie aangenomen moeten kunnen worden dat deze op een juiste wijze administratief worden verwerkt. Kennisgevingen zoals de onderhavige ‘stelbrief’ zouden dan wellicht ook volledig elektronisch gedaan kunnen worden. Raadpleging van de internetpagina van het gerechtshof Den Haag, waar de raadsvrouwe zich in de onderhavige zaak diende te stellen, leert echter dat aldaar bij de afdeling strafrecht niet zo een algemeen e-mailadres van de griffie is vermeld. De graad van automatisering verschilt dus, zo mag geconcludeerd worden, van gerecht tot gerecht. Een algemene regel dat het zenden van een e-mail gelijkgesteld kan worden met een – eventueel per fax verstuurde - ‘gewone’ stelbrief valt daaruit bezwaarlijk af te leiden. Ook de stand van de rechtsontwikkeling is niet zodanig dat die conclusie verantwoord lijkt. Bijvoorbeeld: een volmacht voor het aanwenden van een rechtsmiddel kan volgens de Hoge Raad nog steeds niet op geldige wijze per e-mail worden verzonden. Dat wordt pas anders als de wet digitale processtukken Strafvordering, die op 17 februari 2016 is aangenomen, in werking treedt. In de datum voor inwerkingtreding van die wet is voor zover ik kan nagaan thans nog niet voorzien. Nu kan men daartegen wel inbrengen, dat in de genoemde wet aan de indiening van stukken door onder andere advocaten geen nadere regels zijn gesteld, maar ook dergelijke handelingen zullen naar het mij lijkt in (geautomatiseerde) administratieve systemen moeten worden ondergebracht en dat is kennelijk allemaal nog niet zover.

4.8. Een extra complicatie bij het in de onderhavige zaak verzonden e-mailbericht, dat hierboven als eerste onder 3.4 is weergegeven, is dat – anders dan in het middel wordt gesteld – het er niet op lijkt dat dit aan de griffie van het hof Den Haag is gestuurd, maar is geadresseerd aan wat kennelijk mij een e-mailadres is van het ressortsparket (rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl). Gelet op art. 39 Sv is dat het verkeerde adres: de stelbrief dient blijkens lid 1 van die bepaling aan de griffie van het gerecht te worden verzonden. Om de klacht in het middel te doen slagen zou dan ook nog een voor het openbaar ministerie geldende zgn. doorzendplicht moeten worden aangenomen. Voor een door de verdachte aan het verkeerde (justitiële) adres verzonden brief, waaruit van de wens on een rechtsmiddel aan te wenden kan blijken, geldt een dergelijke doorzendplicht wel. Van een vergelijkbare tegemoetkoming aan de advocaat bij het verzenden van een ‘volmacht aanwenden rechtsmiddel’ aan het verkeerde adres wil de Hoge Raad echter niet weten. Van een advocaat – een professionele rechtsbijstandsverlener - mag worden verwacht dat hij de juiste administratieve weg bewandelt. Dat lijkt mij ook voor een stelbrief niet een onredelijke eis. Daarbij komt nog dat naar ik meen van de advocaat ook verwacht mag worden alert te blijven op het verloop van de strafzaak waarin hij optreedt als raadsman en, in het geval hij kennelijk geen respons krijgt op een stelbrief, zich er van dient te vergewissen of deze wel op de juiste wijze is verzonden en zo nodig navraag daarnaar zal moeten doen. In het onderhavige geval is de e-mail van de raadsvrouwe waarbij zij zich trachtte te stellen op 31 oktober 2014 en is daarbij verzocht om toezending van de dossiers. De eerstvolgende e-mail dateert van 9 april 2015. In de tussentijd had de raadsvrouw bijvoorbeeld al enige tijd duidelijk kunnen zijn dat de dossiers niet binnen waren gekomen, waarna een nadere – en dus eerdere - actie door haar had kunnen worden ondernomen. Met andere woorden: ook aan de organisatie en administratieve ondersteuning van een advocaat mogen redelijke eisen worden gesteld. Het risico dat ontstaat bij daarmee verband houdende gebreken kan niet uitsluitend bij de Staat worden gelegd.

4.9. Mijn slotsom is dat aan de namens de raadsvrouwe per e-mail verstuurde “stelbrief” in het onderhavige geval niet de redelijke verwachting ontleend kon worden dat deze ter griffie van het gerecht zou aankomen en dat derhalve de klacht, dat door het hof ten onrechte geen toepassing is gegeven aan art. 51 Sv, ongegrond is.

4.10. Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^