Verweer ex art. 359a Sv. Onrechtmatig binnentreden?

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1153

Feiten

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij omstreeks de periode van 01 april 2005 tot en met 18 oktober 2005 te Schiedam opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat]) een groot aantal hennepplanten zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting heeft de raadsman betoogd dat de inbeslagneming van de hennep in de woning en al hetgeen nog meer in die woning is aangetroffen, moet worden uitgesloten van het bewijs, nu er op het moment waarop de woning nadat het ex artikel 8 lid 2 van de Politiewet uitgevoerde onderzoek was afgerond en het onderzoek zich vervolgens en uitsluitend nog richtte op de hennepkwekerij en de inbeslagneming/ontmanteling daarvan geen vereiste/benodigde machtiging meer voorhanden was, een en ander zoals verwoord in zijn pleitnotities.

Dit verweer faalt reeds omdat het feitelijke grondslag ontbeert.

Immers, uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat het ex artikel 8 lid 2 van de Politiewet uitgevoerde onderzoek was afgerond en het onderzoek zich vervolgens uitsluitend nog richtte op de hennepkwekerij en de inbeslagneming/ontmanteling daarvan. Weliswaar ontbreekt de machtiging binnentreden in het dossier, echter uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, en mede gelet op het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal verslag binnentreden woning, d.d. 18 oktober 2005, is naar het oordeel van het hof, genoegzaam komen vast te staan dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], vergezeld van een aantal opsporingsambtenaren de bewuste woning naar aanleiding van een melding, in het kader van hulpverlening, als bedoeld in artikel 8 lid 2, van de Politiewet met de vereiste machtiging op grond van artikel 8, lid 2, van de Politiewet hebben betreden en - ook gelet op de in die woning aangetroffen (bloed)sporen die de melding dat er aldaar vermoedelijk een gewonde man zou liggen, ondersteunde - ook op goede gronden en rechtmatig zijn binnen getreden op dinsdag 18 oktober 2005 te 14.31 uur en die woning in het kader van dit onderzoek, waaronder het aantreffen van de hennepkwekerij - als 'bijvangst' - is verlaten die dag te 21.30 uur.

Naar het oordeel van het hof en in weerwil van hetgeen de raadsman heeft betoogd, is de inbeslagneming in deze dan ook rechtmatig geschied.

Voorts boden de in de woning aangetroffen (bloed)sporen ondersteuning aan de mogelijkheid dat een onbekend persoon gewond was geraakt en zich mogelijk nog in de woning bevond, een en ander zoals ook op ambtsbelofte gerelateerd in het verslag binnentreden woning als redengeving voor het binnentreden in deze en is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zelfs geen begin van aannemelijkheid naar voren gekomen op grond waarvan er twijfel rijst ten aanzien van de genoemde melding en de rechtvaardiging op grond daarvan binnen te treden.

Hetgeen de raadsman ter zake en in dit verband nog heeft betoogd, kan daar dan ook niet aan afdoen.

Het hof verwerpt dan ook het verweer en ziet derhalve geen aanleiding tot bewijsuitsluiting te komen dan wel enig verzuim te compenseren door strafvermindering zoals door de verdediging in dit verband is betoogd."

Bij arrest van 4 januari 2011 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof ‘s-Gravenhage van 3 februari 2009 vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof, waarna verdachte op 7 juli 2011 wegens 1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “ diefstal” is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaren.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering op de voet van art. 359a Sv onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Het gaat in dit geding om het volgende. Op 18 oktober 2005 om 14.31 uur zijn verbalisanten op grond van art. 8, tweede lid, Politiewet 1993 (thans art. 7, tweede lid, Politiewet 2012) en tevens voorzien van een machtiging tot binnentreden rechtmatig binnengetreden in de woning van de verdachte, die daarin niet aanwezig was. Daarbij is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Naar aanleiding daarvan is door de verbalisanten om assistentie verzocht, waarop een aantal andere verbalisanten ter plaatse is gekomen en de hennepkwekerij vanaf 16.00 uur tot 21.30 uur is ontmanteld. Niet vaststaat wanneer de verbalisanten die om assistentie hebben verzocht de woning hebben verlaten.

Namens de verdachte is de stelling betrokken dat, nadat het op de hulpverlening betrekking hebbende onderzoek kennelijk op enig moment was afgerond, een (nieuwe) machtiging tot binnentreden was vereist ten behoeve van het vanaf 16.00 uur door andere verbalisanten in de woning verrichte onderzoek met betrekking tot de hennepkwekerij, en dat bij gebreke daarvan de inbeslagneming van de hennepplanten en hetgeen tot de hennepkwekerij behoorde onrechtmatig is geweest, zodat daaraan op de voet van art. 359a Sv het gevolg bewijsuitsluiting, althans strafvermindering moet worden verbonden.

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de inbeslagneming heeft plaatsgevonden terwijl de betreffende verbalisant(en) niet in het bezit was/waren van de op grond van de Awbi vereiste machtiging tot binnentreden, en dat het ontbreken van die machtiging een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv oplevert.

Voor het antwoord op de vraag of dit verzuim van dien aard is geweest dat het door de inbeslagneming verkregen materiaal van het bewijs moet worden uitgesloten of tot strafvermindering aanleiding moet geven, geldt het volgende. In het onderhavige geval, waarin de eerder aanwezige en zich rechtmatig in de woning van de - afwezige - verdachte bevindende verbalisanten op de voet van art. 9 Opiumwet bevoegd zouden zijn geweest tot onmiddellijke inbeslagneming van het daarvoor vatbare materiaal dat verband hield met de door hen aangetroffen hennepkwekerij, kan niet gezegd worden dat door het ontbreken van de machtiging tot binnentreden van de binnen niet al te lange tijd na het aantreffen op verzoek van de eerstbedoelde verbalisanten ter plaatse gekomen andere verbalisanten een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en evenmin dat de verdachte, die zulks ook niet heeft gesteld, daardoor daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Daarop stuiten de klachten van het middel af.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Toevoeging (andere) raadsman

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1155

Feiten

Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft verdachte op 30 juni 2011 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 22 december 2009.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

Middel

Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest nietig zijn, omdat het Hof gehouden was een andere raadsman toe te voegen.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2011 is de verdachte aldaar, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen. Verder vermeldt dit proces-verbaal:

"De voorzitter deelt vervolgens mee dat is ingekomen een brief van mr. A.P.A. Snijders, advocaat te Heerlen, d.d. 3 mei 2011, waarin hij mededeelt dat hij bij de rechtbank te Maastricht al was teruggetreden als advocaat van verdachte en dat hij zijn cliënt hieromtrent separaat heeft aangeschreven. De voorzitter stelt vast dat er in het dossier geen grieven tegen het vonnis van de eerste rechter zijn aangetroffen. De advocaat-generaal voert daarop het woord als volgt. Het is juist dat in deze zaak door de verdachte geen schriftelijke grieven tegen het vonnis zijn ingediend.

Nu de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en derhalve ook mondeling geen bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, concludeer ik daaruit dat de verdachte geen belang heeft bij een behandeling van de strafzaak in hoger beroep.

Gelet daarop vorder ik dat het hof de verdachte niet ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.

De advocaat-generaal leest daartoe zijn vordering voor en legt die aan het hof over.

Na beraad verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden."

Bij de stukken van het geding bevinden zich voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende stukken.

(i) Een door de Rechter-Commissaris in de Rechtbank Maastricht op 2 juni 2009 verleend bevel tot bewaring van de verdachte.

(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 8 december 2009 inhoudende dat aldaar de verdachte wel, doch zijn raadsman niet is verschenen. Verder vermeldt dit proces-verbaal: "De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De verdachte verklaart desgevraagd: Ik wens mij niet langer te laten bijstaan door mr. Snijders. Ik heb geen raadsman nodig. Het is een bewuste keuze om zelf mijn verdediging te voeren.

De voorzitter merkt op dat verdachte, mocht hij tijdens de behandeling van de zaak van gedachten veranderen, kan aangeven dat hij zich wenst te laten bijstaan door een raadsman. (...)

De verdachte laat blijken dat hij de strafeis van de officier van justitie niet heeft begrepen.

De voorzitter legt vervolgens aan de verdachte uit wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank onderbreekt het onderzoek teneinde zich te beraden over de vraag of het onderzoek kan worden voortgezet zonder dat verdachte wordt bijgestaan door een raadsman.

De rechtbank hervat het onderzoek.

De voorzitter vraagt aan de verdachte of hij zich alsnog wil laten bijstaan door een raadsman.

De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven-:

Ik heb geen behoefte aan een raadsman. Ik wil dat het onderzoek wordt voortgezet. Aan een behandeling door een psycholoog zal ik absoluut niet meewerken. Mocht de vordering benadeelde partij worden toegewezen, dan zal ik deze niet betalen. Na mijn invrijheidsstelling vertrek ik naar Suriname.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 22 december 2009 te 12.30 uur."

(iii) Een op 13 april 2011 door de voorzitter van het Hof gegeven en tot de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch gerichte last tot toevoeging van mr. A.P.A. Snijders als raadsman aan de verdachte.

(iv) De - hiervoor onder 3.2 genoemde - aan het Hof gerichte brief van mr. Snijders van 3 mei 2011, inhoudende:

"In opgemelde zaak ontving ik de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 april 2011 (...) alsmede het bewijs van toevoeging.

Ik kan u bij deze berichten dat ik ook bij de rechtbank Maastricht al ben teruggetreden als advocaat van cliënt en dat cliënt de behandeling van zijn zaak zelf heeft gedaan zonder behulp van een advocaat. Ik treed dus ook in hoger beroep niet op voor cliënt en ik doe u hierbij de desbetreffende stukken wederom toekomen.

Ik heb cliënt hieromtrent ook al separaat aangeschreven."

(v) De - hiervoor onder (iv) bedoelde - aan de verdachte gerichte brief van mr. Snijders van 20 april 2011, inhoudende:

"Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft mij het dossier in uw strafzaak toegezonden onder de mededeling dat de zaak wordt behandeld op donderdag 30 juni 2011 te 11.30 uur. Kennelijk is het Gerechtshof er vanuit gegaan dat ik nog steeds uw raadsman ben.

Zonder andersluidend tegenbericht ga ik ervan uit dat u van mijn diensten geen gebruik meer wenst te maken. Voorts neem ik aan dat u zich zult wenden tot een andere advocaat. Wilt u mij de gegevens van die advocaat kenbaar maken zodat ik het dossier en de overige bescheiden aan hem kan toesturen."

Ingevolge art. 41, eerste lid aanhef en onder b, Sv wordt aan de verdachte die geen raadsman heeft, door het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand een raadsman toegevoegd wanneer hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis in eerste aanleg en het een zaak betreft waarin zijn voorlopige hechtenis is bevolen, op ambtshalve last van de voorzitter van het gerechtshof.

Ingevolge art. 45, eerste lid, Sv wordt bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman zo nodig aan de verdachte onverwijld een andere raadsman toegevoegd. Ingeval de raadsman is toegevoegd op last van een rechterlijke autoriteit, dient ingevolge het derde lid van voornoemde bepaling de vervanging na een daartoe strekkende last van die autoriteit te geschieden. Blijkt van de verhindering of ontstentenis van de raadsman pas op de terechtzitting, dan dient ingevolge het vierde lid van voornoemde bepaling de voorzitter last tot toevoeging van een andere raadsman te geven.

In dit geval heeft de verdachte voorlopige hechtenis ondergaan en is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan hem op de voet van art. 41, eerste lid, Sv een raadsman toegevoegd. Uit de stukken van het geding blijkt evenwel dat die raadsman zich reeds in eerste aanleg uit de zaak had teruggetrokken en dat hij het bewijs van toevoeging in hoger beroep voorafgaande aan de terechtzitting aan het Hof heeft teruggestuurd met bericht dat hij ook in hoger beroep niet voor de verdachte optreedt. De stukken van het geding houden niet in dat in hoger beroep een andere advocaat zich als raadsman heeft gesteld en evenmin dat toevoeging van een andere raadsman als bedoeld in art. 45, eerste lid, Sv heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte in hoger beroep geen raadsman heeft gehad. Uit de stukken van het geding bijkt niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat, gelet op het in het eerste lid van art. 45 Sv vervatte voorbehoud, in dit geval van de toevoeging van een andere raadsman kon worden afgezien.

De in het belang van de verdachte gegeven voorschriften vervat in de art. 41, eerste lid aanhef en onder b, Sv en 45, eerste, derde en vierde lid, Sv zijn van een zo grote betekenis dat, al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet nakoming daarvan geacht moet worden aan een geldige behandeling van het onderzoek op de terechtzitting in de weg te staan.

Het middel is dus terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bewijsklacht: Ongeloofwaardige verklaring verdachte

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1159

Feiten

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 22 maart 2012 bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en de motivering daarvan, een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2010 waarbij verdachte schuldig is bevonden aan 1) voorbereiding van diefstal met geweld of afpersing; 2) handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en 3) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het hof heeft verdachte ter zake hiervan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Middel

Het middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring.

Het middel klaagt dat de Rechtbank de verklaring van de verdachte, die in de bewijsmotivering als volgt is weergegeven: "de revolver zat in mijn tas maar ik weet er niets vanaf; ik leen mijn auto vaak uit aan anderen en die laten wel eens spullen hierin achter; een vriend van mij gebruikt een van de bivakmutsen bij optredens terwijl hij niet in beeld wil komen."

En die door haar niet geloofwaardig is geacht, ten onrechte onder "de bewijsmiddelen" heeft opgenomen.

Beoordeling Hoge Raad

De werkwijze die de Rechtbank in de onderhavige zaak in haar zogenoemde Promis-vonnis heeft gevolgd ten aanzien van de - door het Hof overgenomen - bewijsmotivering, komt erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij de Rechtbank heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387). In dat opzicht wijkt het onderhavige vonnis af van de beslissing waarop het in het middel genoemde arrest HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8498 betrekking heeft.

De Rechtbank heeft in haar bewijsmotivering tot uitdrukking gebracht dat zij geen geloof heeft gehecht aan de verklaring van de verdachte. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter in zijn bewijsmotivering feiten of omstandigheden - hier de inhoud van voormelde verklaring van de verdachte - weergeeft teneinde vervolgens tot uitdrukking te brengen dat daaraan moet worden voorbijgegaan (vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1182, NJ 2008/612).

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Unus testis, nullus testis

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158

Feiten

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

"dat hij op tijdstippen in de periode van 13 november 2007 tot en met 1 januari 2009 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, met [slachtoffer], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen zijn, verdachtes, tong in de mond en de vagina van [slachtoffer] geduwd/gebracht en

- meermalen aan de vagina van [slachtoffer] gelikt/gezogen en over de vagina van [slachtoffer] gewreven en

- meermalen [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis doen vasthouden en aan zijn, verdachtes, penis laten trekken en

- meermalen met zijn, verdachtes, penis tegen de billen van [slachtoffer] gelegen."

Verzoeker is bij arrest van 22 december 2011 door het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch wegens primair “Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Namens verzoeker heeft mr. F.A. de Leeuw, advocaat te Eindhoven, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.

Beoordeling Hoge Raad

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515).

Het Hof heeft gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat voldoende steunbewijs voor de belastende verklaringen van [slachtoffer] te vinden is in de verklaringen van haar moeder ([betrokkene 1]), haar vader ([betrokkene 2]), [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en in de verklaring van de verdachte zelf.

In het onderhavige geval kan, mede gelet op die nadere motivering, niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer] onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dus geen sprake van schending van art. 342, tweede lid, Sv.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming: Gegronde klacht m.b.t. ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit een feit waarvan betrokkene is vrijgesproken

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1157

Feiten

In de hoofdzaak is aan de betrokkene onder 3 tenlastegelegd dat:

"hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 1994 tot en met 31 december 1996, in de gemeente Alkmaar en/of in de gemeente Schagen en/of in de gemeente Leeuwarden en/of in de gemeente Haarlem en/of in de gemeente Breda en/of in de gemeente Den Haag, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, te weten [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1979), die (toen) de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en derhalve minderjarig was, tot prostitutie heeft gebracht, dan wel (een) handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemde [betrokkene 1] daardoor in de prostitutie zou belanden."

Daarvan is ten laste van de betrokkene onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 5 juni 1996 tot en met 30 november 1996, in de gemeente Alkmaar en in de gemeente Leeuwarden en in de gemeente Haarlem en in de gemeente Breda en in de gemeente Den Haag, een ander, te weten [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1979, die toen de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en derhalve minderjarig was, tot prostitutie heeft gebracht."

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij verstekarrest van 1 december 2004 aan de betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag van € 125.047,76 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof mede een betalingsverplichting heeft opgelegd ter ontneming van voordeel dat is verkregen uit een feit waarvan de betrokkene is vrijgesproken.

Beoordeling Hoge Raad

De betrokkene is in de hoofdzaak vrijgesproken van het brengen tot prostitutie dan wel het ondernemen van handelingen waarvan de betrokkene wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de minderjarige [betrokkene 1] daardoor in de prostitutie zou belanden in de perioden van 17 oktober 1994 tot 5 juni 1996 en van 1 december 1996 tot en met 31 december 1996. Gelet daarop heeft het Hof bij het ontnemingsbedrag ten onrechte het in de bestreden uitspraak aan die perioden gerelateerde voordeel betrokken (vgl. EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03 (Geerings tegen Nederland), ECLI:NL:HR:2008:BF0090, NJ 2008/497).

De klacht is derhalve gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nietige dagvaarding? De termen vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken

Hoge Raad 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1105

Feiten

Bij arrest van 13 maart 2012 heeft het Hof te Amsterdam de verdachte wegens mishandeling veroordeeld tot een geldboete van € 750,-, te vervangen door vijftien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Tevens heeft het Hof de inleidende dagvaarding nietig verklaard voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit.

Mr. R.C. Tdlohreg, Advocaat-Generaal bij het Hof te ‘s-Gravenhage, heeft beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de inleidende dagvaarding wat betreft het onder 2 tenlastegelegde moet worden nietig verklaard.

Beoordeling Hoge Raad

Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 7 augustus 2010 te Diemen opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een (voor)deur behorende bij perceel [a-straat 1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt."

Het Hof heeft wat betreft dat feit de dagvaarding nietig verklaard op de grond dat "het onder 2 ten laste gelegde feit onvoldoende feitelijk is omschreven".

Art. 350, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie."

De tenlastelegging is toegesneden op art. 350, eerste lid, Sr. De in de tenlastelegging voorkomende termen "vernield", "beschadigd" en "onbruikbaar gemaakt" zijn kennelijk gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de dienovereenkomstige uitdrukkingen in die bepaling. Voor zover in het bestreden arrest als oordeel van het Hof besloten ligt dat de termen "vernielen", "beschadigen" en "onbruikbaar maken" niet mede feitelijke betekenis hebben en dat de tenlastelegging wat betreft de opgave van het feit niet voldoet aan de eisen van art. 261 Sv, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Termen “beledigd” en “beledigend”

Hoge Raad 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1107

Feiten

Bij arrest van 26 september 2011 is de verdachte door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. belediging en 2. bedreiging veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van tien weken en een geldboete van € 350,-.

Namens de verdachte heeft mr D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgedragen.

Middel

Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de door de aangeefster gedane schriftelijke klacht betrekking heeft op belediging.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op art. 266, eerste lid, Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende termen "beledigd" en "beledigend" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de in die bepaling voorkomende uitdrukking "belediging".

Mede gelet op hetgeen de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen inhouden kan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring omschreven gedraging - het opzettelijk spuwen tegen een raam van de auto waarin de aangeefster was gezeten - niet zonder meer worden aangemerkt als "belediging" in de zin van voormelde wetsbepaling. Daaruit volgt dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de in de tenlastelegging voorkomende termen "beledigd" en "beledigend" en dat het derhalve de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de verdachte vrijspreken van het hem onder 1 tenlastegelegde. Dat brengt mee dat hij - mede gelet op het bepaalde in art. 68 Sr - geen in rechte te respecteren belang heeft bij de gegrondbevinding van de namens hem voorgestelde middelen van cassatie, die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging ter zake van feit 1, zodat deze onbesproken dienen te blijven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Belediging “in zijn tegenwoordigheid”, art. 266 Sr

Hoge Raad 5 november 2013,

Feiten

Bij arrest van 4 oktober 2011 is de verdachte door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens “Eenvoudige belediging” veroordeeld tot een geldboete van € 120,-, subsidiair twee dagen hechtenis.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "zij op 17 september 2009 te Tilburg opzettelijk beledigend [verbalisant 1], in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd "Vieze kankerhoer"."

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

  1. Een proces-verbaal van aangifte van regiopolitie Midden en West Brabant, district Tilburg, Team Wilhelminapark, proces-verbaalnummer 2009165848-1, dossierpagina's 9 t/m 13, d.d. 17 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], aspirant van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1] en als relaas van bevindingen van de betreffende verbalisant, zakelijk weergegeven: Tijdens deze aangifte, om 10.51 uur, kwam een voicemailbericht binnen op mijn telefoon. Ik heb jou, verbalisant, dit bericht laten horen. Het is [verdachte] die het bericht inspreekt. [verdachte] zegt in dit voicemailbericht het volgende: "Vieze kankerhoer. (...) Ik sta voor je huis en ik blijf voor je huis wachten. Iedereen van mijn mensen blijft op je wachten." Opmerking verbalisant: lk hoorde tijdens het opnemen van de aangifte dat een voicemailbericht binnenkwam op de telefoon van aangeefster met de tekst: "Vieze kankerhoer. (...) Ik sta voor je huis en ik blijf voor je huis wachten. Iedereen van mijn mensen blijft op je wachten." Tijdens de aangifte wordt aangeefster gebeld door een huisgenoot met de mededeling dat [verdachte] voor de deur staat.
  2. Een proces-verbaal "Klachte tegen natuurlijk persoon" van regiopolitie Midden en West Brabant, district Tilburg, Team Wilhelminapark, proces-verbaalnummer 2009165848-7, dossierpagina 14, d.d. 13 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], inspecteur en hulpofficier van justitie, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1], zakelijk weergegeven: Ik, [verbalisant 1], wil een klacht indienen tegen [verdachte]. De reden hiervoor is belediging gepleegd door [verdachte]. Ik verzoek u hierbij tegen [verdachte] een strafrechtelijke vervolging te doen instellen.
  3. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: U vraagt mij of het klopt dat ik [verbalisant 1] op 17 september 2009 via de voicemail heb uitgescholden voor vieze kankerhoer. Dat zou kunnen. Het is gewoon gebeurd."

Het bestreden arrest houdt onder het hoofd "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" voorts het volgende in:

"Het hof is - met de rechter in eerste aanleg en de advocaat-generaal - van oordeel dat het uiten van beledigende woorden per voicemail opgevat kan worden als het in iemands tegenwoordigheid mondeling beledigende woorden toevoegen. In de rechtspraak is eerder bepaald dat sprake is van een belediging in tegenwoordigheid van de beledigde indien per telefoon wordt beledigd (Rb. Amsterdam 18 december 1913, NJ 1914, 246). Door het inspreken van een voicemailbericht (met een beledigend karakter, zie hierna) heeft de verdachte kennelijk de vooropgezette bedoeling gehad om deze uitlatingen op een later moment te laten vernemen. Ook in dat geval is naar het oordeel van het hof sprake van belediging in tegenwoordigheid van de ontvanger: deze verneemt de woorden rechtstreeks van de belediger, zij het - vermoedelijk - na enig tijdsverloop."

Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgedragen.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan het delictsbestanddeel "in zijn tegenwoordigheid" in art. 266 Sr.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op art. 266, eerste lid, Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden "in zijn tegenwoordigheid" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.

Het oordeel van het Hof dat onder omstandigheden sprake kan zijn van belediging van iemand "in zijn tegenwoordigheid mondeling aangedaan" indien de beledigde niet in de fysieke nabijheid verkeert van degene die beledigt of de beledigde die belediging eerst op een later tijdstip verneemt dan dat zij is gedaan, is, gelet op doel en strekking van art. 266, eerste lid, Sr, juist.

In dit geval heeft de aangeefster de belediging vernomen bij het afluisteren van de voicemail waarop de verdachte deze had ingesproken. Gelet op het vorenstaande heeft het Hof met zijn oordeel dat de belediging de aangeefster aldus in haar tegenwoordigheid mondeling is aangedaan, niet een te ruime uitleg gegeven aan art. 266, eerste lid, Sr.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Diplomatieke immuniteit & “Note Verbale” van 21 april 2011 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Bosnië en Herzegovina aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse zaken

Hoge Raad 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1122

Feiten

Bij arrest van 20 juni 2012 heeft het Hof te ’s-Gravenhage verdachte wegens 'openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf voor de duur van 100 uren te vervangen door 50 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig art. 27, eerste lid, Sr.

Namens de verdachte heeft mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie doen instellen.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof een gevoerd preliminair verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep als volgt weergegeven en verworpen:

"Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de raadsman mede:

Bij aanvang van het verhoor van mijn cliënt bij de politie heeft hij medegedeeld dat zijn vader diplomaat is en dat hij zelf ook een diplomatenpaspoort had. Hierdoor was hij immuun voor strafrechtelijke vervolging. Ten tijde van het tenlastegelegde was hij onschendbaar. Ondanks deze mededeling van mijn cliënt is de politie doorgegaan met het verhoor. Dit is een grove schending van internationaalrechtelijke voorschriften. Ik verzoek uw hof dan ook het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren nu geen rekening is gehouden met zijn diplomatieke status. (...)

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het preliminair verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wordt afgewezen. Het hof heeft kennisgenomen van de nota inhoudende de mededeling van het Ministerie van Buitenlandse zaken van Bosnië en Herzegovina inhoudende onder meer dat de immuniteit van de verdachte ten behoeve van de onderhavige strafzaak is opgeheven. Derhalve ziet het hof geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren."

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich de door het Hof als 'nota' aangeduide "Note Verbale" van 21 april 2011 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Bosnië en Herzegovina aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze "Note Verbale" houdt in:

"The Ministry of Foreign Affairs of Bosnia and Herzegovina has received the requested explanations and information, based upon the above mentioned Note, relating to the fact that [verdachte], son of [betrokkene], Diplomatic Representative of Bosnia and Herzegovina in the Kingdom of the Netherlands was registered (notified) at the Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands by 18.02.2011.

Having in mind the above stated, and according to the Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands request to abolish [verdachte] immunities, Ministry of Foreign Affairs of Bosnia and Herzegovina, based on Article 32, paragraph 2, and relating to Article 37, paragraph 1 of the Vienna Convention on Diplomatic Relations, explicitly waives immunities of the above mentioned person."

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende verdragsbepalingen van belang:

art. 31, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, gesloten te Wenen op 18 april 1961 (Trb. 1962, 101), verder te noemen: Verdrag van Wenen: "A diplomatic agent shall enjoy immunity from the criminal jurisdiction of the receiving State.(...)"

art. 32, eerste en tweede lid, van het Verdrag van Wenen:

  1. "The immunity from jurisdiction of diplomatic agents and of persons enjoying immunity under Article 37 may be waived by the sending State.
  2. Waiver must always be express."

- art. 37, eerste lid, van het Verdrag van Wenen:

"The members of the family of a diplomatic agent forming part of his household shall, if they are not nationals of the receiving State, enjoy the privileges and immunities specified in Articles 29 to 36."

In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de zendstaat Bosnië en Herzegovina uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de immuniteit van jurisdictie voor strafvervolging van de verdachte in de ontvangende staat. Dat oordeel geeft niet blijk van schending van de onder 2.4 weergegeven verdragsbepalingen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op de inhoud van de onder 2.3 weergegeven "Note Verbale" en is toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Redelijk vermoeden voldoende voor de bevoegdheid van de inspecteur tot het stellen van vragen op de voet van artikel 47

Hoge Raad 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1016

Feiten

Op grond van een microfiche zijn belanghebbende en zijn echtgenote geïdentificeerd als rekeninghouders van bankrekeningen bij de Kredietbank Luxembourg (KB-Luxrekeningen) met saldi op 31 januari 1994 van in totaal ƒ 206.635,30. Belanghebbende ontkent rekeninghouder te zijn (geweest). In rechte is onherroepelijk komen vast te staan dat de Inspecteur over de jaren 1990 tot en met 2000 terecht de saldi van die rekeningen en de inkomsten daaruit in de belastingheffing heeft betrokken.

De Inspecteur heeft belanghebbende ook voor de jaren 2002 en 2003 gevraagd om gegevens te verstrekken over (het verloop van) de KB-Luxrekeningen. Omdat belanghebbende die gegevens niet heeft verstrekt, zijn aanslagen IB/PVV (alsmede boeten) voor de jaren 2002 en 2003 aan hem opgelegd waarbij geschatte bedragen tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen zijn gerekend.

De aanslag voor het jaar 2002 en de daarbij gegeven boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur verminderd. De aanslag voor het jaar 2003 en de daarbij gegeven boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Haarlem heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen en de boeten verminderd.

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd uitsluitend wat betreft de boetebeschikkingen, het beroep in zoverre gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur inzake de boetebeschikkingen vernietigd en de boetebeschikkingen vernietigd.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur op grond van het vermoedelijke houderschap in het jaar 2000 aan belanghebbende mocht vragen gegevens te verstrekken over (het verloop van) de KB-Luxrekeningen met betrekking tot de jaren 2002 en 2003. Aangezien belanghebbende die gegevens niet heeft verstrekt, ondanks de verplichting daartoe ingevolge artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, vindt het bepaalde in artikel 27e AWR toepassing, aldus het Hof. Omdat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de correcties, zoals deze nader door de Inspecteur zijn berekend, te hoog zijn vastgesteld, heeft het Hof het beroep met betrekking tot de belasting ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het vijfde middel komt op tegen het weergegeven oordeel van het Hof.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof is bij zijn oordeel kennelijk ervan uitgegaan dat belanghebbende niet alleen in het jaar 2000, maar ook in de jaren 2002 en 2003 vermoedelijk houder was van de KB‑Luxrekeningen. Dat oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande heeft het Hof zonder schending van enige rechtsregel kunnen oordelen dat de Inspecteur aan belanghebbende mocht vragen gegevens met betrekking tot die rekeningen te verstrekken met een beroep op het bepaalde in artikel 47 AWR, en dat, aangezien belanghebbende die inlichtingen niet heeft verstrekt, de bewijslast wordt omgekeerd als bedoeld in artikel 27e AWR.

Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd is voor de bevoegdheid van een inspecteur tot het stellen van vragen op de voet van artikel 47 AWR in een geval als het onderhavige niet vereist dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de belanghebbende in de desbetreffende jaren nog over de rekening beschikte, maar is een redelijk vermoeden ter zake voldoende.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^