Bewijsklacht: Ongeloofwaardige verklaring verdachte

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1159

Feiten

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 22 maart 2012 bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en de motivering daarvan, een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2010 waarbij verdachte schuldig is bevonden aan 1) voorbereiding van diefstal met geweld of afpersing; 2) handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en 3) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het hof heeft verdachte ter zake hiervan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Middel

Het middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring.

Het middel klaagt dat de Rechtbank de verklaring van de verdachte, die in de bewijsmotivering als volgt is weergegeven: "de revolver zat in mijn tas maar ik weet er niets vanaf; ik leen mijn auto vaak uit aan anderen en die laten wel eens spullen hierin achter; een vriend van mij gebruikt een van de bivakmutsen bij optredens terwijl hij niet in beeld wil komen."

En die door haar niet geloofwaardig is geacht, ten onrechte onder "de bewijsmiddelen" heeft opgenomen.

Beoordeling Hoge Raad

De werkwijze die de Rechtbank in de onderhavige zaak in haar zogenoemde Promis-vonnis heeft gevolgd ten aanzien van de - door het Hof overgenomen - bewijsmotivering, komt erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij de Rechtbank heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387). In dat opzicht wijkt het onderhavige vonnis af van de beslissing waarop het in het middel genoemde arrest HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8498 betrekking heeft.

De Rechtbank heeft in haar bewijsmotivering tot uitdrukking gebracht dat zij geen geloof heeft gehecht aan de verklaring van de verdachte. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter in zijn bewijsmotivering feiten of omstandigheden - hier de inhoud van voormelde verklaring van de verdachte - weergeeft teneinde vervolgens tot uitdrukking te brengen dat daaraan moet worden voorbijgegaan (vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1182, NJ 2008/612).

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF