Vrijspraak witwassen nu gebleken is dat het geldbedrag afkomstig is uit het vermogen van Flextime B.V. hetgeen niet als 'besmet' is aan te merken

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2268

Feit 1

Aan verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 30.000,-.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. De advocaat-generaal heeft hiertoe aangevoerd dat op grond van de in het dossier aanwezige tapgesprekken, de processen-verbaal van observatie en de verklaring die medeverdachte [medeverdachte2] als getuige ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd, kan worden bewezen dat verdachte op 18 oktober een geldbedrag van € 30.000,- voorhanden heeft gehad. De advocaat-generaal heeft op grond van de volgende omstandigheden betoogd dat kan worden bewezen dat Yetim wist dat dit geldbedrag van enig misdrijf afkomstig was, te weten:

  • de omstandigheid dat het geldbedrag uit coupures van € 500,- bestond;
  • het contant betalen van een vordering/rekening van een dergelijk groot geldbedrag in het dagelijkse leven niet of nauwelijks voorkomt;
  • de omstandigheid dat de afspraken die omtrent de overdracht van het geldbedrag in versluierd taalgebruik plaatsvonden en
  • de omstandigheid dat uit het strafdossier naar voren komt dat verdachte contacten had met personen uit het criminele circuit.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat het geldbedrag van € 30.000,- van enig misdrijf afkomstig is. Voor zover het hof van oordeel is dat het bedrag van misdrijf afkomstig is, kan naar de mening van de verdediging niet gesteld worden dat verdachte wist dan wel moest weten dat het geld dat hij verworven zou hebben van misdrijf afkomstig was, nu verdachte niets van doen had met de vermeende praktijken van [medeverdachte3]

Oordeel hof

Wettelijk kader artikel 420bis Sr

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen stelt het hof voorop dat geen direct bewijs vereist is ten aanzien van het delictsbestanddeel 'uit enig misdrijf afkomstig'. Uit HR 13 juli 2010 (LJN BM2471) volgt dat indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, dit delictsbestanddeel niettemin bewezen kan worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Bovendien is niet vereist dat het voorwerp geheel uit misdrijf afkomstig is: ook een voorwerp dat gedeeltelijk is gefinancierd met crimineel geld en voor het overige met legaal geld is van misdrijf afkomstig (zogenoemde 'vermenging').

Uitganspunt is ingevolge recente jurisprudentie van de Hoge Raad dat het enkele voorhanden hebben door verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en die gedraging derhalve niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Alsdan geldt dat, waar het het 'voorhanden' hebben van een goed betreft, een vervolghandeling moet hebben plaatsgevonden, ingegeven door de wens om de herkomst van het goed te verbergen of te verhullen.

Vaststelling feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Op 19 september 2010 is een onderzoek onder de naam “Boerdijk” gestart. Het betrof een onderzoek naar (onder meer) het uitzendbureau [medeverdachte3] (hierna: [medeverdachte3]) te Deventer en haar bestuurders inzake verdenking van (onder meer) mensenhandel, valsheid in geschrifte en witwassen. Tijdens dat onderzoek werden de telefoons van de bestuurders van [medeverdachte3], te weten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] getapt en is er een observatieteam ingezet, omdat het vermoeden rees dat er op 18 oktober 2010 een contante geldtransactie zou plaatsvinden tussen [medeverdachte2] en verdachte.

Het hof stelt voorop dat in hoger beroep - anders dan in eerste aanleg - door de verdediging niet betwist wordt dat verdachte op 18 oktober 2010 een bedrag van € 30.000,- voorhanden heeft gehad. Het hof stelt mede op grond van de verklaringen die de medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte1] als getuige in de zaak van verdachte hebben afgelegd, de waarnemingen van het observatieteam, het rekeningafschrift waaruit volgt dat [medeverdachte3] op 12 oktober 2010 voor € 30.000,- aan eurobiljetten heeft besteld bij de bank en een aantal tapgesprekken in de periode voorafgaande en kort na 18 oktober 2010, vast dat voornoemd bedrag van [medeverdachte3] afkomstig was en op 18 oktober 2010 door [medeverdachte2] via een medewerker van [medeverdachte3] aan verdachte is overgedragen en dat verdachte dit bedrag voorhanden heeft gehad.

De vraag die het hof dient te beantwoorden is of dit bedrag van misdrijf afkomstig is.

Juridische beoordeling

Om de vraag naar de aard van de herkomst van het vermogen van [medeverdachte3] te kunnen beantwoorden is als eerste van belang vast te stellen dat het hof de medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] van arbeidsuitbuiting heeft vrijgesproken. Alleen verdachte [medeverdachte1] heeft zich aan seksuele uitbuiting schuldig gemaakt, gericht op eigen seksueel genot.

Het hof heeft [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] voorts vrijgesproken van gewoontewitwassen en van deelname aan een criminele organisatie.

Het hof heeft in voornoemde strafzaken voorts overwogen dat medeverdachte [medeverdachte2] zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte, welke valsheid in geschrifte er in bestond dat [medeverdachte2] gedurende een lange periode de kas van [medeverdachte3] achteraf kloppend maakte door kwitanties en overeenkomsten te voorzien van een valse handtekening en deze valse documenten vervolgens op te nemen in de administratie van [medeverdachte3]. Het hof heeft geoordeeld dat het opzet op het gebruik van die valselijk opgemaakte geschriften aan [medeverdachte3] kan worden toegerekend en dat medeverdachte [medeverdachte1] aan het gebruik maken van deze valse documenten mede feitelijk leiding heeft gegeven. Het hof heeft medeverdachten [medeverdachte5] en [medeverdachte6] van iedere betrokkenheid hierbij vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat met de gepleegde valsheid in geschrifte enig op geld waardeerbaar voordeel is behaald, zodat de op deze wijze geboekte bedragen niet vanwege de valsheid in geschrifte als van criminele herkomst kunnen worden aangemerkt en het vermogen van [medeverdachte3] ook niet op die manier als "besmet" aangemerkt kan worden.

Het hof stelt aldus vast dat de gelden waar [medeverdachte3] over kon beschikken in het kader van de bedrijfsvoering als van legale herkomst zijn aan te merken. Nu derhalve op generlei wijze is komen vast te staan dat het vermogen van [medeverdachte3], waar voornoemd geldbedrag van € 30.000,- uit afkomstig is, besmet is en dit specifieke bedrag bovendien, zoals door getuige [getuige6] verklaard, door [bedrijf] als voorschot op de rekening van [medeverdachte3] is overgemaakt, kan niet worden bewezen dat het geldbedrag dat door een medewerker van [medeverdachte3] in opdracht van een bestuurder aan verdachte is overgedragen van enig misdrijf afkomstig is.

Het hof spreekt verdachte mitsdien vrij van het hem onder 1 primair tenlastegelegde.

Nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het geldbedrag van € 30.000,-, waarop het tenlastegelegde op ziet, voorhanden heeft gehad, dan wel heeft verworven, overgedragen of omgezet of daarvan gebruik heeft gemaakt dat uit enig misdrijf afkomstig is, spreekt het hof hem ook vrij van het subsidiair ten laste gelegde.

Feit 2

Aan verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 106.775,-.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen onder 2 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. De advocaat-generaal heeft daartoe onder meer aangevoerd dat dit afgeleid kan worden uit de coupures waarin het bedrag is aangetroffen en dit een omstandigheid betreft die schreeuwt om uitleg (Murray), welke uitleg verdachte niet heeft gegeven. De advocaat-generaal acht geenszins aannemelijk geworden dat verdachte een geldbedrag van € 100.000,- heeft geleend van zijn schoenmoeder [getuige10], nu hier nader onderzoek naar is verricht en daaruit naar voren is gekomen dat zijn schoonmoeder niet over een dergelijk bedrag kan of heeft kunnen beschikken.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem onder 2 tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van [getuige10] en de onderliggende stukken, te weten de uittreksels van het handelsregister, voldoende aannemelijk maken dat het aangetroffen geld niet van misdrijf afkomstig is maar een legale herkomst heeft. Voor zover het hof van oordeel is dat zulks niet het geval is, doet de verdediging nogmaals uitdrukkelijk het verzoek om de getuigen [getuige10], [getuige11], [getuige12] en [getuige13] te horen teneinde meer duidelijkheid te krijgen over de gestelde legale herkomst van dit geldbedrag.

Oordeel hof

Vaststelling feiten en omstandigheden

Op 20 december 2010 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte. Uit het proces-verbaal d.d. 21 december 2010 volgt - voor zover hier van belang - dat in een dressoir in de woonkamer, in de broekzak van verdachte en in/op een computermeubel een contant geldbedrag van in totaal € 106.775,- is aangetroffen, dat grotendeels bestond uit coupures van € 500,-.

Op zolder is voorts een tas en een zwarte weekendtas gevonden met daarin gripzakken gevuld met bloemdelen van hennepplanten met een totaalgewicht van 9008 gram met een geschatte waarde van ongeveer € 29.500,-. De tassen waren op zolder niet aan het oog onttrokken. Verder is in de ouderlijke slaapkamer op/in de linnenkast een doosje met daarin een vuurwapen en munitie gevonden.

Juridische beoordeling

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zogenoemde 'witwastypologie'. Zo bestond het bij verdachte thuis aangetroffen bedrag van € 106.775,-- voor een groot gedeelte uit coupures van € 500,--, coupures die in het economische verkeer niet of nauwelijks worden gebruikt. In verdachtes woning is voorts een grote hoeveelheid hennep aangetroffen alsmede een vuurwapen en munitie. Uit de observatie is voorts gebleken dat verdachte een bezoek bracht aan een adres waar die dag een hennepplantage is aangetroffen en voorts volgt uit het dossier dat verdachte een keer eerder is veroordeeld ter zake overtreding van de Opiumwet.

Met de rechtbank acht het hof de verklaring van verdachte over de herkomst van het bij hem aangetroffen geldbedrag gelet op de onderzoeken die zijn verricht naar de financiële vermogenspositie van verdachte alsmede die van zijn schoonmoeder ongeloofwaardig en niet aannemelijk geworden. Dit, mede in het licht bezien van de omstandigheid dat uit een in beslag genomen rekeningafschrift van de vrouw van verdachte, [getuige12], blijkt dat [getuige10] op 24 november 2009 een bedrag van € 293,- heeft overgemaakt aan [getuige12] met als omschrijving "[getuige10] aflossing aan mw [getuige12] aflossing privéschuld". Op grond hiervan is het aannemelijker te veronderstellen dat [getuige10] een privéschuld bij verdachte en/of zijn vrouw had, dan andersom zoals door verdachte is gesuggereerd.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar weet van had. Voorts biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt voor de aanname dat het geldbedrag afkomstig is uit een door een ander dan verdachte gepleegd misdrijf. Het hof gaat er dan ook van uit dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf.

Op grond van vigerende jurisprudentie spreekt het hof - anders dan de rechtbank - verdachte echter van het hem onder 2 tenlastegelegde vrij, nu het enkele voorhanden hebben van het geldbedrag van € 106.775,- dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, mede in ogenschouw genomen de vindplaatsen van de geldbedragen, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en die gedraging derhalve niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Niet gebleken is dat sprake is van een vervolghandeling, ingegeven door de wens om de herkomst van het goed te verbergen of te verhullen.

Nu het hof verdachte - weliswaar op andere grond dan door de verdediging is bepleit - vrijspreekt van het hem onder 2 tenlastegelegde, acht het hof het niet noodzakelijk om de verzoeken van de verdediging tot het horen van de in de pleitnota en appelschriftuur genoemde getuigen, toe te wijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan verduistering in persoonlijke dienstbetrekking

Gerechtshof Den Haag 18 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:860

De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan verduistering in persoonlijke dienstbetrekking van een aantal mobiele telefoons. Daarbij heeft de verdachte de verduistering willen verhullen door het doen voorkomen dat hij in de telefoonwinkel waarin hij werkte, was overvallen. Om zijn verhaal kracht bij te zetten heeft hij van deze in scene gezette overval een valse aangifte gedaan.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 228 (tweehonderdachtentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 114 (honderdveertien) dagen hechtenis.

Lees hier de volledige uitspraak.

Meer weten over de raakvlakken tussen strafrecht en arbeidsrecht? Kom dan op Donderdag 11 april 2014 naar de gelijknamige cursus. Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

Oplichting: Ontbreken voor medeplichtigheid vereist dubbel opzet

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27 februari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:622

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte:

  • vrijgesproken van het op de dagvaarding met parketnummer 01-268074-11 onder 2 ten laste gelegde feit;
  • ter zake van - kort gezegd - oplichting (parketnummer 01-154309-12, het hof begrijpt gezien de bewezenverklaring dat de politierechter heeft bedoeld: medeplichtigheid aan oplichting) en bedreiging met zware mishandeling (parketnummer 01-268074-11, feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;
  • ter zake van de overtreding onverzekerd rijden (parketnummer 01-268074-11, feit 3) is de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 370,--, subsidiair 7 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen op de dagvaarding met parketnummer 01-154309-12 ten laste is gelegd en de verdachte deswege zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Terzake het door de eerste rechter bewezen verklaarde en niet aan het oordeel van het hof onderworpen misdrijf “bedreiging met zware mishandeling” (parketnummer 01-268074-11, feit 1) heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof voor dat feit een gevangenisstraf zal bepalen voor de duur van één week.

Namens verdachte is ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-154309-12 ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

Vrijspraak

Het hof komt, anders dan de politierechter en de advocaat-generaal, niet tot een bewezenverklaring van het op de dagvaarding met parketnummer 01-154309-12 ten laste gelegde en overweegt dienaangaande het volgende.

De verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij in 2011 in detentie verbleef, in de gevangenis een persoon heeft leren kennen en dat hij die persoon naar zijn moeder heeft gestuurd om zijn pinpas op te halen. Deze persoon, van wie hij de naam niet kent, zou volgens de verdachte een bedrag op zijn rekening storten zodat de verdachte zijn openstaande boetes kon betalen.

Blijkens de verklaring van de moeder van de verdachte is op enig moment in 2011 een persoon bij haar aan de deur gekomen om de pinpas van haar zoon op te halen. Zij heeft op aangeven van haar zoon de pinpas aan deze persoon afgegeven, samen met een daarop geplakt papiertje met de pincode van verdachte. Het papiertje met de pincode was volgens verdachte op de pinpas geplakt zodat zijn moeder voor hem geld kon opnemen en zaken kon betalen. De onbekende persoon heeft nog een bedrag van € 50,-- op tafel gelegd omdat de verdachte deze van hem tegoed zou hebben, aldus de moeder van de verdachte.

De verdachte stelt dat hij zijn pincode niet bewust heeft afgegeven aan die onbekende, en dat hem achteraf is gebleken dat zijn pinpas en rekeningnummer zijn misbruikt door die persoon, en dat hijzelf ook is gedupeerd voor een bedrag van € 350,--.

Wat er ook zij van de geloofwaardigheid van het relaas van de verdachte, voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan oplichting is vereist dat niet alleen verdachtes opzet gericht was op het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van de oplichting, doch tevens dat verdachtes opzet – al dan niet in voorwaardelijke vorm – was gericht op het misdrijf van de dader, in casu oplichting van [slachtoffer] via het internet.

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op het door de dader gepleegde gronddelict. Het feit dat de verdachte wist dat de persoon aan wie hij zijn bankrekeningnummer en pinpas ter beschikking stelde, in de gevangenis had gezeten wegens oplichting en fraude, doet daar niet aan af.

Aan de verdachte kan het verwijt worden gemaakt dat hij te lichtvaardig zijn pinpas en rekeningnummer ter beschikking heeft gesteld. In zoverre is er sprake van een verwijtbare onvoorzichtigheid. Dat levert echter nog geen opzet op, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht op oplichting, zodat om die reden niet voldaan is aan het voor medeplichtigheid vereiste ‘dubbele opzet’.

Gelet op het voorgaande zal verdachte van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Tegelijkertijd horen verdachte in eigen strafzaak en zaak medeverdachte

Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:466 

Feiten

Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft verdachte op 13 maart 2012 veroordeeld tot een geldboete van € 2.700, subsidiair 37 dagen hechtenis, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 72 uren, subsidiair 36 dagen hechtenis, wegens:

  • In een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid (feit 1);
  • Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst (feit 2);
  • Oplichting (feit 3).

Het Hof heeft de benadeelde partij onbevoegd verklaard zich te voegen in hoger beroep, omdat de vordering in eerste aanleg was ingetrokken. Met die beslissing zal het Hof bedoeld hebben de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte tegelijkertijd heeft gehoord als verdachte in zijn eigen strafzaak en als getuige in de - gelijktijdig doch niet gevoegd behandelde - strafzaak van een medeverdachte.

Beoordeling Hoge Raad

Uit het samenstel van bepalingen (art. 29.1 en 2, 219, 290.4 Sv. 2. Art. 227.1 Sr, art. 157 Rv) moet worden afgeleid dat de uitzonderlijke werkwijze die hier is gevolgd, te weten het tegelijkertijd horen van iemand als verdachte in zijn eigen strafzaak én als getuige in de strafzaak tegen een medeverdachte, niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering, in het bijzonder niet omdat daardoor de aan art. 29 Sv ten grondslag liggende verklaringsvrijheid van de verdachte op ontoelaatbare wijze onder druk kan komen te staan.

Het Hof heeft de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor als verdachte beëdigd als getuige in de gelijktijdig behandelde zaak van zijn medeverdachte met de mededeling dat hij geacht wordt "hetgeen hij als verdachte verklaart in zijn strafzaak ook als getuige in de strafzaak van de medeverdachte te hebben verklaard". Aldus heeft het Hof zozeer gehandeld in strijd met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak van computervredebreuk

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5 maart 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:636

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van computervredebreuk veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter beslist over de vordering van de benadeelde partij.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en zal volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.

Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair, in geval van een bewezenverklaring, heeft de verdediging bepleit om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Tevens is de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij bepleit.

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zodat hij zal worden vrijgesproken. In het bijzonder kan niet worden bewezen dat de verdachte zich wederrechtelijk toegang heeft verschaft tot het hotmailaccount van de aangeefster.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat aangeefster zelf, in een email aan de verdachte van 4 oktober 2010, de gebruikersnaam en het wachtwoord van haar hotmailaccount heeft verschaft. Dit in tegenstelling tot de mededeling van aangeefster in de aangifte dat ze haar code nooit aan de verdachte, haar ex-man, heeft gegeven. De verdachte heeft voorts in hoger beroep verklaard dat aangeefster hem nadien nooit heeft verboden gebruik te maken van die toegangscode. Evenmin is gebleken dat aangeefster haar toegangscode heeft aangepast om te voorkomen dat verdachte gebruik zou maken van de code.

Bij deze stand van zaken waren de ten laste gelegde gedragingen niet wederrechtelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Contant geld in geheime bergruimte: OVAR

Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:595

Door het openbaar ministerie is het voorhanden hebben van het geld en niet tevens het verbergen of verhullen van de vindplaats van het geld ten laste gelegd. Het verbergen van het geld in een geheime bergruimte is een gedraging die gericht is op het verhullen van de vindplaats van het uit misdrijf verkregen geld, maar niet tevens op het verhullen van de criminele herkomst ervan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verzoek ex artikel 591a Sv na beklagprocedure ex artikel 12 Sv

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1897

Bij beschikking ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van de dato 24 mei 2013, is een door klager tegen verzoeker ingediend beklag tegen de beslissing om verzoeker niet te vervolgen afgewezen.

Het ingekomen verzoek is gebaseerd op artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge het bepaalde in lid 4 van dit artikel juncto lid 2 van artikel 591 van voornoemd Wetboek geschiedt de vaststelling van de gevraagde vergoeding bij het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd. De officier van justitie in het arrondissement Utrecht heeft bij brief van 4 juli 2012 aan verzoeker te kennen gegeven dat verzoeker terzake de feiten waarop het beklag betrekking had (onder meer (passieve) omkoping van een rechter dan wel (passieve) ambtelijke omkoping) niet zou worden vervolgd. Verzoeker is ter zake dat feit derhalve nimmer strafrechtelijk vervolgd en blijkens de brief van de officier van justitie ook nimmer als verdachte aangemerkt. Gelet op de verwevenheid van het feit waarop het beklag had met de feiten waarvoor verdachte wel strafrechtelijk is vervolgd en door het hof bij arrest van 13 juni 2013 is vrijgesproken, merkt het hof zich ter zake het ingediende verzoekschrift aan als de feitelijke instantie waarbij verdachte het laatst werd vervolgd. Het hof acht zich derhalve bevoegd om over het verzoekschrift te oordelen.

Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk.

Het verzoekschrift omvat kort gezegd de volgende posten

  1. kosten rechtsbijstand bestaande uit een bedrag van 22.396,86 in rekening gebracht door mrs. raadsman 1 en raadsman 2 voornoemd;
  2. reiskosten bestaande uit een bedrag van 63,00;
  3. verblijfskosten bestaande uit een bedrag van 9,00;
  4. schade ten gevolge van tijdverzuim bestaande uit een bedrag van 734,67;
  5. kosten van indiening van onderhavig verzoek, welke kosten niet nader zijn gespecificeerd maar ten aanzien waarvan verzoeker zich op het standpunt heeft gesteld dat deze kosten de forfaitaire bedragen overstijgen.

Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. Bij arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5566) heeft de Hoge Raad bepaald dat na afwijzing van een op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering toekenning van een dergelijke vergoeding aan de gewezen beklaagde in de gevoerde beklagprocedure niet is uitgesloten. Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en voornoemd arrest van de Hoge Raad heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De gevraagde reiskosten van verzoeker voor het bijwonen van de behandeling van het beklag door dit hof op 16 april 2013 zijn voor toewijzing vatbaar op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde. Toegewezen kan worden: 1 maal een retour bus/NS 2e klasse woonplaats-Arnhem à € 42,80: € 42,80. Derhalve in totaal € 42,80.

De in verband met het bijwonen van de behandeling van het beklag meer verzochte reis- en verblijfkosten vanwege het gebruik van een ander vervoersmiddel dan het openbaar vervoer wijst het hof af.

De door verzoeker gevraagde vergoeding wegens tijdverzuim zal worden afgewezen, omdat er bij verzoeker geen sprake is geweest van aantoonbare geconcretiseerde inkomstenderving vanwege het bijwonen van de behandeling van het beklag. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker door het bijwonen van de behandeling van het beklag bepaalde werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten die hij anders wel zou hebben verricht. Het hof begrijpt de door verzoeker gestelde inkomstenderving aldus dat deze is ontstaan doordat verzoeker vanwege zijn strafvervolging ter zake andere met de beklagprocedure verbonden zaken bepaalde functies en werkzaamheden niet meer kon uitoefenen. Dergelijke inkomstenderving komt echter niet voor vergoeding op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking, laat staan in een op de voet daarvan geëntameerde verzoekschriftprocedure die louter verband houdt met de beklagprocedure die ziet op andere feiten. Het voorgaande geldt eveneens voor inkomstenderving die is ontstaan door de beschuldigingen jegens verzoeker die hebben geleid tot de beklagprocedure.

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadslieden niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadslieden en zo ja tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadslieden gedeclareerde tijd of het door hen gehanteerde uurtarief.

Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de beklagprocedure. Daarbij heeft het hof in het bijzonder betrokken dat het openbaar ministerie uitgebreid onderzoek heeft verricht naar de feiten waarvan verzoeker in het kader van de beklagprocedure beschuldigd werd. Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie grote inspanningen gerechtvaardigd achtte, hetgeen niet alleen volgt uit de omvang van het verrichte onderzoek maar ook bijvoorbeeld uit het feit dat het openbaar ministerie blijkens het ambtsbericht in de beklagprocedure dat onderzoek en de beoordeling daarvan heeft laten verrichten door twee officieren van justitie. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de beschuldigingen de nodige media-aandacht hebben gegenereerd, terwijl het hof uiteindelijk heeft geoordeeld dat er zelfs na het uitgebreide onderzoek door het openbaar ministerie geen aanwijzing in het dossier zijn aangetroffen die de veronderstelling ondersteunen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan enige vorm van omkoping.

De omstandigheid dat tussen de beklagprocedure en de strafprocedure die heeft geleid tot vrijspraak het nodige verband bestaat en verzoeker in beide procedures werd bijgestaan door dezelfde raadslieden, maakt het niet onredelijk te verwachten dat dat een gunstig effect heeft op de tijd en kosten die gemoeid zijn geweest met het bijstaan van verzoeker in de beklagprocedure. Daarbij komt dat een beklagprocedure naar zijn aard reeds minder tijd en voorbereiding vergt dan een strafprocedure. Voorts was het openbaar ministerie in de beklagprocedure, anders dan in de strafprocedure, met verzoeker van oordeel dat strafvervolging terzake de feiten die in de beklagprocedure centraal stonden, achterwege diende te blijven.

Alles afwegende acht het hof de door de raadslieden verrichte werkzaamheden in een bijzondere zaak als de onderhavige beklagzaak niet van dien aard dat deze als onredelijk kunnen worden aangemerkt. Het hof ziet in de gedeclareerde uren en kosten voldoende terug dat in casu ook sprake was van de nodige tijd- en kostenbesparende omstandigheden. De gedeclareerde uren en kosten vormen immers bij benadering slechts 10% van de uren en kosten die gedeclareerd zijn in de strafzaak.

Het hof zal daarom op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toekennen een bedrag ter hoogte van het verzochte bedrag van € 22.396,86 (inclusief BTW).

Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen€ 540,00 (inclusief BTW). Het hof ziet geen reden om van de landelijke aanbeveling af te wijken.

Het hof kent aan verzoeker toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 22.979,66 en gelast de tenuitvoerlegging daarvan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Discussie over de vorming en de samenstelling van het ontnemingsdossier dat van de rechtbank is gekomen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1825

In de onderhavige zaak is discussie ontstaan over de vorming en de samenstelling van het dossier waarop het hof het hoger beroep moet behandelen. De verdediging is van mening dat het openbaar ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof stelt de volgende gang van zaken vast.

Nadat tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep was ingesteld en de rechtbank de aanvulling op de ontnemingsbeslissing had gemaakt heeft de griffier van de rechtbank op 26 mei 2011, op de voet van artikel 409, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering de stukken van het geding aan de griffier van het gerechtshof gezonden. Praktisch gezien hield dit in dat de griffier van de rechtbank, overeenkomstig de daartoe destijds gemaakte afspraken, de stukken rechtstreeks naar de “intake-unit” van het ressortsparket heeft gestuurd met het oog op de vervulling van de aan de advocaat-generaal in het Wetboek van Strafvordering opgedragen taken. De stukken zijn, blijkens de aantekening op de binnenzijde van de hierna te noemen gele map, bij de “intake-unit” binnengekomen op 27 mei 2011.

De voorzitter heeft, op verzoek en voordracht van de advocaat-generaal, de dag van de terechtzitting voor de behandeling van deze zaak bepaald op 11 februari 2013.

Daarbij is door de advocaat-generaal ter beschikking van het hof gesteld een gele map met daarin een aantal stukken van belang voor de behandeling van het hoger beroep. In deze gele map bevindt zich ook een inventarislijst.

De voorzitter heeft vervolgens uit de ontnemingsbeslissing en de hierop door de rechtbank gemaakte aanvulling afgeleid dat de rechtbank de beschikking moet hebben gehad over meer gedingstukken, te weten het ontnemingsrapport en daarbij behorende (omvangrijke) bijlagen. De voorzitter heeft daarop bij de griffier van de rechtbank geïnformeerd naar de kennelijk ontbrekende stukken. Dit heeft geleid tot toezending van een heel dun ontnemingsdossiertje (inhoudende (originele) stukken welke zich tevens (in kopie) in de gele map bevinden). Echter, het ontnemingsrapport en daarbij behorende bijlagen bleken niet (meer) bij de griffier van de rechtbank aanwezig te zijn.

Vervolgens heeft de voorzitter eind januari/begin februari 2013 bij de advocaat-generaal geïnformeerd of deze de beschikking had over de ontbrekende stukken. De advocaat-generaal heeft laten weten dat dat niet het geval was.

Uit de wel beschikbare stukken bleek dat de onderhavige zaak deel uitmaakte van het zogeheten “Darsch-onderzoek”. Uit de administratie van het hof bleek dat andere zaken die van dat onderzoek deel uitmaakten, reeds onherroepelijk door het hof waren afgedaan, te weten de zaken met de parketnummers genoemd in het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2013.

Dit heeft ertoe geleid dat de voorzitter naspeuringen heeft gedaan in deze bij het hof gearchiveerde zaken. Daarin werden niet alleen stukken betreffende de strafzaken maar ook het de veroordeelde betreffende ontnemingsrapport met bijlagen aangetroffen. Ter terechtzitting van het hof van 11 februari 2013 zijn deze stukken gepresenteerd aan de advocaat-generaal en de verdediging. Zowel de advocaat-generaal als de verdediging (zij het de verdediging met enige aarzeling) hebben ermee ingestemd dat het hof op basis van (ook) deze stukken het hoger beroep behandelt. Daarop heeft het hof vastgesteld dat het hier moet gaan om de stukken van het geding die door de griffier van de rechtbank moeten zijn toegezonden naar de “intake-unit” van het ressortsparket.

Deze vaststelling door het hof is in een ander daglicht komen te staan doordat de voorzitter op 9 januari 2014, geruime tijd na de dagbepaling van de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting van 23 januari 2014, door de advocaat-generaal kratten met stukken toegezonden kreeg welke stukken, in de visie van de advocaat-generaal, de stukken waren waarop de rechtbank de zaak had behandeld en beslist. Deze stukken waren, aldus de advocaat-generaal, bij de verhuizing van het ressortsparket aangetroffen op een zolderverdieping van het ressortsparket, waar ook wel andere stukken van grote zaken werden neergezet. De voorzitter heeft de stukken onverwijld en ongezien aan de advocaat-generaal geretourneerd, begeleid door een bericht inhoudende dat het niet aan het hof is om kennis te nemen van de stukken welke zich in de aangeboden kratten bevinden, laat staan om deze aan het dossier toe te voegen zonder dat ook de verdediging over deze stukken beschikt en zich over deze stukken en de toevoeging aan het dossier heeft kunnen uitlaten. Daarbij is de advocaat-generaal tevens bericht dat hij kan beoordelen of er zich in de kratten stukken bevinden die naar zijn oordeel alsnog aan het dossier zouden moeten worden toegevoegd, in welk geval hij aan het hof het verzoek kan doen om die stukken alsnog aan het dossier toe te voegen, waarbij ook de verdediging in de gelegenheid dient te worden gesteld zich daarover uit te laten.

Op 16 januari 2014 heeft de advocaat-generaal genoemde kratten met begeleidende brieven opnieuw gestuurd naar de voorzitter. In die begeleidende brieven heeft de advocaat-generaal bericht dat de inhoud van deze kratten de originele versies betreffen van de stukken die op de regiezitting van 11 februari 2013 in de vandaag gelijktijdig, maar niet gevoegde 4 ontnemingszaken zijn besproken, dat deze stukken bestemd zijn voor het hof, dat deze stukken voor zover betrekking hebbende op veroordeelde nu deel uitmaken van het onderhavige ontnemingsdossier, dat de verdediging ook over deze stukken beschikt, dat hij het niet noodzakelijk vindt over deze toezending separaat de verdediging in te lichten en dat hij bij aanvang van de zitting van 23 januari 2014 melding zal maken van het terugvinden van deze originele stukken.

Op 20 januari 2014 heeft de voorzitter de advocaat-generaal een bericht gestuurd, inhoudende dat voor zover de voorzitter het hiervoor genoemde begeleidende schrijven van de advocaat-generaal d.d. 16 januari 2014 dient op te vatten als een verzoek tot toevoeging van stukken aan het dossier, de advocaat-generaal ter zitting van 23 januari 2014 in de gelegenheid zal worden gesteld dit verzoek nader toe te lichten en dat daarna de verdediging gelegenheid zal krijgen zich daarover uit te laten.

Bij schrijven van 20 januari 2014 heeft de voorzitter de raadsman van veroordeelde schriftelijk van een en ander op de hoogte gesteld, onder bijvoeging van afschriften van de betreffende correspondentie.

Ter zitting van 23 januari 2014 hebben de advocaat-generaal en de verdediging zich uitgelaten over de status die aan de door de advocaat-generaal aan de voorzitter gestuurde kratten met stukken zou moeten worden toegekend.

De advocaat-generaal is van mening dat de stukken reeds deel uitmaken van het dossier nu het hier de door de griffier van de rechtbank toegezonden gedingstukken betreft, die, zoals destijds gebruikelijk, aan de “intake-unit” van het ressortsparket zijn toegezonden. Van toevoeging van deze stukken aan het dossier is mitsdien geen sprake. De advocaat-generaal is van mening dat het hof van de inhoud van deze stukken kennis moet nemen (het hof begrijpt: in plaats van de stukken zoals deze ter terechtzitting van het hof op 11 februari 2013 zijn besproken en vastgesteld). De advocaat-generaal heeft voorts aangegeven dat de beide sets met stukken identiek zijn.

De verdediging heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij gebrek aan wetenschap betwist de verdediging dat het hier gaat om de door de griffier van de rechtbank toegezonden stukken en tevens dat het gaat om stukken die identiek zijn aan de stukken waarvan het hof ter terechtzitting op 11 februari 2013 had vastgesteld dat dit de stukken waren die door de griffier van de rechtbank waren toegezonden.

Het hof kan thans niet anders dan vaststellen dat er, naast eerder genoemde gele map en het dunne ontnemingsdossiertje, twee sets met stukken zijn waarvan gezegd kan worden dat deze door de griffier van de rechtbank zijn toegezonden aan de “intake-unit” van het ressortsparket. Het hof is niet in staat om vast te stellen welke set met stukken, tezamen met de gele map, daadwerkelijk door de griffier van de rechtbank is toegezonden. De in de gele map aanwezige inventarislijst bevat in dit opzicht slechts de aanduiding: “overige stukken”.

Er is in de visie van het hof een mogelijkheid om uit deze impasse te komen. De twee sets met stukken kunnen met elkaar worden vergeleken. Mochten deze sets identiek zijn dan kan mogelijk geoordeeld worden dat door het niet kunnen vaststellen welke de stukken zijn die de griffier van de rechtbank heeft toegezonden, geen der procesdeelnemers in zijn belangen is geschaad.

Het hof realiseert zich terdege dat deze optie een grote inzet van de verdediging vergt. De beide (omvangrijke) sets met stukken moeten bladzijde voor bladzijde met elkaar worden vergeleken. De kosten van rechtsbijstand zullen daardoor aanzienlijk toenemen. Bovendien is een dergelijke exercitie niet eenvoudig in de praktijk van de rechtsbijstandverlener in te passen.

Echter, hoezeer ook de thans ontstane situatie is toe te rekenen aan de advocaat-generaal, die in de aanloop naar en ter terechtzitting van 11 februari 2013, in plaats van gewag te maken van de ook toen reeds reële mogelijkheid dat de stukken op de zolderverdieping van het ressortsparket aanwezig waren en daarnaar naspeuringen te (doen) verrichten, ermee heeft ingestemd dat het hof mede op basis van de door de voorzitter in het archief aangetroffen stukken het hoger beroep zou behandelen, en hoezeer ook de door het hof geschetste optie een belasting van de verdediging oplevert welke had kunnen worden voorkomen als de advocaat-generaal meer adequaat had gereageerd, leidt naar het oordeel van het hof het een noch het ander, noch in onderlinge samenhang, tot de conclusie dat geen andere beslissing mogelijk is dan niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bepalend hiervoor acht het hof dat bij de huidige stand van zaken de mogelijkheid van herstel aanwezig lijkt te zijn en, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, tijdsverloop als zodanig - ook in de situatie dat reeds sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting - geen grond vormt voor niet-ontvankelijkverklaring.

Het hof zal het onderzoek daarom heropenen.

Het hof zal de door de advocaat-generaal aan de voorzitter toegestuurde kratten met stukken in handen stellen van de advocaat-generaal. Deze dient een afschrift - en wel copie conform - van de op de onderhavige zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken aan de verdediging, opdat de verdediging in staat is om zich uit te laten over de vraag of deze stukken identiek zijn aan de stukken die ter terechtzitting van het hof op 11 februari 2013 zijn besproken en vastgesteld.

Het hof zal met het oog hierop bepalen dat het onderzoek zal worden hervat over ten minste zes maanden tegen een nog nader te bepalen terechtzitting. Met het oog op de planning van de volgende zitting verzoekt het hof de verdediging om, na bestudering van de stukken, haar bevindingen schriftelijk aan het hof te doen toekomen. Verder verzoekt het hof de verdediging om, met het oog op een inhoudelijke behandeling van de zaak, een overzicht te maken van de (extra) kosten van rechtsbijstand, gemoeid met de bestudering van beide sets met stukken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens oplichting van woningbouw-coöperatie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:10370

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • als leidinggevende samen met anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd (feiten 1, 3 en 5)
  • als leidinggevende samen met anderen diverse geldbedragen heeft witgewassen (feiten 2, 4 en 6)
  • samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 7).

Niet-ontvankelijkheidsverweer

Door de raadsman is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard vanwege het inbrengen in het strafdossier van onrechtmatig verkregen administratie, boekhoudgegevens en verklaringen van (mede-) verdachten.

De verdediging voert daartoe aan dat mogelijk door de belastingdienst controle-bevoegdheden zijn toegepast, terwijl zij al een redelijk vermoeden van schuld van het plegen van strafbare feiten zou hebben.

Door de verdediging wordt ter onderbouwing van voornoemd standpunt het navolgende aangevoerd.

Naam, die valt onder de Belastingdienst Hollands Midden, kondigt op 8 februari 2008 een boekenonderzoek bij medeverdacht bedrijf 3 aan, dat op 30 mei 2008 plaatsvindt.

Daar treft hij facturen van medeverdacht bedrijf 1 en medeverdacht bedrijf 1 aan, naar aanleiding waarvan hij bij brief van 12 november 2008 een controle aankondigt bij medeverdacht bedrijf 1.

Op 30 mei 2008 vindt dus het boekenonderzoek plaats bij medeverdacht bedrijf 3.

Gelijktijdig, vanaf mei tot 9 juli 2008, loopt een strafrechtelijk onderzoek, waarin medeverdacht bedrijf 3 in beeld komt.

Eind 2008 lopen de werkzaamheden van de belastingdienst, van de FIOD/ECD en van VROM-IOD door elkaar heen. Het is de verdediging niet vergund door middel van het horen van alle opgegeven getuigen helderheid te krijgen over de toentertijd bestaande onderlinge contacten tussen deze instanties, waardoor de verdediging ernstig in haar belangen is geschaad.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het openbaar ministerie zich niet kan vinden in de aannames en veronderstellingen van de verdediging en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Overweging hof

Niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie bij vormverzuimen is volgens vaste jurisprudentie slechts in die gevallen aan de orde als sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen te kort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak. Hierbij moet van geval tot geval beoordeeld worden of en in hoeverre de verdachte bij een vormverzuim in zijn belangen is geschaad.

De door de verdediging geschetste feiten en omstandigheden hebben geen betrekking op verdachte zelf. Voor zover al door de belastingdienst controlebevoegdheden zijn aangewend ten behoeve van de opsporing, kan verdachte geen beroep doen op schending van rechtsbeginselen nu die mogelijke schending dan jegens een ander of anderen dan de verdachte heeft plaatsgevonden en verdachte daardoor niet in haar belang geschaad is. Het verweer wordt verworpen.

Ten overvloede overweegt het hof het volgende.

Het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit staat niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden door belastingambtenaren, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat deze waarborgen in de onderhavige zaak niet in acht zijn genomen. Het hof overweegt hieromtrent dat het bij de beoordeling van de vraag of aan een verdachte de cautie moet worden gegeven, er om gaat of sprake is van een verhoorsituatie als bedoeld in art. 29 van het Wetboek van Strafvordering, waarin verdachte naar zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit wordt gevraagd. Daarvan was bij dit boekenonderzoek geen sprake

Ook indien, zoals door de verdediging is betoogd, niet uit te sluiten valt dat lopende het onderzoek onder de naam Rembrandt door verbalisanten handelingen zijn verricht die niet stroken met de strafvorderlijke richtlijnen -het hof ziet hiervoor noch ambtshalve noch door hetgeen door de verdediging is aangedragen concrete aanwijzingen- leidt dit niet tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie nu niet is gebleken dat dit heeft geleid tot bewijsmateriaal dat zijn bestaan uitsluitend ontleent aan de wil van de verdachte.

Oordeel Hof

Verdachte heeft tezamen met anderen meermalen opdracht en feitelijk leiding gegeven aan valsheid in geschrift en aan het witwassen van door oplichting van een woningbouw-coöperatie verkregen gelden van aanzienlijke omvang. Daarnaast acht de rechtbank verdachte schuldig aan deelname aan een criminele organisatie.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het tezamen met medeverdachten feitelijk leidinggeven aan de rechtspersoon. Door deze vennootschap werden valse facturen gestuurd voor werkzaamheden die niet zijn verricht en voor risico’s die niet werden gelopen. Achtergrond hiervan was om gelden met een criminele herkomst wit te wassen en door te sluizen naar verdachte en de medeverdachten.

Verdachte was geen oprichter/bestuurder van de criminele organisatie. Dat neemt niet weg dat werkzaamheden zoals die door verdachte zijn verricht van groot belang waren voor het goed functioneren van de organisatie. Mede door de door medeverdacht bedrijf 1 op haar instigatie verzonden facturen was het mogelijk om gelden van criminele herkomst wit te wassen. Immers, door de valse facturen werd de herkomst van de gelden versluierd. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer.

De rechtbank heeft een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden opgelegd. De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van 2 jaar gevorderd.

Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten en acht de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf passend en geboden. Het hof realiseert zich dat verdachte door deze straf na geruime wederom in detentie zal geraken, maar acht dit gelet op de ernst van de feiten onontkoombaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Medeplegen van het onttrekken van goederen aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1552

Aan verdachte is ten laste gelegd het medeplegen van het onttrekken van goederen aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag.

Door de raadsman is betoogd, dat er op onrechtmatige wijze beslag is gelegd nu niet is voldaan aan het gestelde in artikel 443 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Voorop wordt gesteld dat in het kader van het strafproces niet de materiële maar slechts de formele rechtmatigheid van het beslag kan worden getoetst.

Het hof overweegt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende. Bij de stukken zitten de in de tenlastelegging genoemde vonnissen op grond waarvan op 24 maart 2010 door de deurwaarder beslag is gelegd op een aantal roerende goederen dat zich op dat moment bevond in de woning van de verdachten.

Bij de stukken zit verder een proces-verbaal van inbeslagneming. In dit proces-verbaal wordt ten aanzien van de in beslag genomen goederen verwezen naar de foto’s die als bijlagen bij dat proces-verbaal zijn gevoegd. Uit de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte bij de politie en/of ter zitting in eerste aanleg blijkt verder dat het voor de verdachten volstrekt helder was dat de in de tenlastelegging genoemde goederen onder het beslag vielen.

Gelet op voorgaande concludeert het hof dat aan de formele aspecten van beslaglegging is voldaan. Wat er ook zij van eventuele materiële gebreken ten aanzien van de wijze van de beslaglegging, het is niet aan de strafrechter om hierover een oordeel uit te spreken. In casu geldt dit des te meer, nu de voorzieningenrechter zich reeds heeft uitgelaten over deze kwestie en heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat in strijd met artikel 443 Rv is gehandeld.

Het hof verwerpt het verweer. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^