Oplichting: Ontbreken voor medeplichtigheid vereist dubbel opzet

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27 februari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:622

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte:

  • vrijgesproken van het op de dagvaarding met parketnummer 01-268074-11 onder 2 ten laste gelegde feit;
  • ter zake van - kort gezegd - oplichting (parketnummer 01-154309-12, het hof begrijpt gezien de bewezenverklaring dat de politierechter heeft bedoeld: medeplichtigheid aan oplichting) en bedreiging met zware mishandeling (parketnummer 01-268074-11, feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;
  • ter zake van de overtreding onverzekerd rijden (parketnummer 01-268074-11, feit 3) is de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 370,--, subsidiair 7 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen op de dagvaarding met parketnummer 01-154309-12 ten laste is gelegd en de verdachte deswege zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Terzake het door de eerste rechter bewezen verklaarde en niet aan het oordeel van het hof onderworpen misdrijf “bedreiging met zware mishandeling” (parketnummer 01-268074-11, feit 1) heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof voor dat feit een gevangenisstraf zal bepalen voor de duur van één week.

Namens verdachte is ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-154309-12 ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

Vrijspraak

Het hof komt, anders dan de politierechter en de advocaat-generaal, niet tot een bewezenverklaring van het op de dagvaarding met parketnummer 01-154309-12 ten laste gelegde en overweegt dienaangaande het volgende.

De verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij in 2011 in detentie verbleef, in de gevangenis een persoon heeft leren kennen en dat hij die persoon naar zijn moeder heeft gestuurd om zijn pinpas op te halen. Deze persoon, van wie hij de naam niet kent, zou volgens de verdachte een bedrag op zijn rekening storten zodat de verdachte zijn openstaande boetes kon betalen.

Blijkens de verklaring van de moeder van de verdachte is op enig moment in 2011 een persoon bij haar aan de deur gekomen om de pinpas van haar zoon op te halen. Zij heeft op aangeven van haar zoon de pinpas aan deze persoon afgegeven, samen met een daarop geplakt papiertje met de pincode van verdachte. Het papiertje met de pincode was volgens verdachte op de pinpas geplakt zodat zijn moeder voor hem geld kon opnemen en zaken kon betalen. De onbekende persoon heeft nog een bedrag van € 50,-- op tafel gelegd omdat de verdachte deze van hem tegoed zou hebben, aldus de moeder van de verdachte.

De verdachte stelt dat hij zijn pincode niet bewust heeft afgegeven aan die onbekende, en dat hem achteraf is gebleken dat zijn pinpas en rekeningnummer zijn misbruikt door die persoon, en dat hijzelf ook is gedupeerd voor een bedrag van € 350,--.

Wat er ook zij van de geloofwaardigheid van het relaas van de verdachte, voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan oplichting is vereist dat niet alleen verdachtes opzet gericht was op het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van de oplichting, doch tevens dat verdachtes opzet – al dan niet in voorwaardelijke vorm – was gericht op het misdrijf van de dader, in casu oplichting van [slachtoffer] via het internet.

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op het door de dader gepleegde gronddelict. Het feit dat de verdachte wist dat de persoon aan wie hij zijn bankrekeningnummer en pinpas ter beschikking stelde, in de gevangenis had gezeten wegens oplichting en fraude, doet daar niet aan af.

Aan de verdachte kan het verwijt worden gemaakt dat hij te lichtvaardig zijn pinpas en rekeningnummer ter beschikking heeft gesteld. In zoverre is er sprake van een verwijtbare onvoorzichtigheid. Dat levert echter nog geen opzet op, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht op oplichting, zodat om die reden niet voldaan is aan het voor medeplichtigheid vereiste ‘dubbele opzet’.

Gelet op het voorgaande zal verdachte van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF