Wrakingsverzoek n.a.v. (motivering van) regie-beslissingen toegewezen

Gerechtshof Amsterdam 23 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4770

In de strafzaak tegen de verzoeker in hoger beroep, heeft op 26 augustus 2013 een zogenoemde regie-terechtzitting plaatsgevonden, op welke terechtzitting namens de verzoeker onderzoekswensen naar voren zijn gebracht en het openbaar ministerie omtrent die onderzoekswensen is gehoord. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens onderbroken tot 2 oktober 2013. Op de terechtzitting van 2 oktober 2013 heeft de voorzitter blijkens het proces-verbaal terechtzitting de beslissingen van de strafkamer op de onderzoekswensen van de verdediging medegedeeld (hierna ook: de regie-beslissingen).

Op 8 oktober 2013 is ter griffie van het gerechtshof Amsterdam een schriftelijk verzoek ingekomen tot wraking van de leden van het gerechtshof die op 2 oktober 2013 de regie-beslissingen hebben gegeven.

De raadsheren op wie het wrakingsverzoek betrekking heeft, hebben te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Voorts heeft de wrakingskamer een schriftelijke reactie van de voorzitter van de strafkamer ontvangen, mede ingediend namens de andere leden van de strafkamer, van 27 november 2013. De voorzitter deelt in deze reactie ondermeer mede dat de leden van de strafkamer geen vooringenomenheid jegens de verzoeker koesteren. Voorts stellen de leden van de strafkamer zich in die reactie op het standpunt dat de regie-beslissingen en de motiveringen daarvan geen grond behoren op te leveren om vooringenomenheid niettemin te vrezen.

De wrakingskamer heeft een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de advocaat-generaal van 28 november 2013 ontvangen. De advocaat-generaal heeft zich op standpunt gesteld dat de strafkamer zich jegens de verzoeker niet vooringenomen heeft betoond, noch dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De advocaat-generaal heeft de wrakingskamer in zijn reactie in overweging gegeven het wrakingsverzoek af te wijzen.

De wrakingskamer heeft ter openbare raadkamer van 2 december 2013 de verzoeker, diens advocaat en de advocaat-generaal omtrent het wrakingsverzoek gehoord. De raadsheren op wie het verzoek betrekking heeft waren daarbij niet aanwezig. De advocaat-generaal heeft in raadkamer gepersisteerd bij zijn schriftelijke reactie.

Tijdigheid

Ten aanzien van de tijdigheid van het wrakingsverzoek is door de advocaat het volgende naar voren gebracht bij de mondelinge behandeling. Ter terechtzitting van 2 oktober 2013 - toen de strafkamer de beslissingen op de onderzoekswensen heeft medegedeeld - waren de verzoeken en diens raadsvrouw niet aanwezig. Op 3 oktober 2013 heeft de raadsman het proces-verbaal terechtzitting ontvangen, waarna afschrift daarvan naar de verzoeker in de penitentiaire inrichting is verzonden. Eerst op 8 oktober 2013 was de raadsvrouw in de gelegenheid het proces-verbaal terechtzitting met de verzoeker in de penitentiaire inrichting te bespreken.

Het verzoekschrift is vervolgens die dag, 8 oktober 2013, door de raadsvrouw ter griffie van het gerechtshof ingediend.

Gelet op voorstaande acht de wrakingskamer het wrakingsverzoek tijdig gedaan.

Inleidende overwegingen

Algemeen

Blijkens het verzoekschrift tot wraking van 8 oktober 2013 en de daarop in raadkamer gegeven mondelinge toelichting is het wrakingsverzoek gebaseerd op het volgende. Bij de verzoeker is de vrees ontstaan dat de strafkamer jegens hem vooringenomenheid koestert. Door de verdediging zijn ter terechtzitting in de strafzaak van 26 augustus 2013 ten aanzien van verschillende kwesties verzoeken tot het horen van getuigen gedaan, ter onderbouwing van verweren omtrent de ontvankelijkheid (van het openbaar ministerie) dan wel bewijsuitsluiting. De strafkamer heeft ten aanzien van deze kwesties beslissingen ten gronde genomen voordat de zaak inhoudelijk is behandeld en pleidooi is gevoerd, waarmee inhoudelijk vooruit is gelopen op in eindarrest te nemen beslissingen. De overwegingen van de strafkamer laten geen ruimte voor het voeren van verweren en geven bij verzoeker de stellige indruk dat op deze onderdelen van de te voeren verweren reeds is beslist.

Vervolgens zijn de gronden waarop het wrakingsverzoek rust bij de mondelinge behandeling nader gemotiveerd, waarbij namens verzoeker naar verschillende door de strafkamer gegeven motiveringen van beslissingen is verwezen.

De wrakingskamer zal hierna het wrakingsverzoek per afzonderlijk aangevoerde grond beoordelen. Dit laat onverlet dat de wrakingskamer de gronden waarop het wrakingsverzoek rust en (de motivering van) de regie-beslissingen van de strafkamer, in het geheel van het geding heeft beschouwd en beoordeeld.

Juridisch kader

Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter of het gerecht, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

Voorts geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door de rechter gegeven beslissing inhoudelijk te toetsen, ook niet indien een beslissing op het oog onjuist zou kunnen worden geacht. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen. De vrees voor vooringenomenheid kan indien het wrakingsverzoek zich richt op (de motivering van) een gegeven beslissing slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

De wrakingskamer overweegt ten aanzien van dit laatste nog als volgt. Dat (de motivering van) een beslissing slechts objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid kan opleveren als die beslissing zozeer onbegrijpelijk is dat die redelijkerwijs slechts kan zijn ingegeven door vooringenomenheid, moet worden onderscheiden van het geval waarin de motivering erop duidt dat de rechter zijn beslissing (mede) heeft gebaseerd op (betwiste doch) door hem reeds vastgestelde feiten of op een reeds gevormd oordeel omtrent vragen die eerst bij eindbeslissing aan de orde dienen te komen. Dan immers, is een (al dan niet begrijpelijke) beslissing niettemin ingegeven door vooringenomenheid, althans kan de vrees daarvoor dan objectief gerechtvaardigd zijn.

Eerste wrakingsgrond: de start van het onderzoek

Namens de verzoeker is deze grond waarop het wrakingsverzoek rust, bij de mondelinge behandeling -samengevat- als volgt nader toegelicht.

De verdediging heeft in de strafzaak (in eerste aanleg) gemotiveerd aangevoerd dat de informatie op grond waarvan het vooronderzoek is gestart onjuist was en dat zich bij de totstandkoming van deze startinformatie diverse onregelmatigheden hebben voorgedaan. Deze verweren zijn door de rechtbank gepasseerd, en in hoger beroep wil de verdediging door onder meer de getuigen officier van justitie A en officier van justitie B te horen de verweren nader onderbouwen. De strafkamer heeft een opsomming gegeven van wat haar uit het dossier is gebleken, en stelt dat zij zich voldoende voorgelicht acht omtrent de gang van zaken bij de start van het onderzoek. Uit de formulering daarvan volgt dat de strafkamer deze opsomming als vaststaand beschouwd en dat de strafkamer de punten van de verdediging over de startinformatie totaal negeert. In de motivering van de afwijzende verzoeken betrekt de strafkamer voorts het argument dat voor zover al sprake zou zijn van onrechtmatigheden, deze hebben plaatsgevonden met betrekking tot andere opsporingsonderzoeken en niet in het kader van het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak aan verdachte ten laste gelegde feiten. Uit een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 26 november 2013 volgt volgens verzoeker echter dat onderzoeksmateriaal uit een ander onderzoek dat ten grondslag ligt aan het onderzoek waar een verdachte voor moet terechtstaan, onder omstandigheden wel degelijke relevant kan zijn voor door de strafkamer te nemen beslissingen. De strafkamer heeft deze pas met het door haar gebezigde argument echter reeds afgesneden.

Inhoud van de stukken

Het vonnis in de strafzaak tegen de verzoeker houdt als beoordeling door de rechtbank van in eerste aanleg gevoerde verweren omtrent de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, voor zover van belang het volgende in.

Beoordeling

A Start van het onderzoek

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld met betrekking tot de gang van zaken rond het tot stand komen van de startinformatie ten behoeve van het Hattem-onderzoek blijkt dat aan het politiekorps Amsterdam-Amstelland onjuiste informatie is verstrekt door het politiekorps Hollands-Midden over de connectie tussen de auto waarmee de aanslag is gepleegd en de gebruikers van de adres, in het bijzonder medeverdachte A. Vast staat voorts dat op basis daarvan bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn ingezet, in het bijzonder de doorzoeking van de woning aan de adres.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat daarmee sprake is van schending van een beginsel van goede procesorde. Dat levert een vormverzuim op dat is begaan in het voorbereidend onderzoek van de onderhavige zaak, dat niet meer kan worden hersteld.

De door de advocaat van de verzoeker in de strafzaak schriftelijk ingediende ‘Nadere toelichting onderzoekswensen’ houdt voor zover van belang het volgende in.

De verdediging wenst deze officieren van justitie (wrakingskamer: officier van justitie A en officier van justitie B) te ondervragen over de start van het onderzoek.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat doelbewust of met grove veronachtzaming aan de belangen van verzoeker en medeverdachte A (wrakingskamer: de verzoeker en een medeverdachte) te kort is gedaan aangaande de startinformatie van het onderzoek. Dit dient te leiden tot de niet ontvankelijkheid van het OM dan wel tot bewijsuitsluiting van alle op basis van de startinformatie ingezette opsporingsmiddelen. De verdediging stelt dat het Hattem onderzoek is gestart op basis van onjuiste verstrekte informatie (te weten het CIE pv van verbalisant A 1 d.d. 7 augustus 2009, dat volgens verbalisant A 1 enkel gebaseerd was op het kluispv van verbalisant B 1 op 7 augustus 2009). verbalisant B 1 stelt in het kluispv (01 003) dat er onderliggende stukken als bijlagen bij dit pv zijn gevoegd en dat het pv met toestemming van verbalisant C 1 ter beschikking is gesteld aan de afschermfunctionaris. Vast moet komen te staan welke onderliggende stukken dat waren. De verdediging betwist de lezing van verbalisant B 1 hieromtrent. De verdediging stelt (itt de rechtbank p 13 vonnis) dat verbalisant B 1 bij de RC ongeloofwaardig en leugenachtig heeft verklaard over het zogenaamde gespreksverslag (dat op 4 augustus 2009 zou zijn opgemaakt en mede ten grondslag lag aan zijn kluispv). De verdediging wenst ovj officier van justitie B vragen te stellen over zijn kennis van een gespreksverslag en of dit als bijlage met zijn toestemming ter beschikking is gesteld. Officier van justitie A had de leiding over het Atlas onderzoeken kan eveneens verklaren over de stukken / bijlagen die aan Hattem ter beschikking zijn gesteld.

Het proces-verbaal terechtzitting van 26 augustus 2013 en 2 oktober 2013 houdt, voor zover van belang, als beslissingen en overwegingen van de strafkamer het volgende in.

De start van het onderzoek

Het hof overweegt hieromtrent dat bij de beoordeling van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van strafvordering (Sv) de vraag naar de herstelbaarheid van het verzuim voorop staat. Pas als herstel niet meer mogelijk is, kan sanctionering van het vormverzuim worden overwogen. Daarbij geldt tevens dat het dient te gaan om een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte ter zake van (het) tenlastegelegde feit(en). Artikel 359a Sv vindt geen toepassing, indien het vormverzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. (…)

Met betrekking tot de gang van zaken bij de start van het onderzoek is het hof uit het dossier het volgende gebleken. (…)

Gelet op het bovenstaande acht het hof zich op grond van de verklaringen van de verschillende getuigen bij de rechter-commissaris, de processen-verbaal van bevindingen van de officieren van justitie en de overige stukken in het dossier, een en ander in onderlinge samenhang bezien, voldoende voorgelicht omtrent de gang van zaken bij de start van het onderzoek Hattem. Dit laat evenwel onverlet dat het hof een te zijner tijd bij de inhoudelijke behandeling van de zaak van de verdachte door de verdediging gevoerd verweer dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv op zijn merites zal dienen te beoordelen.

Beslissingen van het hof

Het hof wijst af het verzoek tot het doen oproepen van de onder 6 en 7 verzochte getuigen, officier van justitie A en officier van justitie B. Vooropgesteld wordt dat slechts in uitzonderingsgevallen plaats is voor het oproepen van een officier van justitie als getuige (ter terechtzitting). Van zo’n uitzonderingsgeval is hier, gelet op de redengeving die aan de verzoeken ten grondslag is gelegd en hetgeen hierna is overwogen, niet gebleken. Daar komt nog bij dat het openbaar ministerie zich ter terechtzitting verantwoordt over in het kader van opsporing en vervolging genomen beslissingen. Bovendien bevindt zich in het dossier een door de officier van justitie officier van justitie C op 9 juni 2010 opgemaakt proces-verbaal, waarin hij de start van het onderzoek nader uiteen zet. Het hof betrekt bij zijn oordeel voorts dat voor zover al sprake zou, zijn van onrechtmatigheden, deze hebben plaatsgevonden met betrekking tot andere opsporingsonderzoeken en niet in het kader van het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek om officier van justitie A en officier van justitie B als getuige ter terechtzitting op te roepen niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Beoordeling

Hetgeen door de verzoeker aan het wrakingsverzoek ten grondslag is gelegd valt -naar de kern genomen- uiteen in twee onderdelen. Ten eerste heeft de strafkamer volgens de verzoeker reeds feiten vastgesteld en op grond daarvan gesteld dat zij voldoende is voorgelicht, terwijl die feiten door de verzoeker worden betwist. Ten tweede heeft de strafkamer met de overweging dat voor zover al sprake zou zijn van onrechtmatigheden, deze hebben plaatsgevonden met betrekking tot andere opsporingsonderzoeken en niet in het kader van het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak aan verdachte ten laste gelegde feiten, reeds de pas afgesneden voor het tegengestelde standpunt dat de verdediging inneemt.

Ten aanzien van het eerste onderdeel overweegt de wrakingskamer als volgt. De strafkamer heeft zich naar aanleiding van de getuigenverzoeken van de verdediging omtrent de start van het onderzoek klaarblijkelijk de vraag gesteld of zij zich op grond van de stukken van het dossier niet reeds voldoende voorgelicht achtte. In dit verband heeft de strafkamer aanleiding gezien de inhoud weer te geven van de stukken die zij in het dossier heeft aangetroffen. Anders dan de verzoeker en -blijkens zijn schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek- ook de advocaat-generaal menen, heeft de strafkamer naar het oordeel van de wrakingskamer hiermee niet blijk gegeven de in die weergave vervatte feiten en omstandigheden reeds te hebben vastgesteld, maar heeft zij, zoals gezegd, slechts weergegeven dat die gegevens uit het dossier blijken. Evenmin kan hieruit een oordeel omtrent de te voeren verweren worden afgeleid. Uit de omstandigheid dat de strafkamer zich voldoende voorgelicht acht, kan immers niet meer worden afgeleid dan dat naar het oordeel van de stafkamer reeds zodanige feiten en omstandigheden aan haar zijn voorgelegd dat zij in staat is tot een afgewogen rechterlijk oordeel te komen, welk oordeel uiteindelijk ten voor- of ten nadele van het door de verdediging te voeren verweer kan uitvallen. De wrakingskamer acht de vrees voor vooringenomenheid op dit punt dan ook niet objectief gerechtvaardigd.

Ten aanzien van het tweede onderdeel van de grond waarop het wrakingsverzoek rust, overweegt de wrakingskamer als volgt. Uit de schriftelijke ‘Nadere motivering onderzoekswensen’ moet worden afgeleid dat de verdediging de getuigen officier van justitie A en officier van justitie B wenst te ondervragen op punten waaromtrent, naar de stelling van de verdediging, doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is gehandeld onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. Dit dient volgens de verdediging te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, dan wel tot bewijsuitsluiting van alle op basis van de startinformatie ingezette opsporingsmiddelen. Redelijke uitleg brengt mee dat hierin ligt besloten dat naar de stelling van de verdediging sprake is geweest van vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, die moeten leiden tot de in dat artikel genoemde rechtsgevolgen. Hieruit volgt ook dat de vraag of de vormverzuimen tot toepassing van artikel 359a Sv moeten leiden is voorgelegd aan de strafkamer, ter beoordeling op grond van het onderzoek ter terechtzitting.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is de strafkamer met de overweging -dat voor zover al onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden, deze hebben plaatsgevonden in het kader van het Atlas-onderzoek en niet in het vooronderzoek naar de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten- schijnbaar vooruitgelopen op deze bij eindarrest te geven beoordeling. Aan deze overweging kon de verzoeker naar het oordeel van de wrakingskamer ontlenen dat de strafkamer reeds van oordeel is dat de door de raadsvrouw in relatie tot de horen getuige gestelde onrechtmatigheden (zouden die aannemelijk zijn) niet tot toepassing van artikel 359a Sv kunnen leiden, omdat die onrechtmatigheden buiten de werkingssfeer van dat artikel vallen. Een oordeel op dit punt dient de rechter zich echter pas te vormen na voltooiing van het onderzoek ter terechtzitting, wanneer partijen hun inhoudelijke argumenten aan de rechter hebben kunnen voorleggen. Dat de verzoeker de hierboven gegeven uitleg heeft gegeven aan de overweging van de strafkamer met betrekking tot de reikwijdte van artikel 359a Sv is temeer begrijpelijk nu door de strafkamer in haar inleidende overwegingen reeds is overwogen dat artikel 359a Sv geen toepassing vindt, indien het vormverzuim is begaan buiten het verband van het voorbereidend onderzoek ter zake de aan verzoeker ten laste gelegde feiten.

De wrakingskamer acht de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de strafkamer dan ook objectief gerechtvaardigd. Bij dit oordeel betrekt de wrakingskamer dat de overweging van de strafkamer stellig en zonder voorbehoud is gegeven. De wrakingskamer heeft onderzocht of aan de overweging een bepaald voorlopig karakter moet worden toegekend, in het licht van het feit dat de overweging kennelijk is gegeven in het kader van de beoordeling van het verdedigingsbelang bij het horen van officier van justitie A en officier van justitie B, en in het licht van de inleidende overweging van de strafkamer dat zij een te zijner tijd bij de inhoudelijke behandeling van de zaak gevoerd verweer dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv op zijn merites zal dienen te beoordelen. Gezien de stellige bewoordingen kan in de overweging die nuancering echter niet voldoende worden gevonden, in ieder geval niet zodanig dat de vrees voor vooringenomenheid bij de verzoeker niet objectief gerechtvaardigd is te noemen.

Tweede wrakingsgrond: de gang van zaken rondom getuige

Namens de verzoeker is deze grond waarop het wrakingsverzoek rust, bij de mondelinge behandeling -samengevat- als volgt nader toegelicht.

In eerste aanleg heeft de verdediging uitvoerig betoogd dat door politie en het openbaar ministerie doorlopend een onjuiste en misleidende voorstelling van de verhoren en gang van zaken rond getuige is gegeven, en dat is getracht onjuiste verklaringen van getuige te verkrijgen. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid (van het openbaar ministerie) en bewijsuitsluiting. Dit verweer rust onder meer op de stelling dat doelbewust een wig is gedreven tussen getuige en zijn advocaten. getuige is van zijn gekozen raadsman afgepraat, waarna door de officier van justitie een andere raadsman aan getuige is toegewezen. Daarna is getracht die raadsman in te wisselen voor een andere advocaat. Uit de motivering van de regie-beslissingen van de strafkamer blijkt volgens de verzoeker dat het hof reeds heeft beslist dat geen onaanvaardbare beperking van de keuzevrijheid van getuige heeft plaatsgevonden en voorts dat geen ontoelaatbare druk is uitgeoefend.

Een andere pijler van het niet-ontvankelijkheidsverweer is dat toezeggingen zijn gedaan (aan getuige) door de politie en het openbaar ministerie, dat de politie sturend te werk is gegaan tijdens de verhoren en dat het openbaar ministerie heeft getracht dit te verhullen. De strafkamer heeft een aantal passages uit een verhoor van getuige geciteerd en overwogen dat in deze passages geen steun is te vinden voor de stelling van de verdediging. Dit acht de verzoeker onbegrijpelijk. Voorts is volgens hem onbegrijpelijk dat de strafkamer geen passages aanhaalt die de stelling van de verdediging (wel) ondersteunen. De strafkamer heeft het standpunt van de verdediging dat getuige toezeggingen zijn gedaan en dat hij tijdens zijn verhoren is beïnvloed nu al afgekapt, en daarmee is het inhoudelijk voeren van dit verweer zinloos geworden, aldus de verzoeker.

Inhoud van de stukken

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 augustus 2013 en 2 oktober 2013 houdt voor zover van belang het volgende in als door de raadsvrouw gegeven toelichting op onderzoekswensen.

De gang van zaken rondom getuige

De getuigen 23 tot en met 38 dienen te worden gehoord over de gang van zaken rondom getuige. De politie en het openbaar ministerie hebben op dit punt doorlopend een onjuiste en misleidende voorstelling van zaken gegeven. Zij hebben de grens van het toelaatbare overschreden om belastende verklaringen tegen de verdachten te verkrijgen. Daarbij is een wig gedreven tussen getuige en zijn advocaten, is getuige bang gemaakt en beïnvloed en zijn hem toezeggingen gedaan. De politie en het openbaar ministerie hebben er alles aan gedaan om deze gang van zaken te verhullen. Dit dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (op grond van het Zwolsman-criterium dan wel het Karman-criterium), dan wel tot bewijsuitsluiting of strafvermindering. (…)

  • er is doelbewust een wig gedreven tussen getuige en zijn advocaten (die hem hebben geadviseerd zich op zijn zwijgrecht te beroepen) teneinde hem zonder advocaat te horen met als enige doel het verkrijgen van belastende verklaringen over de verdachten.

De verdediging wenst daarover als getuigen te horen: getuige, advocaat A, advocaat B en officier van justitie officier van justitie D (over de vervanging van de eerste advocaat). Het openbaar ministerie heeft voorts een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot de mislukte poging om advocaat B te laten vervangen door advocaat C. Tijdens het verhoor van getuige in Brazilië is een eerste aanzet gegeven om advocaat B te vervangen. De verdediging wenst op dat punt te horen: de officieren van justitie officier van justitie E, officier van justitie F en officier van justitie C en de verbalisanten verbalisant D, verbalisant E en verbalisant F.

  • Uit de stukken blijkt dat aan getuige toezeggingen zijn gedaan, hetgeen door de politie en het openbaar ministerie wordt betwist.

De verdediging wenst daarover als getuigen te horen: getuige, officier van justitie officier van justitie D (zij was verantwoordelijk ten tijde van de eerste verhoren in november 2009), de

verbalisanten verbalisant D, verbalisant E, verbalisant F, verbalisant G 1 en officier van justitie officier van justitie E.

  • getuige is door de politie beïnvloed.

De verbalisanten hebben getuige vanaf de eerste verhoren in november 2009 voorgehouden dat hij te maken heeft met een gevaarlijke groep verdachten. Er is gesproken over liquidaties. Er is gesuggereerd dat hij bescherming behoeft en kan krijgen. Bij de verhoren in Nederland en Brazilië zijn suggestieve en sturende vragen gesteld. Daarnaast zijn vragen vaak herhaald. Daarbij hebben zij de getuige inkoppers, onwaarheden en beloftes voorgehouden, waardoor hij is beïnvloed. De rol van de politie is sturend en beïnvloedend geweest. De verdediging wenst daarover als getuigen te horen: verbalisant E, verbalisant F en verbalisant G 1.

Het proces-verbaal terechtzitting van 26 augustus 2013 en 2 oktober 2013 houdt, voor zover van belang, het volgende als beslissingen en motiveringen van de strafkamer in.

Het drijven van een wig tussen getuige en zijn advocaten

(…) Het hof memoreert dat slechts in uitzonderingsgevallen plaats is voor het doen oproepen van officieren van justitie als getuige (ter terechtzitting). Datzelfde heeft, naar het oordeel van het hof te gelden voor het doen oproepen van de (voormalige) advocaten/raadslieden van een getuige/verdachte. Van zo’n uitzonderingsgeval is hier, gelet op de redengeving die aan het verzoek ten grondslag is gelegd en hetgeen hiervoor is overwogen, niet gebleken. Het dossier biedt hiervoor geen aanknopingspunten.

Vooropgesteld wordt dat het bij uitstek de direct betrokkene, in dit geval dus getuige is, die tekst en uitleg kan geven over de gang van zaken op dit punt. Dat heeft hij, in aanwezigheid van de verdediging, op 8 februari 2012 bij de rechter-commissaris ook gedaan. Uit die verklaring, bezien in samenhang met de stukken uit het dossier, leidt het hof af dat getuige bij zijn voorgeleiding heeft verzocht om advocaat D als voorkeursadvocaat. Vervolgens heeft niet advocaat D, maar (het hof begrijpt:) advocaat A hem als advocaat gaan bijstaan. getuige heeft - naar eigen zeggen - nog voordat hij na afloop van het verhoor op 16 november 2009 ging roken, die raadsman laten vervangen door advocaat B. Van een (onaanvaardbare) beperking van de keuzevrijheid van de verdachte is op grond hiervan dan ook niet gebleken. De stelling van getuige dat hij hiertoe is gekomen, omdat ze (het hof begrijpt: de verbalisanten verbalisant F en verbalisant H) zoveel in zijn hoofd hebben gedaan, maakt dit niet anders. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de verbatim uitwerking van het verhoor geen steun biedt voor de beweerde druk die zou zijn uitgeoefend, terwijl ook overigens niet nader is toegelicht waaruit die druk zou hebben bestaan.

Gebleken is voorts dat getuige op 21 en 22 september 2009 in Brazilië als getuige is gehoord en dat advocaat B daarvan niet in kennis is gesteld. Wat hiervan de reden is, is niet duidelijk. Weliswaar heeft getuige bij de rechter-commissaris op 8 februari 2012 verklaard dat tegen hem is gezegd dat hij een andere advocaat moest nemen, maar getuige heeft niet nader toegelicht, waarom hij een andere advocaat zou moeten nemen en op welke wijze druk op hem zou zijn uitgeoefend. Bovendien blijkt uit zijn verklaring dat hij in Nederland een gesprek heeft gehad met advocaat B en advocaat C om te beslissen, wie van hen hem verder zou bijstaan. Het hof leidt uit deze gang van zaken af dat getuige er blijkbaar voor heeft gekozen dat advocaat B hem in het vervolg zou blijven bijstaan. Het hof betrekt bij zijn oordeel ook hetgeen de officier van justitie officier van justitie C bij brief van 29 april 2011 op dit punt naar voren heeft gebracht. Van een (onaanvaardbare) beperking van de keuzevrijheid van getuige - wat er van de gang van zaken ook zij - is op grond hiervan dan ook niet gebleken.

Voornoemde gang van zaken, wat daarvan ook zij, is niet van belang voor enige rechtens te nemen beslissing in de onderhavige strafzaak tegen de verdachte. Overigens is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek om de officieren van justitie officier van justitie D, officier van justitie E, officier van justitie F en officier van justitie C en de (voormalig) advocaten/raadslieden advocaat A, advocaat B en advocaat C als getuige op te roepen niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Er zijn toezeggingen gedaan aan getuige en hij is door de politie beïnvloed

De verdediging heeft verzocht als getuigen te doen oproepen getuige, de officieren van justitie officier van justitie D en officier van justitie E, de verbalisanten verbalisant D, verbalisant E, verbalisant F en verbalisant G 1.

Het hof wijst af de verzoeken tot het doen oproepen van de op dit punt verzochte getuigen, omdat het verzoek een deugdelijke onderbouwing en feitelijke grondslag ontbeert. Het hof acht het opnieuw oproepen van getuige, verbalisant D en verbalisant F op dit punt niet noodzakelijk en ten aanzien van de getuigen officier van justitie D en officier van justitie E, verbalisant E en verbalisant G 1 is het hof van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door afwijzing van het verzochte niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de verbatim uitwerkingen van de verhoren van getuige in Nederland op 16 en 17 november 2009 en in Brazilië op 21 en 22 september 2010 een ander beeld geven van hetgeen tijdens die verhoren is voorgevallen dan door de verdediging is geschetst. Voornoemde verbatim uitwerkingen bieden, wat er ook zij van de perceptie van getuige met betrekking tot gedane mededelingen, geen steun voor de door hem in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 8 februari 2012 beweerde gang van zaken. De inbreng van de Braziliaanse politieambtenaar tijdens voornoemde verhoren doet dat evenmin.

Weliswaar heeft de Braziliaanse politieambtenaar aan getuige voorgehouden dat: de officier van Justitie hem de garantie heeft gegeven dat zij in jouw voordeel en in het algemene voordeel zal handelen (pagina 3 van het verhoor).

En verder: we spreken met een officier van Justitie die bereid is om je te helpenWat helpt het als je niet meewerkt en nooit meer rustig kunt slapen. En na een tijdje is jouw leven hier in Brazilië zoals ook het leven van jouw familie daar is, helemaal ontwricht. Want dan komt het proces hier naar toe waar jij aan moet meewerken. En dan wordt het steeds ingewikkelder. Ieder dag dat je niet meewerkt… kijk maar...(pagina 3 van het verhoor).

Het gaat te ver om in voornoemde opmerkingen steun te vinden voor de stellingen van de verdediging. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de Braziliaanse politieambtenaar tegenover getuige meermalen heeft benadrukt dat een Braziliaan niet wordt uitgeleverd (pagina 13 en 80) en dat hij heeft aangegeven dat ná het verhoor over diens veiligheid kon worden gesproken, in het bijzijn van de vrouwelijke officier van justitie (pagina 40 van het verhoor). Het hof betrekt bij zijn oordeel voorts dat officier van justitie E in haar op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2011 heeft weergegeven wat voorafgaand aan het verhoor op 21 september 2010 en na afloop van het verhoor op 22 september 2010 met getuige is besproken. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze mededelingen van de zijde van het openbaar ministerie. Dit is te minder het geval, daar voor het door mr.

Officier van justitie E gerelateerde steun kan worden gevonden in voornoemde verbatim uitwerking.

Beoordeling

Het onderhavige onderdeel van het wrakingsverzoek komt er in de kern op neer dat de strafkamer volgens de verzoeker met haar motivering van de afwijzende beslissingen op de getuigenverzoeken, blijk heeft gegeven haar oordeel op de vraag of ‘een wig is gedreven tussen getuige en zijn raadsman’, of in andere bewoordingen ‘van zijn gekozen raadsman is afgehouden’ reeds te hebben gevormd. Ook blijkt volgens de verzoeker uit die motivering dat de strafkamer reeds een oordeel heeft gevormd omtrent het standpunt van de verdediging dat getuige toezeggingen zijn gedaan en dat hij tijdens zijn verhoren is beïnvloed. Deze stellingen worden door de verdediging in de stafzaak mede ten grondslag gelegd aan een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Uit hetgeen de raadsvrouw blijkens het proces-verbaal terechtzitting op de regie-terechtzitting heeft aangevoerd, volgt dat aan dit beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie door de verdediging de stelling ten grondslag wordt gelegd dát sprake is geweest van het afhouden van getuige van zijn gekozen raadsman, en dat getuige is beïnvloed en hem toezeggingen zijn gedaan. Hieruit volgt ook dat de vraag of deze stellingen aannemelijk zijn, is voorgelegd aan de strafkamer ter beoordeling op grond van het onderzoek ter terechtzitting.

De wrakingskamer acht voorstelbaar, gezien ook de schriftelijke reactie van de strafkamer op het wrakingsverzoek, dat de strafkamer met haar motivering van de regie-beslissing op de verzoeken de getuigen te horen, slechts de stellingen van de verdediging in het kader van de toetsing van het belang van de verdediging bij het horen van die getuigen (althans of sprake is van een uitzonderingsgeval de officier van justitie als getuige te horen), heeft willen afwegen in het licht van de stukken die haar reeds waren aangereikt. Ook is voorstelbaar dat de strafkamer de vraag voor ogen heeft gehad of het getuigenverzoek, met inachtneming van de inhoud van de stukken van het dossier, een voldoende onderbouwing kende, dan wel of zij zich reeds voldoende voorgelicht achtte op grond van de stukken die haar reeds waren aangereikt.

Dat de motivering van de strafkamer niet meer is dan het resultaat van een afweging in dat kader blijkt echter niet uit de bewoordingen van de overweging. De overweging duidt erop dat de strafkamer tot een verdergaande, inhoudelijke beoordeling van de stelling van de verdediging is gekomen. Ten aanzien van de overweging op de getuigenverzoeken die zijn gedaan met betrekking tot het ‘drijven van een wig tussen zijn raadsman en getuige’ geldt dat die overweging -naar het oordeel van de wrakingskamer- door de verzoeker redelijkerwijs kon worden opgevat als een waardering van feiten en omstandigheden door de strafkamer, te weten van de inhoud van het verhoor van getuige van 8 februari 2012, van de stelling van getuige dat hij hiertoe (de wrakingskamer begrijpt: het wisselen van advocaat) is gekomen omdat verbalisanten zoveel in zijn hoofd hebben gedaan, en de omstandigheid dat door getuige niet is toegelicht waar de druk uit zou hebben bestaan. De overweging dat van (onaanvaardbare) beperking van de keuzevrijheid van de verdachte op grond hiervan niet is gebleken, duidt erop dat de strafkamer op grond van deze waardering zich reeds een oordeel heeft gevormd omtrent de aannemelijkheid van de stelling van de verdediging dat getuige is afgehouden van zijn gekozen raadsman. De rechter is tot dergelijke oordeelsvorming pas geroepen na sluiting van het onderzoek, wanneer partijen hun (inhoudelijke) argumenten aan de rechter hebben kunnen voorleggen. De vrees bij verzoeker voor vooringenomenheid van de strafkamer op dit punt acht de wrakingskamer dan ook objectief gerechtvaardigd. De wrakingskamer betrekt bij dit oordeel dat de overwegingen die schijnbaar onderdeel zijn van oordeelsvorming door de strafkamer zonder voorbehoud en dusdanig stellig zijn gegeven, dat niet slechts sprake lijkt te zijn van een voorlopige toetsing. Dat de strafkamer voorafgaand aan deze overwegingen heeft overwogen dat het dossier ‘hiervoor’ (voor de redengeving van het verzoek) geen aanknopingspunten biedt, doet aan de schijnbare inhoudelijke aard van de daarna volgende overwegingen niet zodanig af dat de vrees voor vooringenomenheid niet objectief gerechtvaardigd is te achten.

Voor de overwegingen die de strafkamer heeft gegeven ten aanzien van getuigenverzoeken omtrent beïnvloeding en het doen van toezeggingen van getuige, geldt dat de verzoeker deze overwegingen naar het oordeel van de wrakingskamer heeft kunnen opvatten als een inhoudelijke toetsing van de stelling van de verdediging, waarbij de strafkamer een veelheid aan omstandigheden in ogenschouw heeft genomen. De wrakingskamer acht voorstelbaar dat bij verzoeker de vrees bestaat dat de strafkamer zich reeds een afwijzend oordeel heeft gevormd omtrent de aannemelijkheid van zijn standpunt nog vóórdat het onderzoek ter terechtzitting tot een einde is gekomen, althans dat door en namens hem aan te voeren inhoudelijke argumenten voor zijn stelling niet onbevooroordeeld door de strafkamer zullen worden ontvangen. Hierbij speelt een rol dat de overwegingen er op zichzelf niet op wijzen dat de strafkamer slechts een toets heeft willen aanleggen als hiervoor onder overweging 5.3.3. bedoeld. De wrakingskamer acht de vrees voor vooringenomenheid bij de verzoeker dan ook objectief gerechtvaardigd.

Derde wrakingsgrond

De verzoeker heeft bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek nog aangevoerd dat hij geen goed gevoel heeft bij mr. Oldekamp omdat mr. Oldekamp volgens verzoeker officier van justitie is geweest en een voormalig naaste collega van de advocaat-generaal.

De wrakingskamer is van oordeel dat deze gestelde omstandigheden op zichzelf niet op vooringenomenheid duiden, zodat dit niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek kan leiden.

Slotsom

In bovenstaande overwegingen is de wrakingskamer op een aantal onderdelen tot de conclusie gekomen dat de vrees bij verzoeker voor vooringenomenheid van de strafkamer objectief gerechtvaardigd is. Dit leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden toegewezen.

Beslissing

De wrakingskamer wijst toe het verzoek tot wraking van mr. Verhoeff, mr. Hoek en mr. Oldekamp.

Lees hier de volledige uitspraak.

Zie ook:

 

Print Friendly and PDF