Woorden in de mond leggen en het stellen van sturende vragen leidt tot vrijspraak

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 augustus 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:5813

De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  1. meermalen met een persoon tussen de 12 en de 16 jaar, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, dan wel dat hij meermalen met die persoon, die toen nog geen zestien jaar was, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd;
  2. meermalen met een aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige ontucht heeft gepleegd;
  3. meermalen met een persoon beneden de 16 jaar, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

Standpunt verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.

De informatieve gesprekken met en verhoren van slachtoffer 1 en slachtoffer 2 hebben niet volgens de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik plaatsgevonden. Na het beluisteren en het bekijken van deze verhoren is de verdediging van mening dat er van neutraliteit en zorgvuldigheid bij de verhoorders geen sprake was. Het opsporingsonderzoek was summier, gebrekkig en onvolledig en de verhoorders waren vooringenomen. De aangevers zijn woorden in de mond gelegd en er zijn suggestieve vragen gesteld. Daarnaast bevatten de verklaringen van slachtoffer 1 en slachtoffer 2 op zich en in onderling verband aantoonbare onjuistheden en tegenstrijdigheden.

Op grond hiervan komt de verdediging tot de conclusie dat de verklaringen van de aangevers ongeloofwaardig zijn. De verdediging acht zich hierin gesterkt door het rapport van dr. Wolters die op dezelfde gronden tot deze conclusie is gekomen.

De verdediging is van mening dat de verklaringen van slachtoffer 1 en slachtoffer 2 dan ook niet mogen meewerken tot het bewijs. Dit leidt ertoe dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om de tenlastegelegde feiten bewezen te verklaren, zodat verdachte van die feiten integraal moet worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

In het procesdossier bevinden zich de verklaringen van slachtoffer 1 en slachtoffer 2, de verklaringen van getuige 1 en getuige 2, de moeder van slachtoffer 1 en slachtoffer 2, en de verklaring van verdachte.

De rechtbank heeft geconstateerd dat in deze zaak door de politie niet volgens de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik is gehandeld. Zo is het informatief gesprek met slachtoffer 2 niet auditief geregistreerd en is het verhoor van slachtoffer 1 niet in de vraag en antwoord stijl gerelateerd. De rechtbank hecht juist in dit soort zaken erg aan zorgvuldigheid en genoemde aanwijzing is niet voor niets opgesteld. Voorts blijkt uit de processen-verbaal van verhoor van slachtoffer 1 en slachtoffer 2 dat maar beperkt kritische vragen zijn gesteld door de verhorende verbalisanten en dat tijdens het verhoor van slachtoffer 1 in vergaande mate gebruik is gemaakt van sturende vragen. Met name gelet op dit laatste, vindt de rechtbank het onbegrijpelijk dat de officier van justitie - die ook heeft erkend dat de verhoormethode door de politie niet juist is geweest - geen gevolgen heeft verbonden aan de fouten die zijn gemaakt of op zijn minst nader onderzoek heeft laten verrichten zoals ook door de officier van justitie op de zitting van 13 augustus 2012 gesuggereerd.

Wat daarvan zij, de rechtbank komt in ieder geval tot een andere conclusie dan de officier van justitie met betrekking tot de geloofwaardigheid van de verklaringen van slachtoffer 1 en slachtoffer 2. Na uitgebreide bestudering van die verklaringen komt de rechtbank tot het oordeel dat die verklaringen ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn en goeddeels tot stand zijn gekomen op basis van voornoemde onjuiste en sturende verhoortechnieken. Zonder daarbij uitputtend te zijn, geeft de rechtbank hierna enige representatieve voorbeelden op grond waarvan zij mede tot dat oordeel is gekomen.

Omdat de rechtbank de verklaringen van slachtoffer 1 en een nog de verklaringen van getuige 1, getuige 2, de moeder van slachtoffer 1 en slachtoffer 2, en van verdachte in het dossier. De verklaringen van getuige 1 en getuige 2 zijn de auditu verklaringen, wat wil zeggen dat deze inhouden hetgeen slachtoffer 1 en slachtoffer 2 tegen hen hebben verteld. De rechtbank is van oordeel dat, nu zij de verklaringen van slachtoffer 1 en slachtoffer 2 ongeloofwaardig acht, ook deze verklaringen niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Verdachte heeft de feiten van het begin af aan ontkend.

Dit brengt met zich dat er geen wettig bewijs in het dossier aanwezig is om de aan verdachte tenlastegelegde feiten bewezen te verklaren. De rechtbank zal verdachte dan ook van alle hem tenlastegelegde feiten vrijspreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF