WODC-evaluatie FEC-projecten: samenwerking versterkt, aanbevelingen voor meer impact

Op 30 maart 2026 heeft minister Van Weel van Justitie en Veiligheid, mede namens de minister van Financiën, het onderzoek Evaluatie van FEC-projecten aangeboden aan de Tweede Kamer. De evaluatie is uitgevoerd door onderzoeksbureau Pro Facto in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) en beslaat acht projecten die het Financieel Expertise Centrum (FEC) in de periode 2020 tot en met 2023 heeft uitgevoerd. De conclusies zijn gemengd: de projecten hebben geleid tot meer kennis, bewustwording en betere samenwerking tussen de betrokken partners, maar waar het gaat om concrete opsporing van criminele geldstromen zijn de resultaten vaak achtergebleven bij de doelstellingen. De onderzoekers doen vier hoofdaanbevelingen om de projecttaak van het FEC doelmatiger en strategischer in te richten. Het rapport is voor de bijzonder-strafrechtpraktijk relevant omdat het zicht biedt op de wijze waarop publiek-private samenwerking bij de bestrijding van financieel-economische criminaliteit in de praktijk functioneert, en waar die samenwerking tegen haar grenzen aanloopt.

Het FEC: bijna drie decennia publiek-private samenwerking

Het Financieel Expertise Centrum is een samenwerkingsverband dat sinds 1997 bestaat en waarin publieke autoriteiten met een toezichts-, opsporings- of vervolgingstaak in de financiële sector samenwerken. De huidige partners zijn de Autoriteit Financiële Markten (AFM), de Belastingdienst, De Nederlandsche Bank (DNB), de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL), de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), het Openbaar Ministerie en de politie. In augustus 2024 is ook het Bureau Financieel Toezicht (BFT) tot het FEC toegetreden. Daarnaast kent het FEC een publiek-private samenwerking (FEC PPS) met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en vier grootbanken: ABN AMRO, ING, Rabobank en ASN Bank. De ministeries van Justitie en Veiligheid en van Financiën zijn als waarnemers betrokken.

Het FEC heeft drie kerntaken: het faciliteren van structurele informatie-uitwisseling tussen de partners, het zijn van een kenniscentrum en het gezamenlijk uitvoeren van projecten gericht op concrete, operationeel bruikbare resultaten. De samenwerking wordt op grond van het Convenant FEC 2014 periodiek geëvalueerd. De nu voorliggende evaluatie richt zich specifiek op de derde kerntaak: de projecten.

Acht projecten onder de loep

In de evaluatieperiode 2020 tot en met 2023 zijn acht projecten tot stand gekomen en uitgevoerd, op uiteenlopende thema's: illegale trustdienstverleners, dividendstripping, witwassen via beleggingsinstellingen en -ondernemingen, de impact van Payment Services Providers (PSP's), Trade-Based Money Laundering (TBML) in de automotivebranche, witwassen bij uitbuitingssituaties, synthetische drugs en crypto. De evaluatie is uitgevoerd aan de hand van een beoordelingskader dat de totstandkoming, uitvoering en doelrealisatie van de projecten in kaart brengt. Pro Facto heeft daartoe projectplannen, eindrapportages en monitoringsadviezen bestudeerd, een digitale vragenlijst uitgezet onder projectleiders en -deelnemers en interviews afgenomen.

De onderzoekers merken op dat het onderzoek enkele beperkingen kent. De respons op de vragenlijst viel tegen, onder meer doordat voormalige projectdeelnemers niet meer bereikbaar waren. De bevindingen over ervaringen vanuit de deelnemers zijn daardoor minder diepgaand dan gehoopt.

Kenniswinst ja, opsporingsresultaten beperkt

De evaluatie schetst een genuanceerd beeld. Aan de positieve kant constateert Pro Facto dat de projecten vooral succesvol zijn geweest in het verzamelen van kennis over specifieke fenomenen en het signaleren van knelpunten in het toezicht of de opsporing. In alle acht projecten is sprake geweest van kenniswinst en toegenomen bewustwording bij de betrokken partners. De samenwerking tussen de partijen is concreet verbeterd en de opgedane kennis is vastgelegd in documentatie en ter beschikking gesteld aan de relevante organisaties.

Daar staat tegenover dat de doelstellingen van de projecten vaak niet volledig zijn behaald. De evaluatie onderscheidt drie typen doelen: het verzamelen van kennis, het opstellen van risico-indicatoren en het direct bijdragen aan opsporing. Bij de eerste categorie zijn de projecten het meest succesvol gebleken. De doelstelling om risico-indicatoren op te stellen werd doorgaans niet of niet volledig gerealiseerd: hoewel er in sommige gevallen zogenaamde red flags zijn gevonden, bleken deze in de praktijk vaak te algemeen om te worden ingezet bij transactiemonitoring. Het leveren van een directe bijdrage aan de opsporing en vervolging van financieel-economische criminaliteit is in het kader van de projecten niet gelukt. Waar het starten van een opsporingsonderzoek een projectdoelstelling was, bleef het resultaat hooguit gedeeltelijk.

Structurele knelpunten: capaciteit en gegevensdeling

Bij de uitvoering van de projecten kwamen twee terugkerende knelpunten naar voren. Ten eerste hadden projectdeelnemers niet altijd voldoende capaciteit om zich volledig in te zetten. Dat uitte zich in vertraging bij het nakomen van afspraken en in een minder uitvoerige doorzoekeing van systemen. De mogelijkheid tot bijsturing is beperkt, omdat de FEC-partners geen zeggenschap hebben over de personele inzet van andere partners. Bovendien speelt het belang om de onderlinge relaties goed te houden, waardoor een achterblijvende inzet doorgaans wordt geaccepteerd.

Het tweede knelpunt betreft beperkingen op het gebied van gegevensdeling, voortkomend uit privacywet- en -regelgeving. Deze beperkingen hebben in verschillende projecten de uitvoering belemmerd of vertraagd. De onderzoekers constateren dat de juridische (on)mogelijkheden voor het delen van gegevens bij aanvang van de projecten onvoldoende concreet in kaart zijn gebracht.

Tekortschietende monitoring en beperkt lerend vermogen

Een opvallende bevinding betreft de monitoringsfase na afronding van projecten. Hoewel deze fase bedoeld is om de effecten van projecten bij te houden en te stimuleren, was daar in de praktijk geen sprake van. In plaats daarvan werden vaak nog openstaande acties afgerond. Effecten van de projecten werden niet systematisch bijgehouden.

Ook op het niveau van de organisatie signaleert Pro Facto knelpunten. Projectrapportages zijn niet overal gelijkvormig opgesteld, wat de vergelijkbaarheid bemoeilijkt. Bij sommige projecten zijn doelstellingen achteraf in eindrapportages bescheidener opgeschreven dan in de oorspronkelijke projectplannen, wat het beeld van de effectiviteit vertroebelt. Projectleiders bleken terughoudend in het aankaarten van knelpunten bij de Contactpersonenoverleggen (CPO's), en van escalatie naar de FEC-raad was in de onderzochte periode in het geheel geen sprake.

De onderzoekers constateren dat het lerend vermogen van het FEC beperkt is. Projecten worden los van elkaar beoordeeld, zonder dat rode lijnen en terugkerende factoren systematisch worden meegenomen in toekomstige keuzes. Wanneer projectdoelen niet volledig worden behaald, wordt zelden onderzocht hoe alsnog resultaten geboekt zouden kunnen worden. Belemmeringen die bij aanvang niet voorzien waren, worden als gegeven beschouwd.

Vier aanbevelingen

Op basis van de bevindingen formuleert Pro Facto vier hoofdaanbevelingen. Ten eerste dienen de verwachtingen rondom FEC-projecten beter aan te sluiten op de reële mogelijkheden wat betreft wetgeving, capaciteit en samenwerking, onder meer door meer vooronderzoek te doen. Ten tweede verdient de invulling van projectteams meer aandacht, zowel qua projectleider als qua individuele deelnemers en de capaciteit bij partnerorganisaties. Ten derde dient de monitoring en sturing op projecten te worden aangescherpt, met beter gedefinieerde verantwoordelijkheden en meer transparantie over tegenvallende voortgang. Ten vierde pleit Pro Facto voor meer aandacht voor geleerde lessen en gerealiseerde resultaten bij de afronding van projecten, zodat het lerend vermogen van het FEC wordt versterkt.

Reactie van de minister

In zijn begeleidende brief aan de Kamer onderschrijft minister Van Weel de bevindingen in grote lijnen. Hij wijst erop dat de evaluatie laat zien dat er vanuit het FEC sterk is ingezet op serieuze uitvoering en aansturing van projecten, en dat dit concrete resultaten heeft opgeleverd op het gebied van kennisuitwisseling en het delen van informatie. De minister merkt op dat de FEC-partners het belang van een goed functionerende projecttaak onderschrijven en dat het FEC een deel van de aanbevelingen reeds heeft opgepakt in recente verbetertrajecten. Het FEC zal bezien welke aanvullende verbeteringen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van Pro Facto kunnen worden doorgevoerd.

Afsluiting

De evaluatie van Pro Facto biedt een waardevol inzicht in de praktijk van publiek-private samenwerking bij de bestrijding van financieel-economische criminaliteit. Het beeld dat daaruit naar voren komt is herkenbaar: samenwerking levert onmiskenbaar meerwaarde op in termen van kennis en netwerk, maar de vertaling naar concrete opsporingsresultaten en meetbare impact blijkt weerbarstig. Structurele knelpunten rond capaciteit, gegevensdeling en het lerend vermogen van de samenwerkingsorganisatie vragen om gerichte aandacht. De behandeling van het rapport in de Tweede Kamer zal uitwijzen of en hoe het parlement de aanbevelingen van de onderzoekers verder wil adresseren.

Print Friendly and PDF ^