Witwassen: voorwerp afkomstig uit misdrijf?

Hoge Raad 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:651

De verdachte is bij arrest van 26 juni 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens meer subsidiair “witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Voorts heeft het hof de vordering van de Benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

Het hof heeft in de aanvulling op het verkort arrest nog de volgende bewijsoverweging opgenomen:

“Verdachte is betrokken geweest bij de oprichting van zowel B als de Stichting C. Verdachte wist dat bij beide rechtspersonen gebruik is gemaakt van zogenoemde katvangers. Er is voorts geen enkele aanwijzing dat B geld verschuldigd zou zijn aan C. Onder deze omstandigheden heeft verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de van B afkomstige gelden afkomstig waren uit misdrijf.

Uit de verklaring van betrokkene 4 en de overboekingen naar zijn eigen rekening blijkt dat verdachte over de rekening van C kon beschikken. Niet aannemelijk is geworden dat (daarnaast ook) anderen over die rekening konden beschikken.”
 

Middel

Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. In het verlengde daarvan klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat verdachte ‘op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de van B afkomstige gelden afkomstig waren uit misdrijf’, ontoereikend is gemotiveerd.
 

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.
 

Conclusie AG

In deze zaak staat artikel 420bis lid 1 aanhef en onder b Sr centraal. Voor een veroordeling voor witwassen op grond van artikel 420bis Sr is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.1 Uit de bewijsmiddelen hoeft – op grond van het doel en de strekking van artikel 420bis Sr en mede in het licht van de totstandkoming van die bepaling - niet te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf, waarbij eveneens niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.2
Wel is voor strafbaarheid ten aanzien van artikel 420bis Sr vereist dat de verdachte weet dat zijn gedraging betrekking heeft op een uit misdrijf afkomstig goed. Onder die voor witwassen vereiste wetenschap van de criminele herkomst is mede begrepen de voorwaardelijke variant: het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is. De wetenschap kan reeds bestaan ten tijde van de gedraging, maar kan ook later ontstaan.

De verdachte heeft door middel van meerdere tussenpersonen verscheidene B.V's en stichtingen opgericht. In deze zaak draait het om B B.V. en de Stichting C. Na de oprichting blijft verdachte bij de (financiële) administratie van zowel B B.V. als die van Stichting C betrokken. De post van B B.V., inclusief de bankafschriften, kwam via betrokkene 2 bij verdachte of betrokkene 3 terecht. Hetzelfde geldt voor de post van de genoemde stichting. Uit de verklaring van betrokkene 4 blijkt dat hij de binnengekomen post naar verdachte bracht, en voorts dat verdachte de beschikking had over de bankpas en inloggegevens van Stichting C. betrokkene 2, betrokkene 3 en betrokkene 4 zijn de katvangers waar het hof in zijn bewijsoverweging op doelt. Op enig moment constateert betrokkene 2, daarop geattendeerd door aangever, dat op de bankrekening van B B.V. een groot geldbedrag is binnengekomen. De aangever wilde dit bedrag graag terug hebben. betrokkene 2 brengt betrokkene 3 daarvan op de hoogte en geeft het bijbehorende bankafschrift aan verdachte. Desalniettemin wordt door B B.V. een bedrag van 10.550 euro bijgeschreven op de rekening van Stichting C. Niet is komen vast te staan door wie het op de rekening van B B.V. onverschuldigd betaalde bedrag is overgemaakt naar de rekening van de genoemde stichting en daarnaast vloeit uit de bewijsconstructie van het hof niet voort uit welk concreet misdrijf het geld afkomstig is geweest. Zoals hiervoor onder 3.5 reeds bleek, wordt dit ook niet vereist. De stelling in de toelichting op het middel inhoudende dat moet worden gemotiveerd uit welk misdrijf het geld afkomstig is geweest, vindt dan ook geen steun in het recht.

Met de bankgegevens die verdachte ten aanzien van Stichting C tot zijn beschikking stonden, heeft hij op 9 januari vanaf de rekening van C, nadat daarop het genoemde geldbedrag van B B.V. was bijgeschreven, twee keer een bedrag van 2.000 euro overgeboekt naar zijn eigen rekening terwijl het hof ten aanzien van die bijschrijving heeft overwogen dat er geen enkele aanwijzing is dat B geld verschuldigd zou zijn aan C.

Voorts is op verschillende dagen in januari 2012 geld gepind van de rekening van Stichting C. Onduidelijk is of ook deze pintransacties aan de verdachte kunnen worden toegeschreven. Hoewel de verdachte beschikt over het pasje van de bankrekening van Stichting C heeft verdachte voor die pintransacties echter geen alternatieve verklaring gegeven, waarbij bijvoorbeeld kan worden gedacht aan de verklaring dat hij niet de enige is die over een pasje beschikt, terwijl ook betrokkene 4 heeft verklaard dat hij de bankpas en de inloggegevens aan verdachte heeft gegeven.

Gelet op de grote mate van betrokkenheid van verdachte bij voornoemde gang van zaken is, anders dan in Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:11, het oordeel van het hof, dat de verdachte ‘op zijn minst’ de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geldbedrag van 10.550 euro afkomstig was uit enig misdrijf, in aanmerking genomen de door het hof in de bewijsmiddelen en zijn bewijsoverweging vastgestelde, in onderling verband en samenhang beschouwde, feiten en omstandigheden en hetgeen daaromtrent ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman van verdachte is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en is voorts toereikend gemotiveerd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat de raadsman van verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat hij ‘met de rechtbank van oordeel is dat er in casu sprake is van witwassen’. De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep niet op het standpunt gesteld dat het geld niet afkomstig was uit enig misdrijf, dan wel dat de wetenschap, al dan niet in voorwaardelijke zin, van verdachte daaromtrent zou hebben ontbroken.

Voor zover het middel beoogt te stellen dat gelet op de vermenging van het geld, op de bankrekening van (in eerste instantie) B B.V., met de (veronderstelde) zich daar reeds bevindende saldi van B B.V. niet meer gesproken kan worden van een door misdrijf verkregen voorwerp omdat door de vermenging B B.V. eigenaar zou zijn geworden van het geld gaat het middel uit van een onjuiste rechtsopvatting. Reeds lang wordt op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad giraal geld als een (afzonderlijk) ‘goed’ beschouwd. Voorts is het civielrechtelijke eigendomsbegrip niet gelijk te stellen met strafrechtelijke begrippen als ‘toebehoren’ en bovendien geeft lid 2 van art. 420bis Sr een uitbreidende definitie van voorwerpen als bedoeld in lid 1: daaronder vallen behalve alle zaken ook alle vermogensrechten.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF