Witwassen: Omzetting gelden afkomstig uit enig misdrijf in vakantiereizen. Overwegingen mbt economische eenheid & medeplegen & wetenschap

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 17 mei 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2185

Verdachte wordt verdacht van het medeplegen van gewoontewitwassen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Volgens de verdediging heeft verdachte gedurende haar relatie met partner langdurig van hem apart gewoond en haar eigen financiën gevoerd met financiële ondersteuning van haar ouders. Verdachte hoefde niet haar handje op te houden bij partner, aldus de verdediging. Volgens de verdediging zou het best kunnen zijn dat partner wel eens wat voor verdachte heeft betaald en andersom verdachte voor partner, maar verdachte heeft geen enkele betrokkenheid gehad bij de ten laste gelegde transacties zelf en van medeplegen is geen sprake. Bovendien gaat het hier om transacties waarvan niet kan worden vastgesteld dat deze geheel zijn betaald met geld van criminele herkomst. En als dat wel het geval zou zijn geweest, dan heeft verdachte geen wetenschap gehad van de criminele herkomst van die gelden.

De verdediging heeft derhalve de criminele herkomst van de gelden, de wetenschap van verdachte daaromtrent en het ten laste gelegde medeplegen betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.

In de belastingaangiften over de jaren 2009 tot en met 2012 heeft verdachte aangegeven dat zij vanaf 1 oktober 2009 en de kalenderjaren daarna het gehele jaar samenwoonde en ook over het gehele jaar als fiscale partner aangemerkt wilde worden van partner (financieel dossier, blz. 102 e.v.).

Verdachte heeft ter terechtzitting bij de rechtbank op 6 februari 2014 verklaard dat zij met partner in de periode van 1 januari 2007 tot en met 2 juli 2013 een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.

Uit politiesystemen is gebleken dat op 2 november 2010 bij een fouillering onder partner een contant bedrag van €8.190 is aangetroffen. Op 30 juni 2012 is gezien dat partner op straat een pak geld van ca twee centimeter dik aan zijn vriendin gaf (het hof gaat er vanuit dat dit verdachte was nu zij in deze periode de partner van partner was; zie ook Map A, blz. 31). Op 14 oktober 2012 werd na fouillering bij partner een contant bedrag aangetroffen van €8.190. Op 6 april 2013 deed verdachte aangifte van diefstal van haar portemonnee waarin onder ander een bedrag van €4.000 aan contanten zou hebben gezeten (Financieel dossier, blz. 5).

Op 6 juli 2012 werd aan partner namens de Belgische autoriteiten een vonnis betekend in verband met een uitgesproken straf van vier jaren als dader/mededader voor het vervaardigen, bezit van en/of de handel in cannabis (map A, blz. 4).

Verdachte heeft verklaard dat deze veroordeling van vóór haar relatie met partner was, maar dat zij wel wist dat partner deze straf in België moest uitzitten (Financieel dossier, blz. 901).

Ter terechtzitting in hoger beroep op 3 mei 2018 heeft verdachte verklaard dat zij wist dat partner vanwege rechterlijke beslissingen niet binnen Europa mocht reizen.

Bij het uitgevoerde financiële onderzoek is gebleken dat partner in 2007 arbeidsinkomsten heeft gehad en dat daarvoor per bank aan hem is overgemaakt een bedrag van €21.398. (Financieel dossier, blz. 33).

Uit bankafschriften blijkt ten aanzien van verdachte dat aan haar over 2007 arbeidsinkomsten zijn overgemaakt voor een bedrag van €952 (Financieel dossier, blz. 34).

Van de door verdachte en partner gestelde inkomsten uit freelance werkzaamheden zijn geen (kassa)bonnen, facturen en kwitanties voorhanden (Financieel dossier, blz. 35).

Bij de politie heeft partner zich over zijn werkzaamheden en inkomsten daaruit beroepen op zijn zwijgrecht. Bij de rechter-commissaris op 5 juli 2013 heeft partner verklaard dat dit inkomsten uit werkzaamheden uit de bouw zouden zijn.

Verdachte heeft verklaard dat zij sinds 2006 als zelfstandige kapperswerkzaamheden verricht, dat dit niet veel omvat en dat zij per maand nog geen duizend euro heeft verdiend, dat zij daarvan geen betere schatting kan maken en dat dit geld is opgegaan aan huishoudelijke uitgaven (Persoonsdossier verdachte blz. 80). Omtrent de werkzaamheden van partner en de inkomsten daaruit heeft verdachte zich op haar zwijgrecht beroepen.

Ter terechtzitting in hoger beroep op 3 mei 2018 heeft verdachte niet veel specifieker verklaard. Zij heeft aangegeven dat partner geld kan hebben verdiend uit een café of met kluswerkzaamheden, maar meer kan zij daarover niet verklaren.

De vader van verdachte heeft zich tijdens een verhoor van zijn dochter in haar woning aan de verbalisanten laten ontvallen “We weten toch allemaal dat naam (hof: partner) niet werkt” (Vervolgdossier, blz. 1443).

Uit een kasopstelling volgt dat partner en verdachte in de periode 1 januari 2007 tot en met 2 juli 2013 aanzienlijk meer contant hebben uitgegeven dan zij (verklaarbaar) aan contante gelden voorhanden hebben gehad (Financieel dossier, blz. 32).

Meer specifiek blijken uit de betreffende kasopstelling de navolgende contante ontvangsten en uitgaven.

Aan contante ontvangsten na casinobezoek is een bedrag verkregen van €68.150 (Financieel dossier, blz. 35 en blz. 222 e.v).

Als ontvangsten zijn eveneens opgenomen contante opnamen van de bankrekeningen van verdachte en partner. In de periode van 16 maart 2007 tot en met 11 mei 2010 is van de rekening van partner een contant bedrag opgenomen van €15.650 (Financieel dossier, blz. 237 e.v.).

In de periode van 1 januari 2007 tot en met 5 maart 2013 is een contant bedrag van €26.500 van de rekening van verdachte opgenomen (Financieel dossier, blz. 258).

In de periode van 5 maart 2013 tot en met 7 juni 2013 is van de rekening van verdachte een contant bedrag van €2.500 opgenomen (Financieel dossier, blz. 261).

In totaal is derhalve door partner en verdachte een contant bedrag opgenomen van €44.650.

Tevens is in de woning van verdachte en/of partner een contant bedrag van €7.180 aangetroffen (Financieel dossier, blz. 36 en blz. 266).

Verdachte en partner hebben derhalve over de onderzoeksperiode een bedrag van in totaal (€44.650 + €7.180 =) €51.830 aan contante gelden beschikbaar gehad.

Aan contante uitgaven blijkt uit het dossier van contante kasstortingen op rekening van partner ten bedrage van €85.055 en €5.800 (Financieel dossier, blz. 237 en 240) en op de rekening van verdachte van €13.572,32 en €2.596,22 (Financieel dossier, blz. 258 en 261). Derhalve in totaal een bedrag van €107.023,54.

Verder blijkt van contante uitgaven voor casinobezoek (€131.310), kosten levensonderhoud (€57.278), reizen (€33.808), diversen (€10.424), Peuter Plaza (€1.340) en lichttoren (€55.100). In totaal derhalve €289.260

In verband met de contante uitgaven voor reizen zijn in het dossier de navolgende facturen van het reisbureau opgenomen welke allen zijn gesteld op naam van verdachte en die telkens als reizigers vermelden verdachte en partner (Financieel dossier, blz. 298 e.v.):

  • voor een 11-daagse vliegreis voor vier personen naar Spanje met vertrek 30 juli 2010, totale reissom €3.548,53 welke in twee delen op 25 juni 2010 en 5 juli 2010 contant is voldaan;
  • voor een 10-daagse vliegreis, voor vier personen naar Aruba met vertrek 29 juli 2012, totale reissom €8.747 welk in twee delen op 13 juli 2012 en 20 juli 2012 contant is voldaan;
  • voor een 8-daagse vliegreis, voor vier personen naar Dubai met vertrek 9 februari 2013, totale reissom: €7.305,64 welke met een contante betaling op 27 december 2012 is voldaan;
  • voor een nieuwe boeking nadat de deelnemers op de betreffende reisdag van voormelde vliegreis hun vlucht hadden gemist werd er direct een nieuwe boeking voor een nieuwe vlucht gemaakt, waarvoor een extra reissom van €3.120,84 in rekening werd gebracht, welke met een contante betaling op 11 februari 2013 is voldaan;
  • voor een 9-daagse vliegreis voor vier personen naar Mexico met vertrek 1 mei 2013, waarvoor op 17 november 2012 een bedrag van €2.000 en op 14 maart 2013 een bedrag van €3.461, derhalve in totaal: €5.461 contant is voldaan;
  • voor een 9-daagse vliegreis voor vier personen naar de Dominicaanse Republiek met vertrek op 7 juli 2013, welke met een contante betaling van €5.625 op 25 juni 2013 is voldaan.

Op de facturen wordt voorts telkens het telefoonnummer telefoonnummer vermeld, welk nummer aan verdachte toebehoort (Financieel dossier, blz. 23).

Omtrent de betaling van deze vliegreizen heeft verdachte zich bij de politie op haar zwijgrecht beroepen (persoonsdossier verdachte, blz. 85). Later heeft zij verklaard dat de reis naar Mexico door haar ouders is betaald. Dit wordt door getuige getuige in haar verhoor bij de RHC bevestigd. Ten aanzien van de overige vakanties heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat deze niet door haar maar door partner zijn voldaan.

De onderbouwde totale contante uitgaven van verdachte en partner hebben bedragen: €396.283,54.
 

Oordeel van het hof

uit enig misdrijf afkomstig

Het hof leidt uit hetgeen hiervoor onder B is opgenomen af dat verdachte en partner gedurende de gehele ten laste gelegde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en een economische eenheid hebben gevormd. In dat opzicht hecht het hof geloof aan hetgeen daaromtrent in de aangiften inkomstenbelasting door verdachte en partner is aangegeven.

De voor het eerst in hoger beroep betrokken stelling dat verdachte en partner gedurende hun relatie langdurig apart van elkaar hebben gewoond en verdachte geheel financieel onafhankelijk van partner en alleen met financiële hulp van haar ouders heeft geleefd, is onvoldoende onderbouwd en vindt zijn weerlegging in de hiervoor bedoelde aangiften inkomstenbelasting.

Het hof betrekt bij dit oordeel dat verdachte noch bij de politie en evenmin ter terechtzitting in eerste aanleg in die zin heeft verklaard, wat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van haar verklaring. Het hof wil wel aannemen dat verdachte en partner voor kortere tijd en meermalen niet bij elkaar hebben gewoond, maar niet is gebleken dat daardoor de economische eenheid tussen hen beiden verbroken is geweest.

In het verband van deze economische eenheid zijn de in de tenlastelegging opgenomen uitgaven gedaan.

Het hof leidt uit hetgeen hiervoor onder B is opgenomen voorts af dat partner meerdere malen met grote geldbedragen op zak is aangehouden en in België strafrechtelijk is veroordeeld.

Verder is gezien dat verdachte een dik pakket contant geld op straat van partner in ontvangst heeft genomen en voorts heeft zij aangifte gedaan van diefstal van haar portemonnee met daarin naar eigen zeggen een groot geldbedrag.

Zelfs indien uitgegaan zou worden van de stelling van verdachte dat zij af en toe financieel werd ondersteund door haar ouders, dat de contante stortingen op haar rekening afkomstig waren van werkzaamheden van haar moeder en dat haar moeder ook de reis naar Mexico zou hebben betaald, dan nog blijkt uit de in het dossier opgenomen kasopstelling dat partner en verdachte in de ten laste gelegde periode veel meer contant hebben uitgegeven dan op basis van de beschikbare contante gelden mogelijk is geweest.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het geen geloof hecht aan de in de aangiften inkomstenbelasting door partner aangegeven (contante) inkomsten uit freelancewerkzaamheden. Hetgeen in die aangiften is opgenomen is op geen enkele wijze onderbouwd zoals bijvoorbeeld door administratieve bescheiden.

Gelet op vorenstaande vaststellingen is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging omschreven uitgaven voor vakanties door verdachte contant zijn voldaan met geld afkomstig uit enig misdrijf.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat daarvoor niet noodzakelijk is dat komt vast te staan dat deze uitgaven geheel met crimineel geld zijn betaald.

Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

wetenschap van het van misdrijf afkomstig zijn

Uit hetgeen hiervoor onder B is opgenomen volgt de betrokkenheid van verdachte bij de uitgaven voor de vakantiereizen. Zij heeft de reizen geboekt en zij heeft de reizen samen met partner en anderen ondernomen. Ook heeft zij een deel van de betaalde kosten retour ontvangen op haar rekening na (gedeeltelijke) annulering van een van de reizen.

De geboekte reizen zijn volgens verdachte allemaal door partner voldaan. Uit de op haar naam gestelde facturen met daarop haar telefoonnummer blijkt ook dat deze contant zijn betaald. Het ging daarbij telkens om forse bedragen (€33.808), die normaliter per bank worden voldaan en die betaald zijn in een relatief korte periode van nog geen drie jaar.

Over de wijze waarop partner aan deze gelden is gekomen heeft verdachte geen concreet antwoord kunnen geven (zij verklaart slechts dat hij geld kan hebben verdiend uit een café of met kluswerkzaamheden), terwijl dit toch voor de hand ligt nu van haar - als lid van de economische eenheid met partner - mag worden verwacht dat zij weet wat de dagelijkse werkzaamheden van partner zijn. Zeker nu uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat zij jarenlang een relatie hebben gehad. Uit de opmerking van de vader van verdachte bij haar verhoor volgt dat verdachte wist dat partner zijn inkomsten in ieder geval niet uit werk verkreeg.

Nu het niet anders kan zijn dat verdachte wetenschap had van de criminele achtergrond van partner heeft zij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het geld waarmee deze reizen werden betaald van enig misdrijf afkomstig was.

Het hof volgt de verdediging niet in de verder niet nader onderbouwde stelling dat verdachte weliswaar op de reisfacturen staat, maar dat dit niet uitsluit dat een ander die reizen heeft geboekt. Voor deze stelling is geen enkele steun in het dossier voorhanden.

medeplegen

Uit hetgeen hiervoor onder D. ten aanzien van de reizen is opgemerkt leidt het hof af dat verdachte in een bewuste en nauwe samenwerking met partner geld heeft omgezet in vakantiereizen, zodat medeplegen van witwassen is bewezen. Er was immers sprake van een economische eenheid en de reizen zijn door haar geboekt, haar naam en telefoonnummer staat op de facturen en zij heeft de reizen samen met partner ondernomen. Tevens heeft zij het retour ontvangen geldbedrag na een (gedeeltelijke) annulering op haar rekening gestort gekregen.

Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging en acht, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.
 

Vrijspraak

Het hof zal verdachte vrijspreken van de overige ten laste gelegde omzettingen.

Het hof heeft daarbij het oog op de navolgende omzettingen:

huishouden/levensonderhoud

Deze uitgaven zijn in het dossier vastgesteld aan de hand van de NIBUD-normen (Financieel dossier, blz. 271 e.v.). Niet blijkt wat deze uitgaven in concreto zijn geweest, wat de betrokkenheid van verdachte daarbij is geweest en waaruit zou moeten worden afgeleid dat zij wetenschap moet hebben gehad van de criminele herkomst van deze uitgaven.

luxe goederen

Uit het dossier blijkt enkel van het aantreffen van een duur horloge in de woning van verdachte en partner (Beslagdossier, blz. 108 e.v.). Verdachte heeft verklaard dat zij dit horloge heeft gekocht voor een paar honderd euro. Die verklaring acht het hof niet onaannemelijk en derhalve kan niet worden bewezen dat het horloge is betaald met geld dat van misdrijf afkomstig was.

verjaardagsfeesten

Uit het dossier (Map B, blz. 784) blijkt enkel dat verdachte heeft gebeld voor de reservering van een kinderfeestje. Meer omvat het dossier niet. Dit is onvoldoende om betrokkenheid of wetenschap in welke vorm dan ook aan te nemen voor wat betreft de criminele oorsprong van de uitgaven.

Gelet op het vorenstaande zal het hof - anders dan de rechtbank – de verdachte vrijspreken van het witwassen van deze uitgaven.
 

Bewezenverklaring

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.
 

Strafoplegging

Taakstraf voor de duur van 80 uur.

De rechtbank heeft verdachte voor het medeplegen van gewoontewitwassen veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft zich achter dit oordeel geschaard.

Het hof heeft verdachte vrijgesproken van betrokkenheid bij een groot aantal ten laste gelegde omzettingshandelingen en van het gewoontewitwassen.

Mede gelet daarop en op de ouderdom van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waarvan ter terechtzitting is gebleken, is het hof van oordeel dat in beginsel kan worden volstaan met een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF