Werkzaamheden gericht op wijziging sepotcode (na einde zaak) voor vergoeding ex art. 591a Sv vatbaar

Gerechtshof Amsterdam 12 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1794

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:

  1. schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering ten bedrage van € 105,00;
  2. kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer ten bedrage van € 744,15;
  3. kosten van de onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van € 830,00.

De rechtbank heeft het onder 1 en 3 gedane verzoek toegewezen en het onder 2 gedane verzoek afgewezen. Het hoger beroep is ingesteld namens verzoekster.

De officier van justitie heeft bij brief van 9 augustus 2015 de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer geseponeerd met sepotcode 02.

De strafzaak is aldus geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Bij brief van 13 januari 2016 heeft de officier van justitie aan appellante bericht dat de sepotcode is gewijzigd in sepotcode 01.
 

Verzoek onder 1

Appellante is op 9 augustus 2015 in verzekering gesteld op verdenking van -kort gezegd- overtreding van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Appellante is diezelfde dag in vrijheid gesteld.

Gelet op de afspraken binnen het LOVS wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend van € 105,00 per dag die in een politiecel is doorgebracht. In artikel 136, eerste lid, Sv is bepaald dat onder een dag wordt verstaan een tijd van vierentwintig uren. Om die reden wordt geen vergoeding toegekend indien de verzekering minder dan vierentwintig uren heeft geduurd. Dit is alleen anders indien de verzekering minder dan 24 uur heeft geduurd maar wel de nacht heeft omvat. In dat laatste geval wordt eenzelfde vergoeding toegekend (vergl. ECLI:NL:GHAMS:2017:590). Dat geval doet zich hier echter niet voor.

Het hof acht in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen geen gronden van billijkheid aanwezig tot toekenning van een vergoeding ter zake van de door appellante ondergane verzekering.
 

Verzoek onder 2

Bij beschikking van de rechtbank is het verzoek van appellante tot het vergoeden van kosten voor rechtsbijstand in verband met haar strafrechtelijke vervolging afgewezen op de grond dat, (kort gezegd) deze kosten zijn gemaakt in de procedure tot wijziging van de sepotcode, welke niet onder de reikwijdte van artikel 591a Sv vallen.

Het hof overweegt hieromtrent dat onder ‘de kosten van een raadsman’ als bedoeld in de eerste volzin van het 591a, tweede lid Sv, zijn te verstaan de kosten van een raadsman die in rechtstreeks verband staan met een strafzaak tegen een gewezen verdachte, welke is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr en dat dit ook kan gelden voor kosten die zijn ontstaan na beëindiging van de strafzaak tegen de gewezen verdachte, voor zover deze met die zaak rechtstreeks samenhangen (HR 20 mei 1986, NJ 1987, 28 en HR 19 februari 2013, NJ 2013, 402).

Het hof stelt vast dat de stukken in het dossier inhouden dat de strafzaak tegen verzoekster is geëindigd op 9 augustus 2015, door eerdergenoemde sepotbeslissing van de officier van justitie. Uit de bij het verzoekschrift overgelegde urenspecificatie blijkt dat de werkzaamheden ter zake waarvan vergoeding wordt verzocht zijn verricht tussen 11 augustus 2015 en 28 oktober 2015. Uit de omschrijving van die werkzaamheden begrijpt het hof dat deze hebben bestaan uit het bestuderen van het dossier, het voeren van besprekingen met verzoekster en het corresponderen met de officier van justitie en met verzoekster. In totaal zijn 2.42 uren aan deze werkzaamheden besteed. De raadsman heeft tijdens de behandeling van het hoger beroep door het hof onweersproken gesteld dat zijn verzoek heeft geleid tot wijziging van de sepotcode.

Het hof is van oordeel dat deze werkzaamheden kunnen worden beschouwd als rechtstreeks samenhangend met de strafzaak en acht deze niet buitensporig. Het hof zal het verzoek onder 2 daarom toewijzen.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat het doen van een verzoek tot wijziging van de sepotcode, als bedoeld in artikel 22 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, niet kan worden beschouwd als een bestuursrechtelijke procedure (ECLI:NL:ABRvS:2008:BC6408).
 

Verzoek onder 3

Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 830,00.
 

Lees hier de volledige uitspraak.
 

Print Friendly and PDF