Nuancering beoordelingskader getuigenverzoeken door rechter-commissaris

Rechtbank Gelderland 14 juni 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3230

Aan de orde is het bezwaar dat door drie verdachten is gemaakt tegen de beschikking van de rechter-commissaris in deze rechtbank van 23 maart 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:1646), voor zover daarbij hun getuigenverzoeken zijn afgewezen. Net als de rechter-commissaris, zal de raadkamer ter waarborging van de onderlinge samenhang, de bezwaarschriften in één beschikking behandelen.
 

Het juridisch kader

De raadkamer verenigt zich in grote lijnen met de analyse van de relevante rechtspraak van de rechter-commissaris. In de onderzoeksfase van een strafzaak dient bij de beoordeling van een op de voet van artikel 182 Sv ingediend verzoek om getuigen te horen, het verdedigingscriterium te worden gehanteerd: een getuige moet worden gehoord tenzij de verdachte door het achterwege blijven daarvan in redelijkheid niet in zijn verdediging wordt geschaad. Dat is in beginsel het geval indien de onderwerpen waarover de voorgedragen getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing, dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die persoon iets over bedoelde onderwerpen zou kunnen verklaren (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496; NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.5). Dat impliceert dat van de verdediging kan worden verlangd dat zij aannemelijk maakt dat de verklaring van een voorgedragen getuige aan deze eisen voldoet en dat zij het verzoek zodanig motiveert dat de rechter in staat is het verzoek aan deze maatstaf te toetsen.

Aan de rechtspraak van het EHRM, aangehaald in de bestreden beschikking van de rechter-commissaris (o.m. EHRM 15 december 2011, nr. 26766/05 & 22228/06 inzake naam 1 vs Verenigd Koninkrijk; EHRM (GC) 15 december 2015, nr. 9154/10 inzake naam 2 vs Duitsland), kan tot op zekere hoogte een juridisch kader worden ontleend voor de beoordeling van getuigenverzoeken, maar daarbij moet in het oog worden gehouden dat het toetsingskader van het EHRM een andere is, namelijk of de procedure voor de nationale rechter “as a whole” fair was en aan de eisen van artikel 6 EVRM voldoet. Dat is een beoordeling achteraf. De vraag of een bepaalde getuigenverklaring moet gelden als “sole or decisive” laat zich in de fase van het voorbereidend onderzoek nauwelijks beantwoorden, alleen al omdat doorgaans niet duidelijk zal zijn wat het onderzoek verder nog zal opleveren in belastende of ontlastende zin.

Uit het arrest naam 2 vs Duitsland kan worden afgeleid dat de justitiële autoriteiten serieuze pogingen moeten doen een (potentiële) getuige te traceren teneinde hem te kunnen ondervragen. Voor zover getuigen zijn gevraagd die vooralsnog geen bekende woon- of verblijfplaats (in Nederland) lijken te hebben, is het onvoldoende te volstaan met een onderzoek in de GBA-bestanden. Het openbaar ministerie zal op basis van aanknopingspunten in het dossier of anderszins ook in het buitenland moeten zoeken.

De rechter-commissaris heeft ten behoeve van de beoordeling van de zeer talrijke getuigenverzoeken in de hem voorgelegde negen strafzaken vijf archetypen getuigen onderscheiden:

- eerste archetype: de met zoveel woorden belastende getuige;

- tweede archetype: de zwijgende getuige;

- derde archetype: de ontlastende getuige;

- vierde archetype: de niet betwiste waarneming;

- vijfde archetype: de getuige om het niet uitgesproken verhaal van verdachte te vertellen.

De verdediging heeft betoogd dat de rechter-commissaris ten onrechte de proceshouding van verdachte heeft betrokken bij zijn afweging, in die zin dat de verdachte, indien hij de hem gemaakte verwijten van de hand wijst dan wel hierover zwijgt, dan eerst maar eens moet vertellen hoe de vork in de steel zit. De proceshouding mag echter nooit onderdeel zijn van de te maken afweging.

Met die laatste opmerking is de raadkamer het als zodanig niet zonder meer eens. Onder omstandigheden kan de proceshouding van verdachte en het feit of hij wel of niet een inhoudelijke verklaring heeft afgelegd, wel degelijk een rol spelen. Dat is echter ten zeerste verweven met de omstandigheden van het geval, waarbij in het oog moet worden gehouden dat de bewijslast ligt bij het openbaar ministerie en dat de verdachte niet gehouden is zijn onschuld te bewijzen.

De rechter-commissaris heeft terecht een onderscheid gemaakt tussen getuigen die reeds een belastende verklaring hebben afgelegd (“witness for the prosecution”, het eerste archetype) en getuigen die geen belastende verklaring hebben afgelegd en getuigen die wellicht juist een ontlastende verklaring kunnen afleggen, bijv. ter ondersteuning van een door de verdediging aangedragen alternatief scenario (“witness for the defence”, derde en vijfde archetype). Ten aanzien van de “witnesses for the defence” kunnen nadere motiveringseisen worden gesteld, zo volgt uit de uitspraken EHRM 14 februari 2008, nr. 66802/01 inzake naam 3 , alsmede recentelijk EHRM 9 mei 2017, 36658/05 inzake naam 4 , waarin is geoordeeld dat het bij dit type getuigen aan de verdediging is te beargumenteren dat de verklaring is “relevant to the subject matter of the accusation and could arguably have strengthened the defence position or even led to the applicant’s acquittal.”

Soms echter laten getuigen zich niet gemakkelijk indelen in één van de door de rechter-commissaris geformuleerde archetypen. Zo is het de vraag of een getuige die geen (belastende) verklaring heeft afgelegd (tegen deze verdachte), om die reden niet van belang kan zijn voor de verdediging.
 

Onderhavige zaak

Toegespitst op de onderhavige zaak, geldt het volgende.

Verdachten worden verdacht van -kort gezegd- betrokkenheid bij een criminele organisatie, althans betrokkenheid bij enkele door deze organisatie gepleegde strafbare feiten. Deze feiten zouden hebben bestaan in onder meer het valselijk opmaken van arbeidsovereenkomsten, werkgeversverklaringen, salarisstroken etc. om die vervolgens te gebruiken bij het afsluiten van huurcontracten en telefoonabonnementen, het aanvragen van verblijfsvergunningen, het verkrijgen van (hypothecaire) geldleningen alsmede oplichting in diverse varianten en tenslotte ook nog hennepteelt.

Diverse door de verdediging verzochte getuigen betreffen personen die al dan niet zouden hebben gewerkt in de door (enkele) verdachten opgezette ondernemingen. Deze ondernemingen worden in het dossier gekenschetst als schijnconstructies: ondernemingen die alleen op papier bestaan maar die in werkelijkheid geen bedrijfsactiviteiten ontplooiden.

De meeste van deze getuigen zijn door de rechter-commissaris afgewezen omdat -kort gezegd- de van de getuige te verkrijgen informatie ook door verdachte zou kunnen worden verstrekt, maar de verdachte zich stelselmatig op zijn zwijgrecht heeft beroepen.

Voor zover de getuigen bij de politie hebben geweigerd een verklaring af te leggen, roept de raadkamer in herinnering dat een getuige niet verplicht is bij de politie een verklaring af te leggen en daartoe dus ook niet kan worden gedwongen, maar wel verplicht is te verschijnen voor de rechter-commissaris en verplicht is aldaar een verklaring (onder ede) af te leggen en daartoe desnoods kan worden gedwongen (vgl. HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017, rov. 3.4.1 (Vidgen II)). Dit kan een rechtvaardiging zijn voor een getuigenverzoek op de voet van artikel 182 Sv.

De raadkamer zal de volgende getuigenverzoeken in deze categorie alsnog toewijzen. Het betreft (in de nummering van de rechter-commissaris):

- 49: getuige 2 (in de zaak tegen verdachte 1)

- 54: getuige 3 (idem)

- 64: getuige 4 (idem)

- 63: getuige 5 (idem)

- 67: getuige 6 (in de zaken tegen verdachte 1 en verdachte 3) en

- 51: getuige 31 (in de zaak tegen verdachte 1)

- 45: getuige 42 ( geboortedatum) (in de zaak tegen verdachte 1)

- 50: getuige 9 (idem) en

- 55: getuige 10 (idem).

Deze getuigen hebben zich bij de politie op hun zwijgrecht beroepen met betrekking tot een eventueel dienstverband bij door verdachten opgezette ondernemingen, welk dienstverband zij in voorkomend geval kennelijk wel hebben opgegeven bij de aanvraag van een uitkering. Verdachten wordt verweten deze ondernemingen als ‘leeg omhulsel’ te hebben misbruikt. Hun verklaring kan van belang zijn voor het vaststellen of de ondernemingen echt waren, dan wel een ‘leeg omhulsel’. Daarmee is het verdedigingsbelang gegeven.

- 62: getuige 12 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze getuige is verzocht omdat zij iets zou kunnen verklaren over naam 5 , die na verdachte 1 bestuurder zou zijn geweest van naam 6 . De suggestie zou zijn dat naam 5 katvanger zou zijn op instigatie van verdachte 1 . Daarnaast wil de verdediging haar ondervragen over de rol van naam 7 , die wel een voor verdachte belastende verklaring heeft afgelegd. In die zin kan niet op voorhand worden gezegd dat de getuige redelijkerwijze niets relevants zou kunnen verklaren.

- 65: getuige 13 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze getuige heeft verklaard wel te hebben gewerkt voor naam 8 , één van de vermeend fictieve ondernemingen. In zoverre zou haar verklaring het standpunt van de verdediging kunnen ondersteunen. De raadsman wijst er echter op dat de getuige ook heeft verklaard dat ze er vaak alleen zat en haar collega’s (waaronder verdachte 1) niet te kennen. Dat roept dan weer vragen op over de legitimiteit van de onderneming. Daarmee heeft de verdediging voldoende belang bij het horen.

- 28: getuige 17 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze getuige heeft verklaard over de verkoop van een onderneming aan verdachte 1 en over de verzending van melkpoederpakketten namens hem, maar getuige ging er van uit dat het allemaal legaal was. Nu de getuige verklaart over ondernemingen die in het strafdossier figureren en daarbij een rol aan verdachte 1 toedicht, zou diens verklaring kunnen dienen voor het bewijs dát verdachte 1 bij een en ander betrokken is. Daarmee is het verdedigingsbelang gegeven.

- 29: getuige 18 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze getuige is afgewezen omdat hij in het geheel geen verklaring heeft afgelegd en het verdedigingsbelang onvoldoende was onderbouwd. Inmiddels is de getuige wel gehoord en heeft hij een belastende verklaring afgelegd over verdachte. Daarmee is het verdedigingsbelang gegeven en zal het verzoek alsnog worden toegewezen.

- 30: getuige 20 (in de zaak tegen verdachte 1). Zij is enige tijd bestuurder geweest van enkele van de betrokken vennootschappen en zou volgens verdachte naam 7 een katvanger zijn geweest, die door verdachte 1 zou zijn geregeld. Daarmee speelt zij een rol in de criminele organisatie en de verdediging heeft er belang bij de belastende verklaring van naam 7 in zoverre te onderzoeken. Daarnaast is nog onvoldoende moeite gedaan om deze getuige te traceren.

- 33: getuige 23 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze persoon is bestuurder geweest van een van de betrokken vennootschappen die verdachte 1 zou hebben gebruikt voor oplichtingspraktijken en zij zou geen personeel hebben gehad. Daarmee is het verdedigingsbelang gegeven.

- 43: getuige 29 (in de zaak tegen verdachte 1): deze persoon is enige tijd bestuurder geweest van een van de betrokken vennootschappen. Medeverdachte naam 7 heeft verklaard dat naam 5 voor verdachte 1 zou hebben gewerkt, o.m. in verband met de hennepteelt. Dat vormt voldoende rechtvaardiging voor het horen van naam 5 in het belang van de verdediging, ook om de belastende verklaring van naam 7 te kunnen toetsen. Daarnaast is nog onvoldoende moeite gedaan om deze getuige te traceren.

- 44: getuige 30 (in de zaken tegen verdachte 1 en verdachte 3). Deze persoon is bestuurder geweest van enkele betrokken vennootschappen. De verdediging wil hem ondervragen over de werknemers verdachte 3 en getuige 8 , de stelling is immers dat het fictieve ondernemingen waren zonder werknemers. Daarmee is het verdedigingsbelang gegeven.

- 48: getuige 32 (in de zaak tegen verdachte 1). Hij zegt loon te hebben ontvangen van de vennootschap naam 9 , maar heeft nooit een contract gehad. Hij kan verklaren over de gang van zaken bij de vermeend fictieve vennootschap en is daarmee relevant voor de strafzaak.

- 58: getuige 34 (in de zaak tegen verdachte 1). getuige 34 heeft verklaard dat hij de bedoeling had naam 10 in te huren als verkoper voor zijn bedrijf dat handelde in gen-producten maar dat die samenwerking nooit van de grond is gekomen. Hij heeft naam 10 nooit in dienst genomen en de onderneming naam 9 kent hij niet. naam 10 heeft verklaard dat hij getuige 34 om een salarisstrook had gevraagd en vervolgens salarisstroken van naam 9 ontving en ook dat getuige 34 hem zou hebben verteld dat hij onder de BV naam 9 werd geplaatst. Daarmee kan getuige 34 van belang zijn ter toetsing van de juistheid van de -potentieel belastende- verklaring van naam 10 .

- 66: getuige 40 (in de zaak tegen verdachte 3). Zij heeft op vrijwel alle vragen over haar arbeidsverleden bij naam 11 geantwoord dat zij het niet weet. Zij heeft kennelijk wel op de loonlijst gestaan van één van de betrokken -fictieve- ondernemingen en kan in zoverre wel een en ander verklaren over de gang van zaken. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 11 is overwogen met betrekking tot bij de politie weigerachtige getuigen, wordt het verzoek toegewezen.

In deze categorie zal worden afgewezen:

- 46: getuige 8 (in de zaken tegen verdachte 1 en verdachte 3).

- 56: getuige 11 (in de zaak tegen verdachte 1).

Deze getuigen hebben verklaard wel degelijk in één van de betrokken (al dan niet fictieve) ondernemingen te hebben gewerkt. In zoverre kan hun verklaring een ondersteuning opleveren van de verdedigingspositie en is het de raadkamer niet duidelijk, bij gebreke van een nadere onderbouwing, welk belang de verdediging heeft bij het aanvullend horen van hen.

- 27: getuige 16 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze getuige heeft niet belastend verklaard tegen verdachte 1 , heeft zelfs gezegd dat hij helemaal niets afweet van de rol van verdachte 1 . De verdediging heeft aangevoerd hem desondanks vragen te willen stellen over diens eigen rol in het crimineel samenwerkingsverband. Als hij daarin geen rol speelt, is dat samenwerkingsverband kennelijk kleiner dan verondersteld hetgeen van belang kan zijn voor de strafmaat. Als zijn rol groter is, kan dat ook gevolgen hebben.

Dit verzoek wordt afgewezen. Niet duidelijk is welk concreet belang de verdediging heeft bij dit verzoek; het heeft erg veel weg van een fishing expedition.

- 31: getuige 21 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze getuige is afgewezen omdat niet duidelijk is of deze persoon eigenlijk wel bestaat en er in ieder geval geen persoonsgegevens van hem bekend zijn. Volgens verdachte naam 7 zou het een pseudoniem zijn. De verdediging heeft onvoldoende aanknopingspunten gegeven om zijn bestaan voldoende aannemelijk te maken om een nader onderzoek naar hem in te stellen.

- 32: getuige 22 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze persoon heeft niet belastend verklaard maar zegt een en ander gehoord te hebben van haar zoon naam 12 . Met de rechter-commissaris is de raadkamer van oordeel dat het verdedigingsbelang voldoende is gediend door het horen van naam 12 ; de verdediging heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt een belang te hebben bij het horen van getuige 22 .

- 34: getuige 24 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze persoon zou contact hebben gehad met verdachte naam 7 over hennephandel. De naam van verdachte 1 is daarbij echter niet genoemd. De verdediging heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij belang heeft bij het horen van deze persoon, waarbij de rechter-commissaris terecht heeft overwogen dat verdachte 1 zich hierover niet heeft willen uitlaten.

- 36: getuige 25 (in de zaak tegen verdachte 1).

- 37: getuige 1 (idem).

- 39: getuige 26 (idem)

- 40: getuige 27 (idem)

- 42: getuige 28 (idem). Zij hebben niet belastend verklaard over verdachte 1 (sommigen zijn in het geheel niet gehoord) en de verdediging heeft geen argumenten genoemd waarom zij toch moeten worden gehoord, anders dan dat dat nodig is ter betwisting van het tenlastegelegde. Dat is onvoldoende.

- 73: getuige 41 (in de zaak tegen verdachte 3)

Deze getuige heeft niet belastend verklaard over verdachte 3 (is in het geheel niet gehoord). De belastingdienst heeft geconstateerd dat een getuige 41 is aangemeld door naam 11 voor de loonheffing. Als zodanig betreft het hier een ontlastende getuige en zal deze door de raadkamer worden afgewezen wegens onvoldoende belang.

De volgende getuigen kunnen worden gezien als belastende getuigen en worden toegewezen.

- 47: getuige 14 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze getuige is betrokken geweest bij de overdracht van één van de betrokken ondernemingen en heeft verklaard over de rol van verdachte 1 en heeft hem herkend op een foto. De rechter-commissaris heeft hem afgewezen omdat de fotoherkenning als zodanig door verdachte niet is betwist. Dat neemt echter niet weg dat de verklaring in die zin belastend kan zijn. Het belang van de verdediging hem te horen gaat echter verder dan slechts die fotoherkenning. Nu deze getuige kan worden beschouwd als een belastende getuige zal de raadkamer het verzoek toewijzen.

- 71: verbalisant getuige 38 (in de zaak tegen verdachte 2)

- 72: verbalisant getuige 39 (idem)

Zij hebben, aan de hand van stemherkenning en analyse, verdachte 2 geïdentificeerd als deelnemer aan enkele afgeluisterde telefoongesprekken. De rechter-commissaris heeft beslist dat het verzoek om hen als getuige te horen over de juistheid van deze identificatie op zijn minst dient te beginnen met de ontkenning van verdachte dat hij aan de bewuste gesprekken heeft deelgenomen. De door de raadsman verwoorde ontkenning is daarvoor onvoldoende, aldus de rechter-commissaris.

Dit oordeel wordt niet gedeeld door de raadkamer. De verdachte heeft het recht om geen verklaring af te leggen. Indien zijn raadsman naar voren brengt dat verdachte ontkent deze gesprekken te hebben gevoerd, moet dat worden aangemerkt als de procespositie van de verdediging en moet dat het uitgangspunt vormen voor de beoordeling van het verzoek. Niet valt uit te sluiten dat deze telefoongesprekken onderdeel van de bewijsvoering zullen vormen en alsdan is relevant of verdachte inderdaad de gespreksdeelnemer was. De raadkamer roept hierbij in herinnering dat de bewijslast voor het gemaakte verwijt bij het openbaar ministerie ligt. De verdediging heeft in beginsel het recht belastend bewijs nader te onderzoeken. Daarmee is het belang van de verdediging gegeven. Het verzoek wordt alsnog toegewezen.

- 26: getuige 15 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze getuige heeft de onderneming naam 9 gekocht van verdachte naam 7 en daarna verkocht aan verdachte 1 . Daarna zouden werknemers met terugwerkende kracht zijn aangemeld. getuige 15 zou dus kunnen verklaren over enige betrokkenheid van verdachte 1 over de gestelde constructie van inactieve vennootschappen en daarmee is het verdedigingsbelang gegeven. Bovendien verklaart de getuige over de rol van verdachte naam 7 , die zelf een belastende verklaring heeft afgelegd en de verdediging stelt de juistheid van die belastende verklaring te willen onderzoeken. Dat kan uiteindelijk de vraag raken, indien naam 7 niet meer zou willen verklaren, of diens verklaring bij de politie desalniettemin bruikbaar is voor het bewijs (als een processuele waarborg ter compensatie van het gebrek aan ondervragingsrecht voor de verdediging, zoals overwogen in het arrest naam 2 vs Duitsland). Dat getuige 15 niet rechtstreeks belastend heeft verklaard over verdachte 1 doet daaraan niet af.

- 52: getuige 33 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze getuige heeft verklaard nooit voor naam 13 te hebben gewerkt en over het opnemen en weer teruggeven van gestort loon. Zijn verklaringen kunnen ten aanzien van feit 1 belastend zijn.

- 59: getuige 35 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze getuige heeft verklaard het bedrijf naam 9 niet te kennen en er niet voor gewerkt te hebben. Nu verdachte op het moment dat getuige 35 daar zou hebben gewerkt enig aandeelhouder van naam 9 was beschouwt de raadkamer hem als een belastende getuige.

- getuige 36 (in de zaak tegen verdachte 1). Deze getuige heeft verklaard loon te hebben gekregen bij naam 14 zonder daar een tegenprestatie voor te hebben geleverd. Dat duidt op de vennootschap naam 14 als ‘leeg omhulsel’. Hij verklaart over betrokkenheid van verdachte 1 daarbij en is als zodanig een belastende getuige. De rechter-commissaris heeft niet expliciet op dit verzoek beslist. De raadkamer beschouwt het verzoek daarmee als afgewezen en zal, om proces-economische redenen, zelf in toewijzende zin beslissen en de zaak niet ‘verwijzen’ naar de rechter-commissaris zoals door de verdediging bepleit.

Gelet op het vorenstaande zal de raadkamer het bezwaarschrift van verdachte 1 en verdachte 2 deels gegrond verklaren, het bezwaarschrift van verdachte 2 gegrond verklaren en bepalen dat de rechter-commissaris alsnog de nader te noemen getuigen zal horen.

Tenslotte merkt de raadkamer nog het volgende op. Bij gelegenheid van de regiebijeenkomst heeft de rechter-commissaris, met instemming van alle partijen, besloten dat toewijzing van een getuigenverzoek in één of meer zaken het gevolg zal hebben dat deze getuige in alle strafzaken, voortvloeiend uit het onderzoek ‘Goud’ wordt gehoord. De raadkamer kan slechts oordelen in de drie strafzaken waarin een bezwaarschrift is ingediend, maar gaat er van uit dat de rechter-commissaris in geval van een afwijkende (toewijzende) beslissing dienovereenkomstig zal handelen zodat de dossiers in alle zaken, voor zover nodig, gelijk zullen blijven.

 

Lees hier de volledige uitspraak.


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF