Werkgever doet vóór aangifte (op advies en met instructies van politie) zelf onderzoek. Niet ontoelaatbaar, geen sprake van vormverzuim.

Rechtbank Limburg 2 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:10657

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit. Hij stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld nu zijn cliënt en een aantal andere verdachten in het onderzoek door werkgever naam werkgever op ontoelaatbare wijze onder druk zijn gezet. Dat gebeurde met medeweten van de politie, aan wie naam werkgever advies had gevraagd. Door dit vooropgezette plan zijn strafvorderlijke waarborgen geschonden en daardoor heeft het onderzoek een valse start gekregen. Dat moet de niet-ontvankelijkheid tot gevolg hebben.

De officier van justitie is het niet met de raadsman eens. Hij vindt wel dat de politie sturend is geweest in het onderzoek door werkgever naam werkgever en dat op die manier strafvorderlijke waarborgen in de knel zijn gekomen, zoals de cautie en het recht om voorafgaand aan het verhoor met een advocaat te spreken. Daarom vindt hij dat de verklaring die de verdachte voor de camera van naam werkgever heeft afgelegd niet tot het bewijs kan dienen in de eigen zaak van de verdachte. Niet-ontvankelijkheid vindt de officier van justitie te ver gaan.

Om dit verweer te kunnen beoordelen, moet eerst onderzocht worden wat de bemoeienis van de politie bij het onderzoek van werkgever naam werkgever is geweest. naam werkgever heeft daarover in zijn aangifte of zijn aanvullende verklaringen niets gezegd en ook overigens blijkt daar niet van uit het proces-verbaal van de politie. naam werkgever heeft er wel iets over gezegd tijdens zijn verhoor door de rechter-commissaris als getuige in de zaak medeverdachte 1. Deze getuigenverklaring maakt op zichzelf geen deel uit van het dossier in de zaak van de verdachte verdachte. Omdat deze verklaring tijdens de behandeling ter terechtzitting, die gelijktijdig plaatsvond in de zaken van de verdachte verdachte en de medeverdachten medeverdachte 1, medeverdachte 2 en medeverdachte 3, is besproken en de raadsman er in zijn verweer ook naar verwijst, zal de politierechter deze informatie wel bij haar beoordeling betrekken.

Naam werkgever heeft in zijn verklaring bij de rechter-commissaris gezegd dat hij in de week vóor de verhoren van zijn werknemers contact heeft gehad met de politie, die hem raad gaf. Hij had toen te horen gekregen dat hij moest zeggen in die verhoren dat de politie betrokken was, dat er grootschalig onderzoek had plaatsgevonden en dat het gesprek zou worden opgenomen. Op de camerabeelden van de verhoren, die zich bij het dossier bevinden, is ook te horen dat dat op die manier tegen de verdachten wordt gezegd. De politierechter vindt niet dat in die verhoren op ontoelaatbare wijze druk wordt uitgeoefend op de verdachte en de andere verhoorden.

Op zichzelf is het niet ongebruikelijk dat iemand die meent slachtoffer te zijn van een strafbaar feit daarnaar zelf onderzoek doet voordat hij naar de politie stapt om aangifte te doen. Daar is ook niets op tegen. Wel moeten de resultaten van een dergelijk onderzoek – maar dat geldt voor ieder bewijsmiddel – worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden waaronder ze tot stand gekomen zijn en zo nodig met behoedzaamheid worden bekeken.

In de onderhavige zaak kan worden vastgesteld dat de politie aan naam werkgever instructies heeft gegeven ten behoeve van zijn onderzoek. Dat is misschien wel wat vreemd, maar de politierechter vindt niet dat dat een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert en dat tot bewijsuitsluiting zou moeten worden besloten, laat staan dat de officier van justitie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Het verweer wordt verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF