Wel/geen motivering (per e-mail verzonden) aanhoudingsverzoek? (Conclusie AG contrair)

Hoge Raad 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:90

De verdachte is bij arrest van 21 april 2017 door het gerechtshof Amsterdam bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde beroep.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2017 houdt in dat de verdachte en diens raadsvrouwe aldaar niet zijn verschenen. Het houdt voorts, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

"De voorzitter deelt mee dat het hof gisteren heeft begrepen dat er een stelbrief van 14 april 2017 bestaat waarin tevens een aanhoudingsverzoek is gedaan. De voorzitter deelt mee dat aan dat verzoek geen nadere gegevens ten grondslag zijn gelegd. De oudste raadsheer deelt mee dat het gaat om een e-mailbericht van de griffie, waarbij een e-mailbericht van de raadsvrouw van 14 april 2017, gericht aan de griffie, is doorgestuurd.

De oudste raadsheer leest bedoeld e-mailbericht voor.

De voorzitter deelt mee dat het hof kennis heeft genomen van voornoemd e-mailbericht, dat het hof op voorhand geen beslissing heeft genomen op het aanhoudingsverzoek, en dat de raadsvrouw vandaag niet is verschenen. (...)

Het hof onderbreekt, bij monde van de voorzitter, het onderzoek voor beraad in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek deelt de oudste raadsheer mee dat de raadsvrouw in haar e-mailbericht te kennen heeft gegeven dat zij de stukken bij mr. Reehuis, de toenmalige raadsvrouw van de verdachte, heeft opgevraagd.

De voorzitter deelt mee dat:

- het hof constateert dat de raadsvrouw van de verdachte op 14 april 2017 een e-mailbericht aan de griffie van dit hof heeft gestuurd waarin zij zich stelt als raadsvrouw en waarin zij tevens - zonder enige motivering - om aanhouding van de behandeling van de zaak heeft verzocht;

- hij van de griffier heeft begrepen dat de raadsvrouw gisteren de griffie heeft gebeld en gevraagd heeft of het hof al een beslissing had genomen op het aanhoudingsverzoek, waarop aan de raadsvrouw namens het hof is meegedeeld dat vandaag een beslissing zou worden genomen op het aanhoudingsverzoek en het aan haar was om wel of niet ter terechtzitting van heden te verschijnen;

- de dagvaarding voor de terechtzitting van heden aan de verdachte in persoon is betekend;

- noch de verdachte noch de raadsvrouw vandaag zijn verschenen om redenen op te geven waarom de behandeling zou moeten worden aangehouden;

- gelet op het aanhoudingsprotocol ervan uit mag worden gegaan dat als een advocaat een zaak overneemt, deze op de dag van de behandeling beschikbaar is.

De voorzitter deelt mee dat gelet op het ontbreken van enige motivering het hof geen aanleiding ziet de zaak vandaag niet te behandelen."


Middel

Het middel klaagt dat het hof het verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de behandeling van de zaak ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de gronden dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend, geen mondelinge bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven en niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich onder meer een e-mailbericht van 14 april 2017 van de raadsvrouwe van de verdachte aan 'Administratie straf (Hof Amsterdam)', inhoudende:

"Onderwerp: stelbrief inzake [verdachte] parketnummer 23-002803-16/1e K

(...)

Tot mij heeft zich gewend [verdachte] met het verzoek hem bij te staan in de procedure bij uw hof.

Hierbij stel ik mij in de zaak van [verdachte]. Ik heb mevrouw Reehuis inmiddels ook een e-mail gestuurd waarin ik haar vraag om het dossier over te nemen.

Ik verzoek voorts uitstel voor de behandeling ter zitting op 21 april 2017."

Het Hof heeft het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak afgewezen en daartoe overwogen dat de raadsvrouwe van de verdachte voorafgaande aan de terechtzitting zonder enige motivering dat verzoek heeft gedaan, terwijl de verdachte noch diens raadsvrouwe ter terechtzitting zijn verschenen om redenen op te geven voor aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Daarin ligt als oordeel van het Hof besloten dat door of namens de verdachte niet is vermeld waarop het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak steunt, zodat het verzoek moet worden afgewezen. Dat oordeel is - ook in het licht van de inhoud van het hiervoor weergegeven e-mailbericht - niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Conclusie AG (contrair)

In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek om aanhouding de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Indien zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.

Uit de mailwisseling blijkt dat de raadsvrouw op 20 april 2017 op verzoek van de griffiemedewerker een e-mail heeft verzonden aan de griffie van het hof waarin zij het boven aangehaalde e-mailbericht van 14 april 2017 doorstuurt aan de griffie. Het is deze mailwisseling die de oudste raadsheer kennelijk bedoelt.

Het hof heeft aan de afwijzing van het door de raadsvrouw gedane verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegd dat dit verzoek niet is gemotiveerd. Het lijkt mij dat de daags voor de zitting opnieuw aan de griffie van het hof verzonden e-mail waarin de raadsvrouw aanhouding van de behandeling verzoekt en meedeelt dat zij de stukken bij de voormalige raadsvrouw van de verdachte heeft (naar ik begrijp, zoals het hof het ook heeft begrepen:) opgevraagd, bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat zij om aanhouding verzoekt omdat zij nog geen stukken heeft ontvangen. Het oordeel van het hof acht ik dan ook zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

Ik merk nog op dat het feit dat een aanhoudingsverzoek niet is gemotiveerd, een factor is die betrokken kan worden bij de belangenafweging die van de rechter wordt verwacht, maar geen grond oplevert om – zoals het hof in deze zaak heeft gedaan – die belangenafweging geheel achterwege te laten. Mocht het zo zijn dat het hof behoefte had aan een nadere toelichting op het verzoek, dan had het hof, alvorens op het verzoek te beslissen, de raadsvrouw gelegenheid kunnen bieden om die toelichting alsnog – telefonisch – te geven.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^