Weigering verstrekken medische gegevens na dood baby met een beroep op het medisch beroepsgeheim en hun verschoningsrecht. Raadkamer: waarheidsvinding prevaleert hier boven verschoningsrecht.

Rechtbank Overijssel 7 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3393

Door de rechter-commissaris is, op vordering van de officier van justitie, op 7 maart 2016 een machtiging tot het vorderen van de hierna te noemen gevoelige gegevens (artikel 126nf/126uf Sv) verleend, welke gegevens berusten bij het klaagster. 

  • alle gegevens verkregen via MRI/CT/röntgen en/of andere opgemaakte beelden betreffende slachtoffer, geboren op geboortedag 2015 (hierna te noemen; het slachtoffer);
  • alle gegevens verkregen via laboratoriumonderzoek betreffende het slachtoffer;
  • alle gegevens verkregen via het spijtserum met betrekking tot het slachtoffer;
  • rapportages van verpleegkundigen over een eerdere opnameperiode (datum 1 2015 tot en met datum 2 2015) van het slachtoffer;
  • interne memo’s of ander berichtenverkeer over een eerdere opnameperiode (datum 1 2015 tot en met datum 2 2015) van het slachtoffer;
  • fysiotherapeutische dossiers en behandelplannen van het slachtoffer;
  • het psychologisch dossier van de vader van het slachtoffer, vader;
  • het psychologisch dossier van de moeder van het slachtoffer, moeder;
  • alle overige beschikbare medische dossiers betreffende het slachtoffer;
  • alle overige beschikbare uitwisseling van informatie tussen betrokkenen van het klaagster en de ouders van het slachtoffer.

Het klaagschrift is ingediend namens klaagster onder wie het beslag is gelegd, door mr. P. Dalhuisen, ziekenhuisjurist.

De standpunten van klaagster, de belanghebbende met diens raadsman en de officier van justitie

Klaagster maakt bezwaar tegen de inbeslagneming. Namens klaagster heeft mr. Dalhuisen ter zitting het daartoe ingediende klaagschrift toegelicht.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid geeft hij, zakelijk weergegeven, aan dat de Raad van Bestuur, als rechthebbende van de gevorderde stukken, een afgeleid verschoningsrecht heeft en dat de Raad van Bestuur het standpunt van de vakgroep van kinderartsen heeft gevolgd. De vakgroep beroept zich op het medisch beroepsgeheim c.q. het verschoningsrecht.

Ten aanzien van de inhoudelijke onderbouwing van het klaagschrift geeft hij aan dat klaagster zich ervan bewust is dat het verschoningsrecht niet absoluut is en dat in zeer uitzonderlijke gevallen de waarheidsvinding prevaleert, waarbij te gelden heeft dat de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is. In dit verband wordt aangevoerd dat een van de betrokken artsen, na overleg met de beroepsorganisatie KNMG, contact heeft opgenomen met de forensisch arts W.A. Karst van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) en deze arts alle informatie heeft verstrekt die nodig werd geoordeeld voor zijn rapportage, zodat aan de tweede grond genoemd in de vordering van de officier van justitie is voldaan. Klaagster refereert zich aan het oordeel van de raadkamer wat betreft de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de waarheidsvinding moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Met betrekking tot de eerste grond in de vordering – het in staat stellen van het onderzoeksteam om onderzoek te doen naar een eventuele aanleiding, beslissingen of omstandigheden die bijgedragen kunnen hebben aan het overlijden van het slachtoffer – is aangevoerd dat gesteld noch gebleken is dat de gegevens niet op een andere manier zijn te verkrijgen. Verder lijkt de vordering veel te ruim voor die grond, waarmee niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit lijkt te zijn voldaan. Het enkele feit dat de beide ouders toestemming hebben gegeven is een omstandigheid die volgens de jurisprudentie niet zonder meer leidt tot een opheffing van het verschoningsrecht.

Het standpunt van de officier van justitie luidt primair, zakelijk weergegeven, dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klaagschrift, nu het volgens de officier van justitie de beslissing van de Raad van Bestuur is geweest om zich te beroepen op het verschoningsrecht, hetgeen een miskenning is van de geldende jurisprudentie, terwijl uit de stukken niet of onvoldoende is vast te stellen in hoeverre de primair verschoningsgerechtigde leidend is geweest ten aanzien van die beslissing.

Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Door de officier van justitie is daartoe aangevoerd dat de beslissing om het medisch beroepsgeheim niet te doorbreken en gebruik te maken van het (afgeleid) verschoningsrecht onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd is. In het onderhavige geval moet het verschoningsrecht wijken voor de waarheidsvinding. Verstrekking van de gegevens is in overeenstemming met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Door de raadsman van de belanghebbende is aangevoerd dat het belang van de belanghebbende zich niet tegen verstrekking van de gegevens verzet, nu hij en zijn toenmalige partner toestemming hebben gegeven voor vrijgave van de gegevens. Het verschoningsrecht komt toe aan een natuurlijk persoon en moet dan ook worden uitgeoefend door een natuurlijk persoon. De belanghebbende kan zelf ook niet aan de gevraagde gegevens komen, terwijl er wel een verdedigingsbelang bestaat nu belanghebbende er belang bij heeft dat alle gegevens die nodig zijn voor een volledige anamnese van het slachtoffer ook daadwerkelijk ter beschikking komen van het onderzoeksteam.

De ontvankelijkheid

Vooropgesteld wordt dat het verschoningsrecht toekomt aan de beroepsbeoefenaar.

De Raad van Bestuur heeft als rechthebbende van de gevorderde stukken weliswaar een afgeleid verschoningsrecht, maar het oordeel over de vraag of de gevorderde gegevens die behoren tot het medische dossier, object van de afgeleide bevoegdheid tot verschoning uitmaken, komt in beginsel toe aan de persoon van wie het verschoningsrecht is afgeleid. Anders dan de officier van justitie verstaat de raadkamer het door mr. Dalhuisen ter zitting namens klaagster over de ontvankelijkheid aangevoerde aldus, dat de Raad van Bestuur enkel de afweging die op het niveau van de verschoningsgerechtigden is gemaakt, en die heeft geresulteerd in de beslissing een beroep te doen op het verschoningsrecht, heeft gecommuniceerd richting de officier van justitie. De raadkamer is dan ook van oordeel dat het klaagschrift ontvankelijk is.

De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.

Feiten en omstandigheden

Het slachtoffer is op geboortedag 2015 geboren met Tetralogie van Fallot (een aangeboren hartafwijking) waarvoor zij door middel van een shuntoperatie is geopereerd. In de periode van datum 1 2015 tot en met datum 2 2015 is het slachtoffer opgenomen geweest in het klaagster in verband met medische aandoeningen. Op 2 augustus 2015 zijn door de verpleging van het klaagster blauwe plekken op de buik en het voorhoofd bij het slachtoffer geconstateerd, die bij aanvang van de opname niet aanwezig waren. Bij aanvullend onderzoek is vastgesteld dat er bloedingen waren tussen de hersenvliezen. Op 6 augustus 2015 is hiervan door het klaagster melding gemaakt bij Veilig Thuis Twente, waarna de zaak is voorgelegd aan het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (hierna: LECK). In het rapport van het LECK staat dat er geen medische verklaringen zijn gevonden voor de letsels en dat die letsels zeer suggestief zijn voor toegebracht letsel. Hierop is een hulpverleningstraject voor het gezin gestart. Ouders ontkennen geweld naar het slachtoffer te hebben gebruikt. Door de vader van het slachtoffer is – kort samengevat – verklaard dat het ziekenhuis niet adequaat gehandeld heeft en niet de juiste zorg aan het slachtoffer heeft gegeven met betrekking tot de opname in de zomer van 2015. Ook is door hem verklaard dat zij snel blauwe plekken kreeg net zoals haar moeder.

Op 20 februari 2016 kwam er om 17.50 uur bij de Ambulancedienst Twente een melding binnen dat er in de woning aan de adres 2 in woonplaats een baby was met ernstig hoofdletsel. Het slachtoffer is per ambulance overgebracht naar het klaagster, waarna zij om 18.27 uur per spoedtransport is overgebracht naar de Beatrix Kinderkliniek in Groningen, waar zij de volgende dag, 21 februari 2016, is overleden. Het slachtoffer was toen negen maanden oud.

De gemeentelijke lijkschouwer heeft een verklaring van een niet-natuurlijke dood afgegeven. Bij sectie kon geen medische verklaring voor de dood worden gevonden.

Door de vader van het slachtoffer is verklaard dat zowel door hem als door de moeder van het slachtoffer bij het klaagster gewag is gemaakt van het feit dat de gezondheidstoestand van het slachtoffer in de periode voorafgaand aan haar overlijden verslechterde, waarop zij door de kinderarts van het klaagster met het slachtoffer zijn gezien op 10 februari 2016 en vervolgens naar huis zijn gestuurd.

Het Openbaar Ministerie heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar de dood van het slachtoffer waarbij de vader van het slachtoffer is aangemerkt als verdachte. In het kader van dat onderzoek heeft het Openbaar Ministerie van het klaagster gevorderd om de volgende gegevens te verstrekken:

  • alle gegevens verkregen via MRI/CT/röntgen en/of andere opgemaakte beelden betreffende slachtoffer, geboren op geboortedag 2015 (hierna te noemen: het slachtoffer);
  • alle gegevens verkregen via laboratoriumonderzoek betreffende het slachtoffer;
  • alle gegevens verkregen via het spijtserum met betrekking tot het slachtoffer;
  • rapportages van verpleegkundigen over een eerdere opnameperiode datum 1 2015 tot en met datum 2 2015) van het slachtoffer;
  • interne memo’s of ander berichtenverkeer over een eerdere opnameperiode (datum 1 2015 tot en met datum 2 2015) van het slachtoffer;
  • fysiotherapeutische dossiers en behandelplannen van het slachtoffer;
  • het psychologisch dossier van de vader van het slachtoffer, vader;
  • het psychologisch dossier van de moeder van het slachtoffer, moeder;
  • alle overige beschikbare medische dossiers betreffende het slachtoffer;
  • alle overige beschikbare uitwisseling van informatie tussen betrokkenen van het klaagster en de ouders van het slachtoffer.

Door het klaagster is kenbaar gemaakt dat dat verzoek via de officiële kanalen ingediend moest worden. Vervolgens heeft de officier van justitie, na machtiging daartoe van de rechter-commissaris, op grond van artikel 126nf/126uf Sv, voornoemde gegevens gevorderd. Door de ziekenhuisjurist is aan de officier van justitie kenbaar gemaakt dat de betrokken arts(en) na overleg met de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst (KNMG) – ook nadat de ouders van het slachtoffer toestemming hadden verleend voor het verstrekken van voornoemde gegevens aan het Openbaar Ministerie – met een beroep op het medisch beroepsgeheim en hun verschoningsrecht, geweigerd heeft/hebben aan dat verzoek te voldoen. Wel hebben zij zich bereid verklaard om zonder tussenkomst van politie en justitie bepaalde medische gegevens ter inzage te geven aan de forensisch arts van het NFI ter duiding van het letsel, hetgeen ook is gebeurd.

Daarop zijn de gevorderde gegevens door het klaagster in een gesloten envelop aan de rechter-commissaris overhandigd en is tegen de kennisname van de inhoud van die envelop door de officier van justitie door klaagster een klaagschrift ingediend.

Overwegingen

Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van een vordering ex artikel 126nf/nu Sv.

Aan klaagster komt een verschoningsrecht ex artikel 218 Sv toe, dan wel een afgeleid verschoningsrecht.

Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het individuele belang van bescherming van de privacy van de patiënt en het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.

Het verschoningsrecht van onder meer de arts is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel samen te vatten. Bij de beantwoording zal per geval moeten worden gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit, de aard en inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend en de mate waarin de betrokken belangen van de patiënt worden geschaad indien het verschoningrecht wordt doorbroken. Voorts geldt dat indien moet worden geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren, die inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit.

Ter beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn de volgende factoren van belang.

  • In deze zaak is sprake van een verdenking van een zeer ernstig misdrijf, te weten doodslag dan wel zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend met betrekking tot een negen maanden oude baby en zijn er aanwijzingen dat eerder letsel aan het slachtoffer is toegebracht;
  • door de ouders van het slachtoffer is toestemming gegeven tot het verstrekken van de gevorderde gegevens;
  • door de vader is bij de politie verklaard dat door hem en zijn partner zorgen zijn geuit richting het ziekenhuispersoneel met betrekking tot de gezondheidstoestand van het slachtoffer waarop niet adequaat zou zijn gehandeld (in 2015 en op 10 februari 2016), welke verklaring geverifieerd kan worden aan de hand van hetgeen daarover door de desbetreffende arts is gedocumenteerd;
  • gebleken is dat de desbetreffende gegevens niet op een andere wijze verkregen kunnen worden;
  • met uitzondering van de psychologische dossiers van de vader en de moeder van het slachtoffer, zijn de gevorderde gegevens van cruciaal belang voor het aan de dag brengen van de waarheid omtrent de gerezen verdenking.

Met betrekking tot het individuele belang dat door het verschoningrecht wordt gediend merkt de rechtbank op dat zij bij haar afweging een aanzienlijk gewicht heeft toegekend aan de toestemming van de ouders van het slachtoffer/de patiënte, onder wie ook de verdachte in de strafzaak, op grond van welke omstandigheid verondersteld mag worden dat het beroep op het verschoningsrecht niet kan dienen tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de (overleden) patiënt. Met betrekking tot het maatschappelijk belang merkt de rechtbank op dat iedere ouder van een kind waarbij de mogelijkheid van kindermishandeling wordt geconstateerd, wil dat elke denkbare oorzaak of bijdrage aan het gevolg ervan wordt onderzocht en elke mogelijke twijfel over de duiding van het letsel wordt weggenomen. Nu de medische gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen, is de rechtbank van oordeel dat daarmee tevens aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. Met betrekking tot de psychologische dossiers van de vader en de moeder van het slachtoffer merkt de rechtbank echter op dat het daarbij gaat om gegevens die voor de waarheidsvinding c.q. de duiding van het letsel, niet relevant zijn.

Gelet op het bovenstaande is de raadkamer van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het verschoningsrecht.

Met betrekking tot de door de officier van justitie aangevoerde bijzondere omstandigheid dat het klaagster in juli 2015 zelf het beroepsgeheim heeft doorbroken en een melding heeft gedaan bij het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) overweegt de raadkamer ten overvloede dat ten aanzien van een dergelijke melding is voorzien in een wettelijke uitzondering op de geheimhoudingsplicht. De enkele omstandigheid dat een arts een dergelijke melding doet – hetgeen de verplichting meebrengt tot verstrekking aan het AMK van aan hem als arts toevertrouwde gegevens – brengt niet zonder meer mee dat het de arts niet vrijstaat om zich in een procedure als de onderhavige op zijn verschoningsrecht te beroepen.

Conclusie

De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift deels gegrond moet worden verklaard.

De beslissing

De raadkamer verklaart het klaagschrift ongegrond met betrekking tot

  • alle gegevens verkregen via MRI/CT/röntgen en/of andere opgemaakte beelden betreffende slachtoffer, geboren op geboortedag 2015 (hierna te noemen; het slachtoffer);
  • alle gegevens verkregen via laboratoriumonderzoek betreffende het slachtoffer;
  • alle gegevens verkregen via het spijtserum met betrekking tot het slachtoffer;
  • rapportages van verpleegkundigen over een eerdere opnameperiode datum 1 2015 tot en met datum 2 2015) van het slachtoffer;
  • interne memo’s of ander berichtenverkeer over een eerdere opnameperiode (datum 1 2015 tot en met datum 2 2015) van het slachtoffer;
  • fysiotherapeutische dossiers en behandelplannen van het slachtoffer;
  • alle overige beschikbare medische dossiers betreffende het slachtoffer;
  • alle overige beschikbare uitwisseling van informatie tussen betrokkenen van het klaagster en de ouders van het slachtoffer

en gegrond met betrekking tot:

  • het psychologisch dossier van de vader van het slachtoffer, vader en
  • het psychologisch dossier van de moeder van het slachtoffer, moeder

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF