Wanneer is sprake van "door misdrijf verkregen" a.b.i. art. 416 Sr resp. "uit enig misdrijf afkomstig" a.b.i. art. 420bis Sr?

Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:37

 

 

In de nacht van 16 op 17 februari 1987 vond in de galerie van kunsthandelaar betrokkene 3 aan het Vrijthof te Maastricht een inbraak plaats, waarbij negen waardevolle schilderijen werden weggenomen. Het hof heeft aangenomen dat de diefstal door betrokkene 3 zelf is geënsceneerd. Vervolgens zijn de negen schilderwerken – naar ’s hofs vaststelling in opdracht van betrokkene 3 – overgebracht naar de woning van medeverdachte 3 en zijn vrouw in het naburige dorp Walem teneinde de werken aldaar, volgens afspraak, te verbranden. Betrokkene 3 is ter plaatse zelf overgegaan tot het verbranden van het werk van Meindert Hobbema. De overige acht schilderijen hebben medeverdachte 3 en zijn vrouw, in strijd met de gemaakte afspraak, niet verbrand, maar onder zich gehouden. De (voorgewende) diefstal werd indertijd niet opgehelderd. Betrokkene 3 ontving enige tijd nadien een substantiële uitkering van de verzekeraar. betrokkene 3 overleed begin 2007.

Eind 2008 schakelde medeverdachte 3, die de schilderijen op dat moment nog steeds in zijn woning hield, de verdachte en medeverdachte 1 in met de bedoeling hen contact te laten opnemen met de verzekeringsmaatschappij voor het verkrijgen van vindersloon. Medeverdachte 1 en de verdachte benaderden vervolgens betrokkene 1, een privédetective die onderzoek had gedaan naar de inbraak in de galerie van betrokkene 3. Betrokkene 1 heeft de politie geïnformeerd en vervolgens op zijn beurt het bestaande contact in het voorjaar van 2009 overgedragen aan opsporingsambtenaar ‘betrokkene 2’, die zich voordeed als vertegenwoordiger van de verzekeringsmaatschappij. Deze kwam in maart 2009 met de verdachte en haar medeverdachte 1 overeen dat de schilderijen samen met een deskundige in een hotel in Valkenburg zouden kunnen worden bekeken ter verificatie van de authenticiteit. Na afloop van deze ontmoeting werden zowel de verdachte als haar medeverdachten door de politie aangehouden en werden de acht resterende schilderijen in beslag genomen.

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 9 november 2015 de verdachte ter zake van 1. “medeplegen van opzetheling” en “medeplegen van witwassen” en 2. “medeplegen van een poging tot opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken”, veroordeeld tot een geldboete van € 4.000,-, subsidiair vijftig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, volgens de in het arrest nader bepaalde maatstaf. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

Middel

Het eerste middel komt met diverse klachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 1, eerste cumulatief variant a, bewezen verklaarde “medeplegen van opzetheling”, het onder 1, tweede cumulatief eerste variant, bewezen verklaarde “medeplegen van witwassen” alsmede tegen het onder 2 bewezen verklaarde “medeplegen van een poging tot opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken”.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de in de bewezenverklaring onder 1 en 2 genoemde schilderijen "van misdrijf afkomstig waren" omdat de aanwezigheid van de schilderijen bij de verdachte van meet af aan in "direct causaal verband" stond met oplichting van de verzekeringsmaatschappij door [betrokkene 3], en dat daaraan niet af doet dat de verzekeringsfraude - waarmee het Hof kennelijk het oog heeft op voornoemde oplichting van de verzekeringsmaatschappij - eerst is gepleegd (kort) na de overdracht van de schilderijen aan de verdachte en dat slechts de schade-uitkering het product van die verzekeringsfraude is.

's Hofs oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Goederen of voorwerpen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als "door misdrijf verkregen" als bedoeld in art. 416 Sr respectievelijk "uit enig misdrijf afkomstig" als bedoeld in art. 420bis Sr, indien deze zijn verkregen door respectievelijk afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in art. 416 Sr respectievelijk art. 420bis Sr genoemde delictsgedragingen (vgl. met betrekking tot art. 420bis en 420quater Sr HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324).

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF