Vrijspraak witwassen: onderzoekplicht bij inname sieraden en edelmetalen?

Gerechtshof Amsterdam 11 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3873

De verdachte in deze zaak wordt veroordeeld voor het (feitelijk leiding geven aan het) vervalsen van inkoopbonnen door deze op te hogen en het laten opnemen van de valse bonnen in de bedrijfsadministratie.

Vrijspraak volgt voor witwassen. Het hof acht niet bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het verwerven van voorwerpen van criminele herkomst.
 

Feiten

De eenmanszaak met de handelsnaam “eenmanszaak” wordt sinds 1992 gedreven voor rekening en risico van eigenaar eenmanszaak. Het bedrijf is sinds 1997 gevestigd aan adres 2 in Amsterdam.

Verdachte werkte bij eenmanszaak. Op 29 december 2009 wordt de eenmanszaak gestaakt en worden de activiteiten voortgezet in een vennootschap onder firma met de naam v.o.f. De vennoten zijn eigenaar eenmanszaak, zijn echtgenote van eigenaar eenmanszaak, verdachte en diens echtgenote verdachte.

De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de in- en verkoop van edelmetalen, munten en (gebruikte) sieraden.

Er zijn twee vestigingen; naast de eerdergenoemde vestiging aan adres 2 is ook een vestiging geopend aan adres 3 248 te Amsterdam. Daarnaast worden sieraden ook via internet te koop aangeboden. Verdachte beheert het filiaal aan adres 3, waar alleen inkoop van goederen plaatsvindt. Hij is bevoegd om zelfstandig te bepalen welke prijs hij biedt. Hij is de enige die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het aankoopregister als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht inschrijft. De overige drie vennoten werken in het filiaal aan adres 2. Eigenaar eenmanszaak heeft de meeste zeggenschap binnen de vennootschap. Men overlegt bijna alles met hem, hij gaat over het geld en onderhoudt het contact met de boekhouder. De beide echtgenotes verrichten de dagelijkse werkzaamheden in de winkel en met betrekking tot de website.
 

Vrijspraak witwassen (feit 3 en 4)

De onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten houden - naar de kern genomen in - dat verdachte al dan niet tezamen met anderen diverse nader omschreven voorwerpen heeft witgewassen (feit 3) en (feit 4) dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het witwassen van diverse voorwerpen door v.o.f.

De rechtbank heeft overwogen dat de tenlastelegging aldus moet worden uitgelegd dat de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict voor het witwasverwijt vormt en dat de tenlastelegging niet mede omvat eventueel gepleegde fiscale delicten.

De rechtbank overwoog in dat kader:

3.1.3. Het oordeel van de rechtbank

In reactie op het preliminaire verweer heeft de officier van justitie uiteengezet dat - samengevat - de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict vormt waarop de witwasbeschuldiging is gebaseerd. Doordat dit op grote schaal gebeurde, de ingekochte goederen niet individualiseerbaar werden bewaard en de administratie zeer gebrekkig was, heeft vermenging plaatsgevonden waardoor de gehele voorraad is aangetast. De rechtbank overweegt dat het weliswaar het uitgangspunt is bij witwaszaken dat het gronddelict niet hoeft te worden gespecificeerd in de tenlastelegging, maar dat in dit specifieke geval het gronddelict moet worden begrepen zoals door de officier van justitie ter terechtzitting is verwoord. Het onderliggende dossier is ook overeenkomstig het door de officier van justitie ingenomen standpunt ingericht. Van enig onderzoek door het Openbaar Ministerie dat gericht is op eventueel gepleegde fiscale delicten is niet gebleken. (…) Zij (hof: de rechtbank) zal de officier van justitie wel houden aan het kader dat zij ter terechtzitting in haar reactie op het preliminaire verweer heeft geschetst. Dit heeft tot consequentie dat de mogelijkheid van een fiscaal delict als gronddelict bij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen buiten beschouwing wordt gelaten.”

Het hof constateert dat tegen dit oordeel van de rechtbank in appel geen grief is gericht, zodat ook het hof dit als uitgangspunt neemt.
 

Feit 3

Met de rechtbank is het hof is van oordeel – zoals door de advocaat-generaal gevorderd en door de verdediging bepleit – dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
 

Feit 4

Standpunt advocaat-generaal

In de kern wordt de verdachten door de advocaat-generaal verweten dat zij een loopje hebben genomen met de van hen te vergen waakzaamheid en registratieverplichtingen in relatie tot het opkopen van tweedehands juwelen (aldus de advocaat-generaal in zijn requisitoir, op pagina 1). Ten gevolge van dit handelen zijn in de juwelierszaak van de verdachten grote hoeveelheden van misdrijf (diefstal, overval) afkomstige sieraden terechtgekomen. Door hun manier van handelen hebben de verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige goederen inkochten.

De advocaat-generaal komt in zijn requisitoir met betrekking tot feit 4 tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht:

“het in de periode 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 door v.o.f. maken van een gewoonte van het voorhanden hebben van een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten andere edelmetalen en edelstenen, en van het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van v.o.f. bij B.V., terwijl v.o.f. wist dat deze voorwerpen van misdrijf afkomstig waren, aan welke gedraging de verdachte leiding heeft gegeven.”

Ter onderbouwing van deze conclusie wijst de advocaat-generaal in zijn requisitoir onder 32 op door eigenaar eenmanszaak op 8 augustus 2011 bij B.V. aangeboden gouden voorwerpen (vier ringen en een armband) die op basis van inscripties aantoonbaar van misdrijf afkomstig bleken te zijn en waarvan aangifte van inbraak is gedaan op respectievelijk 2 augustus 2011, 4 juli 2011, 1 juli 2011 en 20 juni 2011. Opmerkelijk is, aldus de advocaat-generaal dat deze voorwerpen kort tot zeer kort na de verschillende inbraken door v.o.f. ter omsmelting bij B.V. werden aangeboden. Daarnaast wijst de advocaat-generaal onder 33 op het door v.o.f. op 24 april 2010 aankopen van twee gestolen ringen en een gestolen armband, ingekocht als sloopgoud maar later verkocht aan klant 41, waarna onder 34 onder a. tot en met s. gestolen voorwerpen worden opgesomd die, aldus de advocaat-generaal, in ieder geval zijn witgewassen. De advocaat-generaal merkt in dit verband in zijn requisitoir op (onder 30) dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat men in het juweliersbedrijf bij het inkopen van voorwerpen bedacht moet zijn op het aanbieden van gestolen voorwerpen en maatregelen moest treffen om te voorkomen dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig waren. Deze zorgplichten liggen niet alleen ten grondslag aan de helings- en witwasbepalingen, maar ook aan de registerverplichting van art. 437 Sr, de algemeen gangbare witwastypologieën en de meldingsplichten betreffende ongebruikelijke transacties. Voor een bedrijf als v.o.f. brengen deze zorgplichten mee dat aangekochte goederen deugdelijk moeten worden geregistreerd, dat de identiteit van verkopende partijen goed moet worden vastgelegd, dat bij het aanbieden van bijzondere objecten vragen moeten worden gesteld over de herkomst en dat eventueel wordt gevraagd naar aankoopbewijzen en echtheidscertificaten (bijvoorbeeld bij de aankoop van bijzonder horloges). Binnen v.o.f. zijn evenwel structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Uit deze omstandigheden moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Het voor witwassen door de vof vereiste (voorwaardelijk) opzet kan wettig en overtuigend worden bewezen, aldus de advocaat-generaal.
 

Standpunt verdediging

In zijn pleitaantekeningen stelt verdachte dat de rechtbank ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen van feit 4. Verdachte heeft naar voren gebracht dat door of namens hem vanaf het eerste verhoor is aangegeven dat zijn wijze van handel drijven niet afweek van wat in de branche gebruikelijk was, dat hij zich hield aan de aanwijzingen van de politie op dat punt en dat hij alles deed wat redelijkerwijs in zijn macht lag om de inkoop van gestolen sieraden tegen te gaan. De rechtbank liet in haar vonnis - aldus

Verdachte - na te motiveren dat en waarom de wijze waarop hij zijn handel inrichtte in zodanige mate afweek van de wijze waarop in de branche gebruikelijker wijze gehandeld wordt dat zijn handelwijze als laakbaar bestempeld kan worden en veroordeling van de verdachte dient te volgen. Bij pleidooi wordt door de verdachte(n) ontkend dat er te weinig maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat gestolen sieraden werden ingekocht. Gesteld wordt dat de verdachten zich aan alle voorschriften hebben gehouden die in de branche gebruikelijk zijn. Het is bij deze vorm van handel nu eenmaal onmogelijk om met 100% zekerheid te weten of je te maken hebt met een bonafide of een malafide klant. Dat er af en toe van diefstal afkomstige goederen doorheen glippen is onderdeel van het risico van het vak. Uit onderzoek is ook niet gebleken dat er structureel en op grote schaal van diefstal afkomstige goederen werden ingekocht. Ter onderbouwing hiervan wordt, kort samengevat, aangevoerd dat altijd om een legitimatie werd gevraagd, dat het legitimatienummer en de naam van de verkoper werden genoteerd op de bon, waarna de verkoper op de bon dan nog zijn handtekening diende te zetten, dat het register - zij het rudimentair - wel degelijk werd bijgehouden aan de hand van de bonnen, dat verdachte naar de politie is geweest om te vragen hoe het register in te vullen, dat hij altijd conform deze instructies is blijven werken, dat de verdachten van de politie nimmer te horen hebben gekregen dat het register te summier of te gebrekkig was, dat het verwijt dat er geen vragen worden gesteld de praktijk van alledag miskent, dat het ronduit naïef is te veronderstellen dat een klant die te kwader trouw is niet een standaard gelikt antwoord klaar zou hebben, dat de eis een kopie van de legitimatie te maken bij iedere aankoop nergens is terug te vinden en ook in strijd zou zijn met de regels Wet bescherming persoonsgegevens, en dat het handelen in strijd met artikel 437bis lid 1 Sr hoogstens een overtreding oplevert maar op zich nog geen aanwijzing vormt voor heling c.q. witwassen, waarna geciteerd wordt uit het eerste politieverhoor van verdachte : Als ik zie dat een junk een restant van een sieraad heeft dan geef ik er een paar euro voor, maar als de junk een mooie ring inlevert dan waag ik mij daar niet aan. Misschien komt de eigenaar of is hij gestolen. (…) Ik mag niet discrimineren op uiterlijk daarom is iedereen bij mij welkom. Ik kijk wel naar zijn gedrag. Is hij agressief of druk dan hoef ik hem niet als klant. (…) pag. 11 e.v. van voornoemde pleitaantekeningen). Daarnaast is het verweer gevoerd voor negen van de negentien door de advocaat-generaal specifiek genoemde voorwerpen dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat ze überhaupt van diefstal afkomstig zijn (pag. 22 van die pleitaantekeningen).

Het hof overweegt als volgt.

Het dossier bevat geen bewijs dat de bij de verdachten aangetroffen sieraden afkomstig zijn van door de verdachten zelf begane diefstallen of overvallen. Daarvoor is de enkele omstandigheid dat gestolen voorwerpen bij hen zijn aangetroffen, ontoereikend. Het gaat in deze strafzaak om de vraag of de verdachten van de (particuliere) verkopers voldoende gegevens hebben opgevraagd; hebben zij hen voldoende aan de tand gevoeld over de door die verkopers te koop aangeboden sieraden en hebben zij dit op een juiste wijze geregistreerd, waarbij de vraag opgeworpen kan worden of de omstandigheid dat de verdachten het door hen ingekochte goud voor 90 tot 95% lieten omsmelten mogelijk van belang is voor het antwoord op de hiervoor gestelde vragen in die zin dat dit zou leiden tot een minder vergaande onderzoeks- c.q. registratieplicht. Deze laatste vraag dient naar het oordeel van het hof negatief te worden beantwoord. Immers, wat men doet met aangekochte spullen doet niet af aan de vraag of men op het moment van de aankoop te goeder trouw was. Dat het voor de interne c.q. externe boekhouding hoogstwaarschijnlijk niet uitmaakt, maakt dat niet anders.

Vooropgesteld wordt dat het hof zich geheel kan vinden in de overweging van de rechtbank dat de verdachten werkzaam zijn in een gevoelige branche en dat het algemeen bekend is dat sieraden en edelmetalen doelwitten zijn voor criminelen en dat deze vervolgens verzilverd worden. Van opkopers in deze branche mag inderdaad waakzaamheid worden verwacht. Geconstateerd wordt (echter) dat met betrekking tot (alle) door de advocaat-generaal genoemde specifieke voorwerpen omtrent de wijze van verkrijging, de gang van zaken rond de inkoop, niets bekend is, dat geldt ook voor of en zo ja wat er door de verdachten is gevraagd aan c.q. gezegd is door de verkopers. Derhalve kan (reeds) met betrekking tot die specifieke voorwerpen niet op individuele basis, per afzonderlijke transactie, worden getoetst of de verdachten inderdaad een loopje hebben genomen met de waakzaamheid en registratieverplichtingen en aldus bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige voorwerpen hebben ingekocht.

De advocaat-generaal baseert zijn conclusie dat die door hem in zijn requisitoir genoemde voorwerpen zijn witgewassen op de stelling dat binnen v.o.f. structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd zijn om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Hierdoor aanvaardden de verdachten bewust de aanmerkelijke kans (voorwaardelijk opzet) dat zij gestolen voorwerpen inkochten.

De vraag is echter of op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden - op basis van bewijsmiddelen - en met voorbijgaan aan hetgeen door de verdachten is verklaard deze vergaande conclusies kunnen worden getrokken.

Aan de hand van de inkoopbonnen en de verklaringen die zich in het dossier bevinden kan worden vastgesteld dat de verdachte(n) op de inkoopbonnen (van sieraden) noteerden de datum van inkoop, de naam van de verkoper, het nummer dat op zijn of haar identiteitsbewijs stond, de inkooprijs van het sieraad alsmede een zeer summiere omschrijving van het ingekochte goed (bijv. gekocht gouden horloge Omega, dossier pag. 05 0632, gekocht gouden armband 18ct, dossier pag. 05 0633, gekocht gouden ketting, ringen speld zilveren kettingen, dossier pag. 05 0635) evenwel zonder vermelding van de eventuele bijzonderheden van het sieraad. Ook diende de verkoper zijn handtekening te plaatsen op de inkoopbon. Gedurende een week werd vervolgens het ingekochte goed samen met de inkoopbon in een apart zakje bewaard, waarna de sieraden in de reguliere bedrijfsvoorraad werden opgenomen en los van het bonnetje werden bewaard. Dat de verdachten structureel minimale onderzoekplichten in relatie tot de persoon van de verkoper niet in acht hebben genomen kan - gelet op het voorgaande - dan ook niet worden aangenomen. Evenmin kan gezegd worden dat gegevens met betrekking tot de persoon van de verkoper structureel niet deugdelijk werden vastgelegd.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de verdachten structureel minimale onderzoekplichten met betrekking tot de aangeboden voorwerpen niet in acht hebben genomen, welk verwijt in twee onderdelen uiteenvalt te weten ten eerste het niet, althans onvoldoende vragen naar de herkomst van de voorwerpen en ten tweede het niet deugdelijk vastleggen van bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers. Voor zover de verdachten het verwijt wordt gemaakt - kort samengevat - dat zij aan de (particuliere) verkopers niet hebben gevraagd hoe zij aan de voorwerpen kwamen wordt overwogen dat deze conclusie niet zonder meer uit hun verklaringen kan worden opgemaakt, zie in dit verband het hiervoor opgenomen citaat uit de verklaring van verdachte, alsmede het hierna op te nemen citaat uit de verklaring van eigenaar eenmanszaak. Overigens valt niet aan te nemen dat verkopers die met gestolen spullen komen, verteld zouden hebben hoe de vork (echt) in de steel zat, en rijst de vraag of de verdachte aan de hand van de verzonnen antwoorden zonder meer had moeten begrijpen dat hij werd voorgelogen. Eigenaar eenmanszaak heeft bij de rechter-commissaris (gehoord als getuige en verdachte) op 17 september 2013 onder meer verklaard: “U vraagt mij welke maatregelen ik tot en met 2011 nam om te voorkomen dat ik sieraden inkoop die van misdrijf afkomstig zijn. Ik vroeg aan de verkoper zich te identificeren en ik schreef zijn naam en de nummer van zijn identiteitsbewijs in het registratieboek. Als ik een splinternieuw voorwerp kreeg aangeboden, bijvoorbeeld met een labeltje eraan, stelde ik nadere vragen. Ik kocht geen sieraden van kinderen. Ik hield mij ruimschots aan de voorgeschreven bewaartermijn: ik dacht dat ik ingekochte sieraden een week moest bewaren en na mijn aanhouding hoorde ik dat de bewaartermijn maar drie dagen was. Verder kan ik niet voorkomen dat mij iets wordt verkocht wat gestolen is. Niemand gaat dat toegeven. Als je zoveel jaren klanten ziet langskomen en alle verhalen hoort, merk je dat mensen op allerlei manieren aan sieraden komen: door erfenissen, stukgelopen relaties en wat niet al. Inscripties zeggen dan ook niet zoveel en gaven mij geen reden om vragen te stellen. Ik kan niet aan iemands uiterlijk zien of hij eerlijk is of niet.

In de loop van de tijd heb ik wel een paar cliënten verbannen van wie ik de zaak niet vertrouwde.

Expliciete informatie over de concrete gang van zaken bij het doen van inkopen door de verdachten bevindt zich niet dan wel nauwelijks in het dossier, in elk geval onvoldoende om te kunnen spreken van het structureel in dit opzicht niet voldoen aan onderzoekplichten naar de herkomst van de voorwerpen.

Dit laatste geldt naar het oordeel van het hof ook voor de tweede te beantwoorden vraag, te weten of ervan kan worden uitgegaan dat de verdachten structureel bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers niet hebben vastgelegd waaruit moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Bovendien is in eerste aanleg door de officier van justitie in een brief van 20 december 2011, afstand genomen van eerdere berichtgeving dat er bij de v.o.f. op grote schaal sprake zou zijn van heling. In dit verband wordt (nog) van belang geacht dat (ook) in art. 437 lid 1 onder a Sr deze conclusie niet getrokken wordt. Tenslotte is in het dossier en requisitoir met bewijsmiddelen noch feiten van algemene bekendheid, onderbouwd hoe een gebrekkige registratie van de goederen na aankoop, zou hebben geleid tot het aanbieden en aankopen van (meer) gestolen goederen. Met betrekking tot hetgeen (overigens) nog door de advocaat-generaal is aangevoerd wordt overwogen dat dit evenmin kan leiden tot de vergaande conclusies die de advocaat-generaal daaraan wil verbinden.

Het hof acht niet bewezen dat de verdachten (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het verwerven van voorwerpen van criminele herkomst. Ten overvloede merkt het hof op dat bij die stand van zaken ook heling niet het grondmisdrijf voor een veroordeling voor witwassen (als een ‘eigen misdrijf’) kan vormen.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging

Voorwaardelijke taakstraf van 60 uren met een proeftijd van 2 jaren.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF