Vrijspraak witwassen & Bespreking 359a Sv-verweer (geen redelijke verdenking)

Gerechtshof Amsterdam 9 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4706

Blijkens restinformatie uit het onderzoek 13Montagne zou een persoon, medeverdachte 1, handelen in geld dat geheel of gedeeltelijk afkomstig zou zijn uit enig misdrijf. Op 3 mei 2011 werd besloten onder de naam 13Volterra een onderzoek te starten naar voornoemde medeverdachte 1.

Uit een lopend opsporingsonderzoek jegens (een) andere verdachte(n) kwam op 27 juni 2011 de informatie naar voren dat in de middag rond 16:45 uur vermoedelijk een geldbedrag zou worden afgeleverd in café te Amsterdam. De levering zou vermoedelijk worden gedaan door de inzittenden van een klein model Mercedes, donker van kleur. De inzittenden zouden mogelijk betrokken zijn bij de handel in verdovende middelen (dossierpagina 0001 en overzichtsproces-verbaal 1e raadkamer).

Op 27 juni 2011 worden observatiewerkzaamheden verricht in het kader van een opsporingsonderzoek, onder de naam 13Volterra, naar eerdergenoemde medeverdachte 1. Opsporingsambtenaren verbalisant 1 en 2 zien dat medeverdachte 1 een auto, merk BMW, inparkeert op de Rijswijkstraat te Amsterdam. Om 16:30 uur ziet verbalisant 2 dat een man – de verdachte, zo blijkt later – contact maakt met medeverdachte 1. De verdachte draagt een zwart tasje bij zich.

De verdachte en medeverdachte 1 staan om 16,31 uur voorover gebogen bij de kofferbak van de BMW van medeverdachte 1. Kort daarna, 16.32 uur, stapt de verdachte (als passagier) in een zwarte Mercedes en de Mercedes rijdt weg.

Om 16:44 uur wordt waargenomen dat de Mercedes wordt geparkeerd op adres 2 ter hoogte van perceel nummer. De bestuurder (naar later blijkt: medeverdachte 2) en de verdachte zijn vervolgens om 16.46 uur in café. Om 16:48 wordt geobserveerd dat de verdachte contact heeft met een blanke man (naar later blijkt: medeverdachte 3), en dat zij samen tegen de Mercedes aanleunen. De verdachte heeft het eerder genoemde zwarte tasje in zijn handen. Kort hierop gaan beide mannen weer naar binnen. Omstreeks 17:13 uur worden medeverdachte 2, medeverdachte 3 en de verdachte aangehouden.

In het zwarte tasje van de verdachte wordt in totaal € 10.000 aangetroffen. Daarnaast wordt bij de fouillering van de verdachte een bedrag van € 373 aangetroffen en tijdens de doorzoeking in zijn woning een bedrag van € 2750.

Verdenking

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 27 juni 2011, te Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedragen tot een totaalbedrag van 13.123,- euro, te weten:

  • een geldbedrag van 373,- euro (verdachte 1) en/of
  • een geldbedrag van 4.000,- euro (verdachte 2) en/of
  • een geldbedrag van 6.000,- euro (verdachte 3) en/of
  • een geldbedrag van 2.750,- euro (VB.9.4);

voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovengenoemd(e) voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Redelijk vermoeden van schuld, 359a Sv

Namens de verdachte is door zijn advocaat, Yvonne van der Hut (Knoester & Van der Hut Advocaten)primair bepleit tot bewijsuitsluiting, kort gezegd omdat de verdachte is aangehouden zonder dat sprake was van een daartoe vereist redelijk vermoeden van schuld.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Vooropgesteld zij dat afgeschermde informatie uit een lopend opsporingsonderzoek dat is opgenomen in een proces-verbaal voldoende concreet en specifiek dient te zijn om zonder meer tot een redelijk vermoeden van schuld te kunnen leiden. Daaraan is gelet op de gedetailleerde informatie in de onderhavige zaak voldaan. Vervolgens bleek die informatie onder meer qua voertuig, locatie en tijdstip in de onderhavige zaak overeen te komen met wat de observanten ten aanzien van de verdachte waarnamen.

Het hof is van oordeel dat op grond van deze feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit kon en mocht voortvloeien. De aanhouding is derhalve rechtmatig geweest en voor bewijsuitsluiting is derhalve geen reden. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

De herkomst van de geldbedragen en de beoordeling van het ten laste gelegde

Het hof stelt voorop dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd omtrent de illegale herkomst van de geldbedragen. Wel is in de onderhavige zaak sprake van een vermoeden van witwassen, gelet op de grootte van de bij de verdachte op verschillende plaatsen aangetroffen geldbedragen aan contanten en het beperkte inkomen van de verdachte. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

In dit licht stelt het hof het volgende vast.

De verdachte heeft bij zijn verhoor bij zijn inverzekeringstelling verklaard dat de verdenking van witwassen hem niets zegt en hij het verhaal niet snapt. In de politieverhoren heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen en enkele dagen later wordt de verdachte heengezonden.

De verdachte heeft een transactievoorstel van het Openbaar Ministerie van € 131,23 voorgelegd gekregen, waarmee de verdachte niet akkoord is gegaan, omdat hij heeft gemeend te kunnen aantonen dat het onder hem inbeslaggenomen geld een legale herkomst heeft.

De verdachte heeft op 16 november 2012, in de hoedanigheid van klager, een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Bij het klaagschrift heeft de verdachte een verklaring van zijn broer overgelegd waaruit blijkt dat de verdachte een geldbedrag van € 15.000 van zijn (bij het dienen van het hoger beroep overleden) broer heeft geleend. Deze verklaring is op 22 juni 2012 ondertekend door de broer van de verdachte en afgelegd ten overstaan van notaris, notaris te Paramaribo. De verdachte heeft in zijn klaagschrift aangevoerd dat hij de notariële verklaring pas later heeft moeten doen opmaken, omdat hij vóór zijn aanhouding helemaal geen reden had om aan te tonen dat hij geld van zijn broer had geleend.

De verdachte heeft (reeds) als klager eveneens aangevoerd dat hij het geld heeft geleend om een onderneming op te zetten, gericht op het exporteren van Fernandes frisdrank naar Marokko. Ter onderbouwing hiervan heeft de verdachte, tevens bij het klaagschrift, een brief van naam 1, directeur van bedrijf, overgelegd, alsook een brief van naam 2, klantmanager van de Dienst Werk en Inkomen. Beide brieven geven steun aan verdachtes verklaring.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2015 is de verdachte door het hof gevraagd hoe het geld van zijn broer uiteindelijk bij hem terecht is gekomen. De verdachte heeft een en ander uitgelegd en hierop is in hoger beroep, ten overstaan van de raadsheer-commissaris, getuige als getuige gehoord. Getuige heeft verklaard aan de verdachte in 2011 op verzoek van verdachtes broer een geldbedrag van tussen de € 10.000 en € 15.000 in contanten te hebben gegeven, bij zijn komst naar Nederland. Diens aanwezigheid in Nederland toentertijd wordt ondersteund door de stempels in zijn paspoort. De verklaringen van getuige en de verdachte komen weliswaar niet naadloos met elkaar overeen, maar liggen, mede gelet op het tijdsverloop, wel voldoende in elkaars verlengde.

De vraag die beantwoord moet worden is of de verdachte hiermee het op zich gerechtvaardigde vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig is met een concrete, min of meer verifieerbare en niet reeds op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afdoende heeft bestreden. Naar het oordeel van het hof dient deze vraag - in het licht van hetgeen hiervoor uiteen is gezet - bevestigend te worden beantwoord.

Het had op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om - alvorens de zaak verder te vervolgen - nader onderzoek te verrichten naar aanleiding van verdachtes bewering en zijn onderbouwing daarvan. Ook in witwaszaken blijft immers de bewijslast op het Openbaar Ministerie rusten. Hiervoor stond het Openbaar Ministerie genoeg informatie ter beschikking. Een dergelijk onderzoek is niet verricht, althans het hof heeft daarvan geen resultaten in het dossier aangetroffen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Beslag

Het hof zal de teruggave van de onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedragen gelasten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF