Vrijspraak voor het handelen in merkvervalste kleding, tassen, parfum en schoenen en het deelnemen aan een criminele organisatie

Rechtbank Midden-Nederland 22 oktober 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:5350

Verdenking

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een aantal jaren samen met anderen heeft gehandeld in merkvervalste kleding, tassen, parfum en schoenen en dat hij daar zijn beroep of bedrijf van heeft gemaakt;

feit 2: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke criminele organisatie het oogmerk had op handel in merkvervalste kleding, tassen, parfum en schoenen.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Voor wat betreft feit 1 acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende een periode van 3 maanden merkvervalste goederen heeft doorgevoerd en afgeleverd.

Ten aanzien van feit 2 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en dat hij wist dat deze organisatie tot doel had handel in merkvervalste goederen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van feit 1 bepleit. Artikel 337 staat in titel XXV “Bedrog” van het Wetboek van Strafrecht. Gezien de wetsgeschiedenis richt dit artikel zich op de handelaren in valse goederen. Uit de plaatsing van het woord ‘opzettelijk’ in de delictsomschrijving vloeit voort dat het opzet ook gericht moet zijn op de valsheid, vervalsing of wederrechtelijke vervaardiging.

De raadsvrouw stelt dat verdachte niet heeft afgeleverd in de zin van artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft immers slechts kleding vervoerd. Bij een opdracht kreeg hij geld om een bus te huren en ontving hij een TomTom met al ingevulde adressen.

Verder heeft verdachte ook niet doorgevoerd, aldus de raadsvrouw. Met ‘doorvoeren’ wordt beoogd het in het Nederlandse grondgebied invoeren en (meteen) weer uitvoeren.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake is van deelneming aan een criminele organisatie omdat verdachte geen wetenschap had dat de organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven. Hier dient (ook) vrijspraak te volgen, aldus de raadsvrouw.

Oordeel rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 1: handel in merkvervalste kleding, tassen, parfum en schoenen

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte gedurende 3 maanden in opdracht van medeverdachten kleding heeft gereden van de ene loods naar de andere en naar klanten. Verdachte heeft verklaard dat hij dan geld kreeg om een busje te huren. Hij heeft meerdere malen een bus gehuurd bij [bedrijf] in Alphen aan den Rijn. Hij ontving van de jongens in het magazijn een TomTom, waarin het adres al was ingevoerd en daar moest hij naar toe rijden. Dat was altijd een plek, die een paar straten van het eigenlijke adres af was gelegen. Hij reed alleen in Nederland. Hij is in Zaandam, Woerden, Aalsmeer, Amsterdam en Utrecht geweest. Verdachte wist dat hij kleding vervoerde. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten in het dossier dat verdachte meer deed dan het vervoeren van merkvervalste kleding naar loodsen en naar klanten.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Gelet op de bewijsmiddelen kunnen de handelingen van verdachte worden gekwalificeerd als vervoeren in feitelijke zin en niet als ‘afleveren’ als bedoeld in artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de strekking van dit artikel wordt immers met ‘afleveren’ niet gedoeld op degene die de goederen vervoert of bezorgt, maar op degene die tot aflevering doet vervoeren, de opdrachtgever dus.

Voorts kan er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van ‘doorvoeren’, zoals de officier van justitie heeft beoogd, nu met ‘doorvoeren’ wordt bedoeld ‘het door het Nederlandse grondgebied brengen’. Daarvan is hier geen sprake. Verdachte heeft verklaard de kleding op Nederlandse adressen te hebben bezorgd.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 1 ten laste gelegde.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2: het deelnemen aan een criminele organisatie

De rechtbank acht evenmin bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Verdachte vermoedde blijkens zijn verklaringen wel dat er iets niet klopte, maar daaruit kan de rechtbank onvoldoende het wettig en overtuigende bewijs afleiden dat verdachte wist dat er sprake was van het oogmerk op het plegen van misdrijven.

De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF