Vrijspraak voor bijstandsfraude: Onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte op het uitkeringsadres niet zijn hoofdverblijf had

Gerechtshof Amsterdam 12 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4292

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Volgens de advocaat-generaal had de verdachte niet zijn hoofdverblijf op het opgegeven uitkeringsadres in Amstelveen en zij baseert zich daarbij op de verklaringen van naam 1 t/m 4.

De raadsman heeft namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het adres 2 te Amstelveen. Volgens de raadsman hebben de getuigen onvoldoende zicht gehad op wat zich in huize verdachte afspeelde en kunnen deze niet tot bewijs leiden van het tenlastegelegde. De verdachte ontving post op voornoemd adres en uit de bankafschriften blijkt dat de verdachte veelvuldig pinde in Amstelveen. Daar komt volgens de raadsman bij dat een motief ontbreekt voor het ten onrechte opgeven van een verblijf in Amstelveen, aangezien de verdachte in IJlst een hogere bijstandsuitkering ontving. Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat gedurende de periode dat de verdachte een uitkering had in Amstelveen er meerdere controles voor het recht op bijstand hebben plaatsgevonden en dat de conclusie telkens was dat de verdachte woonachtig was op het adres 2 te Amstelveen.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte had tussen januari en april 2010 zijn verblijf in IJlst. In de periode van 6 april 2010 tot 11 mei 2011 stond hij ingeschreven op het adres 2 te Amstelveen, waar zijn moeder woonde.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij vanaf april 2010 zijn hoofdverblijf ook daadwerkelijk bij zijn moeder in Amstelveen heeft gehad. De door de advocaat-generaal bedoelde getuigenverklaringen zijn niet eenduidig en onvoldoende concreet gedetailleerd. Niet altijd is duidelijk of zij betrekking hebben op de periode voor of na april 2010. Gelet voorts op de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaringen, waaronder zijn toelichting waarom hij in die periode ook vaak in IJlst was, is mogelijk dat bij getuigen de onjuiste indruk is ontstaan dat de verdachte niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres in Amstelveen in de periode 6 april 2010 tot en met 11 mei 2011. Dit is dan ook niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan.

Naar het oordeel van het hof is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF