Vrijspraak vervalsing bouwvergunning

Rechtbank ’s-Hertogenbosch 15 maart 2013, LJN BZ4213

Essentie

De rechtbank is er niet van overtuigd dat verdachte bij het opstellen van de brief, waarin een bouwvergunning werd verleend, wist dat de inhoud van de brief onjuist was.

Feiten

Verdachte wordt beschuldigd van het medeplegen van valsheid in geschrift met een wethouder (medeverdachte). Medeverdachte heeft het initiatief genomen tot het opstellen van een brief, welke verdachte heeft getypt. In deze brief staat - in strijd met de waarheid - dat de gemeente een bouwvergunning heeft verleend aan champignonkwekerij (bedrijf 1).

Standpunt officier van justitie 

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Uit de verklaringen van medeverdachte en verdachte blijkt dat verdachte de brief heeft getypt. Het initiatief voor het opstellen van de brief kwam van medeverdachte. Ook blijkt uit de verklaringen en de brief zelf dat medeverdachte de brief heeft getekend.

Medeverdachte erkent dat hij wist dat de inhoud van de brief niet overeenkomstig de waarheid was. Uit het verhoor van verdachte in combinatie met de verklaring van medeverdachte blijkt dat verdachte wist dat de vergunning nog niet verleend was.

Verdachte geeft onder meer aan waarom er volgens haar nog geen bouwvergunning kon worden verleend. Verder heeft zij verklaard dat de mededeling, dat er een bouwvergunning is afgegeven, niet conform de waarheid was.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat beiden het oogmerk hadden om de brief te doen gebruiken. Verdachte heeft verklaard dat de bedoeling van de brief was om te bewerkstelligen dat het project door zou gaan. Verdachte heeft de brief getypt, medeverdachte heeft hem getekend. Beiden wisten dat de inhoud ervan niet klopte. Naar de mening van de officier van justitie is er voldoende sprake van nauwe en bewuste samenwerking om medeplegen van valsheid in geschrift bewezen te verklaren.

Standpunt verdediging 

De raadsman heeft naar voren gebracht dat voor een bewezenverklaring moet vaststaan dat verdachte wist dat de vergunning niet aan bedrijf 1 verleend was. Wanneer wordt afgeweken van de regelgeving dient een vergunning in eerste instantie te worden geweigerd. Het college van buremeester en wethouders kan echter een afwijkend besluit nemen, wanneer het vindt dat er zwaarwegende argumenten zijn om een ander besluit te nemen. Op een bepaald moment is gebleken dat de vergunning niet ambtelijk verleend kon worden. Medeverdachte wilde echter dat de vergunning zou worden verleend vanwege zwaarwegende argumenten. Als onder deze omstandigheden een wethouder aan een medewerkster van de gemeente zegt dat de vergunning is verleend, mag die medewerkster aannemen dat dat zo is.

Verdachte kon op dat moment niet nagaan of in het college van burgemeester en wethouders was besloten de vergunning te verlenen, omdat de besluitenlijst van de collegevergadering van 17 november 2009 nog niet beschikbaar was. Naar de mening van de raadsman mocht verdachte afgaan op de juistheid van de mededelingen van de wethouder.

Voorts is van nauwe en bewuste samenwerking geen sprake. De wethouder heeft aan verdachte, als ondergeschikt ambtenaar, gedicteerd wat er in de brief moest komen. Verdachte wist niet dat hetgeen de wethouder haar opdroeg niet juist was. Pas door ondertekening wordt de brief vals en daarmee heeft verdachte niets van doen gehad. Zij kan dan ook niet worden veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift en dient derhalve te worden vrijgesproken.

Oordeel rechtbank 

Verdachte heeft verklaard dat zij een aantal dagen voorafgaand aan het opmaken van de brief van 19 november 2009 aan wethouder heeft laten weten dat de bouwvergunning niet via de ambtelijke weg aan bedrijf 1 zou kunnen worden verleend. Ook heeft zij verklaard dat zij wist dat een afwijkend besluit kon worden genomen door het college van burgemeester en wethouders. Op het moment dat medeverdachte haar vroeg om de brief uit te typen, ging zij er naar eigen zeggen vanuit dat de vergunning tijdens de collegevergadering van 17 november 2009 was besproken en verleend.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank er niet van overtuigd dat verdachte bij het opstellen van de brief wist dat de inhoud van de brief onjuist was. Zij wist dat de vergunning niet ambtelijk kon worden verleend, maar dat liet de mogelijkheid tot een ander besluit over de vergunning door het college van burgemeester en wethouders onverlet. De brief is ter beschikking gesteld aan bedrijf 1 op 19 november 2009. Op dat moment was de besluitenlijst van de collegevergadering van 17 november 2009 nog niet beschikbaar. Verdachte kon dus niet controleren of de vergunning was verleend. Medeverdachte heeft verklaard dat hij bij het opmaken van de brief niet heeft gezegd of de vergunning al dan niet verleend was. Verdachte kon op dat moment dus in de veronderstelling verkeren dat mededeling in de brief juist was. Ook overigens blijkt niet uit het dossier dat verdachte op het moment van opmaken van de brief wetenschap heeft gehad van de valsheid van de inhoud ervan.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde valsheid in geschrift.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF