Veroordeling wethouder wegens vervalsing bouwvergunning

Rechtbank ’s-Hertogenbosch 15 maart 2013, LJN BZ4200

Feiten

Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde feit wethouder van ruimtelijke ordening/ontwikkeling. Medeverdachte was werkzaam bij deze gemeente als projectleider vastgoed. Een van haar projecten betrof adres 1, een stuk grond van de gemeente waarop zich agrarische bedrijven konden vestigen.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 18 of 19 november 2009 aan medeverdachte heeft gevraagd om een brief op te stellen. De inhoud van de brief komt overeen met wat hij medeverdachte heeft gevraagd in de brief te zetten.

De brief was gericht aan bedrijf 2, een afzetcoöperatie in de voedingstuinbouw. Champignonkwekerij bedrijf 1 had bij bedrijf 2 een aanvraag ingediend voor subsidie ter financiering van de bouw van een kwekerij op adres 1. Een van de subsidievoorwaarden was dat de gemeente een vergunning had verleend voor de bouw van de kwekerij.

In de brief van 19 november 2009 staat de tekst: "Middels deze brief willen wij u laten weten dat de Gemeente naam een bouwvergunning heeft verleend aan bedrijf voor het oprichten van een champignonkwekerij aan adres 1." De brief is ondertekend door verdachte onder vermelding van zijn functie (wethouder).

Standpunt officier van justitie 

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Uit de verklaringen van medeverdachte en verdachte blijkt dat medeverdachte de brief heeft getypt. Het initiatief voor het opstellen van de brief kwam van verdachte. Ook blijkt uit de verklaringen en de brief zelf dat verdachte de brief heeft getekend.

Verdachte erkent dat hij wist dat de inhoud van de brief niet overeenkomstig de waarheid was. Uit het verhoor van medeverdachte in combinatie met de verklaring van verdachte blijkt dat medeverdachte wist dat de vergunning nog niet verleend was. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat beiden het oogmerk hadden om de brief te doen gebruiken. Verdachte heeft verklaard dat de brief bedoeld was om bedrijf 1 'iets in handen te geven' in verband met de subsidie. medeverdachte heeft de brief getypt, verdachte heeft hem getekend. Beiden wisten dat de inhoud ervan niet klopte. Naar de mening van de officier van justitie is er voldoende sprake van nauwe en bewuste samenwerking om medeplegen van valsheid in geschrift bewezen te verklaren.

Standpunt verdediging 

De raadsman is op verschillende gronden van mening dat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard.

In de eerste plaats was er geen sprake van een oogmerk van misleiding, omdat verdachte ervan uitging dat de vergunning na het opstellen van de brief alsnog binnen twee weken zou worden verleend. Bovendien zou de brief niet in strijd met de waarheid en dus niet valselijk opgesteld zijn, als de vergunning volgens plan zou zijn verleend. Verdachte heeft nooit de intentie gehad om bedrijf 2 of enig ander te misleiden met de brief. Hij heeft de brief ondertekend, omdat hij ervan uitging dat de vergunning aan bedrijf 1 zou worden verleend.

Ook is met het gebruiken of doen gebruiken van de brief geen nadeel ontstaan noch had hierdoor enig nadeel kunnen ontstaan. De brief betrof geen bouwvergunning, waarmee bedrijf 1 subsidie kon aanvragen. De brief voldeed niet aan de vereisten die door de Gemeentewet aan een bouwvergunning worden gesteld.

Daarnaast is de brief geen geschrift dat uit zijn aard bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen. De brief behelst geen besluit in bestuursrechtelijke zin, nu deze afkomstig is van een wethouder en niet van een bestuursorgaan. In bestuursrechtelijke zin noch in het maatschappelijk verkeer levert de brief bewijs op, dat bedrijf 1 toestemming had om te gaan bouwen. Derhalve kon bedrijf 1 met de brief niet bewijzen dat de vergunning was verleend. De raadsman concludeert dat verdachte ook om deze reden dient te worden vrijgesproken.

Oordeel rechtbank 

Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de vergunning niet was verleend toen hij de brief dicteerde en ondertekende. Door deze brief te dicteren en te ondertekenen heeft verdachte dan ook valselijk een brief opgemaakt. Dat hij naar zijn zeggen in de veronderstelling verkeerde dat de vergunning op een later moment wel zou worden verleend, maakt dat niet anders.

Voorts is de rechtbank, anders dan de raadsman heeft betoogd, van oordeel dat de brief van 19 november 2009 bedoeld was om als bewijs te dienen van enig feit, namelijk het bewijs dat de vergunning verleend was. Dat de brief op zichzelf geen bouwvergunning was en ook niet als zodanig mocht worden gezien, doet daar niet aan af. Verdachte heeft een brief geschreven met de bedoeling anderen, in elk geval bedrijf 2, te doen geloven dat de vergunning was verleend en dat dus was voldaan aan een van de subsidievoorwaarden. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat medeverdachte medeverdachte op het moment van opstellen van de brief wist dat de vergunning niet was verleend. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een onvoorwaardelijke werkstraf van 120 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF