Vrijspraak van verduistering nu onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte zonder toestemming heeft gehandeld & de geldbedragen ten gunste van zichzelf heeft gebruikt

Rechtbank Limburg 1 december 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:10394

De verdenking komt erop neer dat verdachte samen met een ander of anderen geldbedragen van benadeelde en/of benadeelde heeft verduisterd.

Standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat het ten laste gelegde wordt bewezenverklaard. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat verdachte geldbedragen van de rekeningen van haar moeder en broer heeft afgehaald, dan wel hier via overboeking zaken voor haarzelf van heeft betaald. Blijkens de verklaringen van aangevers naam en naam hebben zij daarvoor geen toestemming gegeven. Verdachte heeft over deze geldbedragen beschikt en zich derhalve schuldig gemaakt aan wederrechtelijke toe-eigening daarvan.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, wegens het ontbreken van bewijs voor het wederrechtelijk toe-eigenen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte met toestemming van de beide aangevers geldbedragen van hun rekening heeft gepind. Uit de verklaringen van verdachte ter terechtzitting blijkt dat dit geld is besteed ten nutte van de aangevers dan wel dat verdachte deze geldbedragen voor hen in bewaring heeft gehouden, zoals afgesproken. Ook de betalingen voor de aanschaf van de auto, de verbouwingskosten met betrekking tot het bad en de inrichtingskosten, zijn gebeurd op initiatief van- en in samenspraak met- aangevers. Uit de ter terechtzitting afgelegde getuigenverklaring van de verbalisant die de aangiftes heeft opgenomen is duidelijk geworden dat de aangevers niet zelfstandig naar de politie zijn gegaan om deze aangiftes te doen en dat het woord toen voornamelijk is gevoerd door de bij de aangifte aanwezige familieleden van aangevers. Dit geeft kleur aan de aangiftes.

Oordeel van de rechtbank

Aan verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 1 februari 2011 tot en met 31 mei 2014 een geldbedrag van in totaal 39.082,89 euro toebehorende aan haar moeder naam, alsmede een bedrag van in totaal 47.105,30 euro toebehorende aan haar broer naam heeft verduisterd.

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte sinds 2003 door haar moeder en haar broer was gemachtigd om hun financiële zaken te regelen en toegang had tot hun bankrekeningen. Voorts blijkt dat in de periode van 1 februari 2011 tot en met 31 mei 2014 verschillende bedragen van beide rekeningen zijn gepind dan wel zijn overgeboekt naar de rekening van zowel verdachte als haar man, medeverdachte naam, dan wel naar de rekening van het bedrijf van haar man.

Blijkens de aangifte van benadeelde en benadeelde zouden al deze transacties zonder hun toestemming zijn verricht.

De rechtbank stelt vast dat het dossier ten aanzien van het punt dat verdachte geen toestemming had voor deze transacties enkel de verklaringen van de aangevers bevat. Deze aangiftes lijken te zijn afgelegd door benadeelde en benadeelde zelf. Tijdens het getuigenverhoor van beide aangevers, dat is afgenomen door een rechter-commissaris uit het midden van de rechtbank, is echter gebleken dat het, gelet op de hoge leeftijd van benadeelde en de beperkingen van benadeelde zeer moeizaam was om tot een verklaring te komen, waarbij bovendien volstrekt onduidelijk was of beide aangevers alle vragen goed hadden begrepen. Ter terechtzitting bleek uit de verklaringen van de als getuige opgeroepen verbalisant die de aangiftes heeft opgenomen dat beide aangevers bij hun aangifte begeleid werden door familieleden en dat deze familieleden tijdens de aangifte het woord hebben gevoerd.

Hiertegenover staat de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 september 2016, inhoudende dat zij alle transacties heeft uitgevoerd met medeweten en toestemming van haar broer en moeder. Conform afspraak werden er geldbedragen van de rekeningen gepind. Indien nodig werd het geld gebruikt voor uitgaven voor moeder en broer en het overige bleef bewaard in de kluis bij verdachte thuis. Ook de overboekingen in het kader van de aankoop van een auto en de verbouwing hebben met toestemming plaatsgevonden en zijn gebruikt voor de bestemde doeleinden. Deze verklaring vindt steun in het dossier in die zin dat hieruit blijkt dat de aangevers telkens inzage in hun bankafschriften hebben gehad.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte zonder toestemming van beide aangevers heeft gehandeld en de geldbedragen ten gunste van zichzelf heeft gebruikt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het wederrechtelijk toe-eigenen van de ten laste gelegde geldbedragen door verdachte in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF