Vrijspraak van verduistering in dienstbetrekking: niet valt uit te sluiten dat er tussen de aandeelhouders nadere afspraken zijn gemaakt betreffende de kosten die verdachte kon declareren

Rechtbank Gelderland 17 november 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5916

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte als heer en meester heeft beschikt over geldbedragen die aan de bedrijf toebehoorden en zich deze bedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Tussen 1 januari 2015 en 1 november 2015 had verdachte de gelden van de bedrijf onder zich als directeur. In deze periode heeft hij geld onttrokken aan de B.V.. Zo betaalde hij van de zakelijke rekening een opleiding voetverzorging voor zijn vriendin en maakte hij ten laste van de B.V. diverse kosten die niet te plaatsen zijn bij de werkzaamheden van de bedrijf, zoals kosten voor hotelovernachtingen, parkeerplaatsen en verkeersovertredingen. Ter zitting heeft verdachte deze uitgaven en overboekingen verantwoord, maar volgens aangevers waren hier geen afspraken over gemaakt en was de boekhouding bovendien niet compleet. Ook na zijn ontslag op 1 november 2015 bleef verdachte geld van de bedrijf aanwenden voor privédoeleinden. Weliswaar had verdachte een vordering van € 3.000,- op de B.V., maar de bedragen die verdachte heeft onttrokken belopen bij elkaar opgeteld meer dan waar verdachte, als voor de B.V. in loondienst werkende directeur, recht op had.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot het verrichten van 140 uren werkstraf, te vervangen door 70 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Hiertoe is, kort gezegd, aangevoerd dat verdachte als medeaandeelhouder en enig bestuurder als enige bevoegd was tot het doen van financiële transacties namens de bedrijf en hij zich geen geld van de B.V. wederrechtelijk heeft toegeëigend. De door hem gedane uitgaven zijn namelijk verklaarbaar. Ook na zijn formeel ontslag bleef verdachte bevoegd betalingen te verrichten namens de B.V.. Deze bevoegdheid was namelijk gelegen in de opdracht van de aandeelhouders aan verdachte om door te gaan met de exploitatie van de bedrijf.

Beoordeling door de rechtbank

Aandeelhouders naam 1 en naam 2 stellen dat verdachte onverklaarbare uitgaven heeft gedaan waartoe hij niet bevoegd was en dat hij zich deze (gesubsidieerde) geldbedragen dus wederrechtelijk heeft toegeëigend. Zij benoemen onder meer uitgaven voor hotelboekingen, verzekering en wasbeurten van de privéauto, reiskosten, privéparkeerplaats, verkeersovertredingen, boodschappen, opleiding voetverzorging voor zijn partner en diverse bankopnames.

Ten aanzien van de vraag of verdachte zich deze geldbedragen, die hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking als bestuurder van de B.V. onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend, overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen 2011 en 1 november 2015 was verdachte een van de drie aandeelhouders en tevens enig bestuurder van de bedrijf Hij had als enige persoon de beschikking over de rekening en betaalpas van de B.V. In zijn hoedanigheid als enig bestuurder was hij algeheel bevoegd de B.V. te vertegenwoordigen en rechtshandelingen te verrichten namens het bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het verzoek van de aandeelhouders aan verdachte om zijn werkzaamheden ook na zijn ontslag per 1 november 2015 voort te zetten, dat verdachte deze bevoegdheden ook na zijn ontslag nog had. Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid is in beginsel onbeperkt en onvoorwaardelijk, tenzij er nadere afspraken over worden gemaakt. Verdachte heeft zijn feitelijke werkzaamheden voor bedrijf definitief beëindigd na een besluit van de aandeelhouders d.d. 17 februari 2016 (strekkende tot herroeping van het besluit van 4 februari 2016 om de vennootschap te ontbinden en verdachte als vereffenaar aan te wijzen).

Volgens de aandeelhouders zijn er bij het opstarten van de B.V. alleen afspraken gemaakt over het salaris van verdachte.

Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat bij zijn indiensttreding afspraken zijn gemaakt over zijn werkzaamheden en zijn salaris. Uit zijn verklaringen ter zitting volgt dat er volgens hem echter ook regelmatig overleg plaatsvond tussen de drie aandeelhouders en dat er gaandeweg ook nadere afspraken zijn gemaakt over andere vergoedingen, opdat (samengevat weergegeven) verdachte relevante kosten uit hoofde van zijn werkzaamheden voor de bedrijf kon declareren. Dat deze nadere afspraken vervolgens niet schriftelijk zijn vastgelegd, komt de rechtbank niet zonder meer onaannemelijk voor.

Ook kwam het volgens verdachte voor dat wanneer hij lopende de praktijk werd geconfronteerd met kosten die hij maakte voor de bedrijf waarover geen afspraken waren gemaakt, de andere twee aandeelhouders hebben aangegeven dat ‘hij het maar moest regelen”, zonder dat concrete afspraken werden gemaakt. Naar eigen zeggen kreeg hij hierbij aldus een blanco volmacht.

De rechtbank overweegt dat op basis van de in deze procedure voorhanden zijnde bescheiden en gegeven de gemotiveerde betwisting door verdachte niet valt uit te sluiten dat er tussen de aandeelhouders wel degelijk nadere afspraken zijn gemaakt betreffende de kosten die verdachte naast zijn salaris kon declareren, althans dat over dergelijke kosten overleg met de andere twee aandeelhouders heeft plaatsgevonden. Om die reden kan in de onderhavige procedure zonder nadere onderbouwing niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat uitsluitend afspraken golden over het salaris van verdachte en zijn werkzaamheden zoals de aandeelhouders in hun hoedanigheid als aangever respectievelijk getuige verklaren. Niet vast te stellen is dan ook of verdachte het geld van de bedrijf tegen de gemaakte afspraken in heeft beheerd of voor andere doeleinden heeft aangewend.

Daar komt het volgende bij.

Verdachte heeft op niet onaannemelijke wijze verklaard, dat de aandeelhouders aan de voorgaande jaarrekeningen hun goedkeuring hebben verbonden, terwijl hij in die jaren op de zelfde wijze relevante kosten heeft gedeclareerd en in de resultaten heeft verwerkt. Voorts kan gelet op hetgeen hierover door verdachte is gezegd niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat hij de boekhouding aan de aandeelhouders heeft onthouden. Naar onbestreden is gebleven, hadden de aandeelhouders kennelijk zelf ook toegang tot de digitale boekhouding (Unit4) en stond het hen vrij de accountant te vragen naar de fysieke boekhouding. Volgens verdachte was de boekhouding steeds compleet en up to date en voor de andere aandeelhouders opvraagbaar. Dat zij van die mogelijkheden geen gebruik hebben gemaakt, betekent niet dat verdachte hen informatie heeft onthouden.

Verdachte heeft ten aanzien van de door de aandeelhouders als onverklaarbaar aangemerkte uitgaven ter zitting een uitgebreide verklaring afgelegd, die de rechtbank op voorhand niet onaannemelijk voor komt.

Verdachte heeft bijvoorbeeld aangegeven dat hij menigmaal (in 2013, 2014 maar vooral 2015) zijn salaris niet kon laten uitkeren bij gebrek aan voldoende liquide middelen. Om dit te compenseren heeft hij door diverse nabetalingen en kasopnames alsnog zijn salaris aangevuld. Door middel van een computerprogramma werd bijgehouden of hij te weinig dan wel teveel salaris uitgekeerd had gekregen. Dat hij hierover geen openheid van zaken heeft gegeven, zoals aangever verklaart, kan gelet op hetgeen verdachte hierover ter zitting heeft verklaard, niet worden vastgesteld. Evenmin kan zonder nadere toelichting uit de handelwijze van verdachte worden afgeleid dat hij zich meer aan salaris heeft uitgekeerd dan waarop hij recht heeft gehad, gegeven het grootboekoverzicht dat hij in het geding heeft gebracht.

Voorts heeft verdachte ten aanzien van de evidente privéuitgaven aan een opleidingsinstituut voor voetverzorging ten behoeve van de opleiding van zijn vriendin verklaard dat hij deze kosten van de zakelijke rekening heeft betaald, in de wetenschap dat hij een vordering van € 3.000,- had op bedrijf en deze opleiding vanwege die vordering in termijnen kon worden betaald. Deze kosten zijn door verdachte geboekt in de rekening-courant verhouding. De rechtbank stelt vast dat verdachte weliswaar nog andere privéuitgaven heeft gedaan van de zakelijke rekening, zoals de kosten voor een hotelovernachting, maar dat deze kosten door hem (uiteindelijk) eveneens in de rekening-courant verhouding werden geboekt, zodat bedrijf in feite een vordering op verdachte had. Nu verdachte daarnaast ter zitting ten aanzien van de overige door de aandeelhouders als onverklaarbaar aangemerkte uitgaven (voor de verzekering en wasbeurten van zijn privéauto, benzine, een parkeerplaats, verkeersovertredingen, boodschappen en bankopnames) een niet op voorhand onaannemelijke verklaring heeft afgelegd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat dit zakelijke declarabele kosten waren.

Daarnaast heeft verdachte verklaard dat voormelde fysieke boekhouding, met daarin onder meer de bonnetjes die vorenbedoelde geboekte kosten verantwoorden, beschikbaar is bij de accountant en daarmee ook inzichtelijk is voor de aandeelhouders.

De rechtbank stelt vast dat deze fysieke boekhouding zich niet in het dossier bevindt, zodat de verklaringen van verdachte in dat verband in de onderhavige procedure niet controleerbaar zijn, maar heeft geen reden op voorhand eraan te twijfelen dat die boekhouding er is.

Er lijkt weliswaar sprake van een op zijn minst gezegd ongebruikelijke boekhouding, waar zakelijke en privé betalingen door elkaar lopen; hiermee kan echter niet overtuigend worden vastgesteld, met name niet door het verantwoorden van allerlei posten in de aanwezige en overgelegde financiële stukken, dat verdachte het opzet had op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van geldbedragen van de bedrijf.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank op grond van de beschikbare gegevens niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de hoedanigheid van algemeen directeur geldbedragen van de bedrijf opzettelijk en wederrechtelijk heeft toegeëigend. Zij zal verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde feit.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF