Vrijspraak medeplegen gewoontewitwassen: Geen bewijs voor niet-legale herkomst van aankopen in de tenlastegelegde periode door de ex-echtgenoot van de verdachte

Rechtbank Limburg 29 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:3297

De officier van justitie is van mening dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is. De verdachte heeft sinds 2000 geen eigen inkomen gehad en geleefd van de inkomsten van haar toenmalige echtgenoot, zijnde medeverdachte. Volgens de officier van justitie is er geen aannemelijke verklaring gegeven voor het vermogen destijds van medeverdachte . De verdachte had na de aanhouding in 2002 van medeverdachte redelijkerwijs kunnen vermoeden dat hij zich bezig hield met criminele activiteiten. Van haar mocht om die reden worden verlangd dat zij alert was op de herkomst van het vermogen van medeverdachte . Zij heeft echter nooit vragen gesteld en heeft dus tezamen met medeverdachte vermogen verworven en voorhanden gehad (in de vorm van de woning te plaats 1 en de spaarbrieven), waarvan zij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit uit misdrijf afkomstig was. Van de woning te plaats 2 en de sieraden heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevorderd.
 

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vrijspraak van de verdachte bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet vaststaat dat de tenlastegelegde goederen van misdrijf afkomstig zijn en dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat zo was. De verdachte en medeverdachte zijn in november 2006 uit elkaar gegaan. De verdachte heeft nooit het vermoeden gehad dat medeverdachte gedurende hun huwelijk of daarvóór middels strafbare gedragingen aan zijn geld is gekomen. Zij verkeerde in de veronderstelling dat medeverdachte zijn geld had verdiend met zijn elektronicazaak, de onroerend goed markt, de verkoopwinst van verkregen woningen en de opbrengst van de verkoop van de zaak van de verdachte. Over zijn aanhouding in 2002 heeft medeverdachte tegen de verdachte gezegd dat dit op een misverstand berustte, hetgeen bevestigd werd door de schadevergoeding die hij ontving wegens ten onrechte ondergane hechtenis.
 

Het oordeel van de rechtbank

Onderhavige zaak maakt deel uit van het grootschalig onderzoek ‘Wolf/Beretta’, waarin het Openbaar Ministerie een aantal verdachten verwijt dat zij op enigerlei wijze in georganiseerd verband betrokken zijn geweest bij de import in Nederland van verdovende middelen en/of de handel daarin. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de rechtbank bij vonnis van heden medeverdachte, zijnde de ex-echtgenoot van de verdachte, veroordeeld ter zake van (onder andere) het op grote schaal overtreden van de Opiumwet. De rechtbank heeft bewezen geacht dat medeverdachte in de periode van 1 april 2012 tot en met 1 oktober 2013 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en dat hij zich tevens in diezelfde periode heeft schuldig gemaakt aan het plegen van gewoontewitwassen.

Niet is komen vast te staan dat medeverdachte zich vóór 1 april 2012 heeft schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. Van aankopen door medeverdachte vóór april 2012 kan daarom niet worden vastgesteld dat deze – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig waren. Dit brengt met zich mee dat er evenmin voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich samen met medeverdachte – in de aan haar tenlastegelegde periode van 1 januari 2000 tot en met 4 juli 2011 – heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het aan haar ten laste gelegde.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF