Vrijspraak directeur zorgbureau van zorgfraude

Rechtbank Den Haag 15 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:15230

De rechtbank heeft de vraag te beantwoorden of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die het plegen van misdrijven als oogmerk had, of zij tezamen met anderen CZ Zorgkantoren heeft opgelicht, van CZ ontvangen bedragen heeft verduisterd, dan wel een valse bedrijfsadministratie heeft gevoerd (feit 1), of zorgroosters valselijk heeft opgemaakt (feit 2) en of zij een valse bestuursverklaring heeft opgemaakt (feit 3).

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat vervolging op basis van artikel 225, eerste lid, Sr onder de omstandigheden van dit geval, in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde. De verdediging heeft daartoe onder verwijzing naar een arrest van het Hof Den Bosch van 12 september 2006 (ECLI:NL:2006:AY8252) en een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2013 (ECLI:NL:2013:bz1739) aangevoerd dat de verdachte onder feit 1 verweten strafbare gedragingen onder de bepalingen van artikel 69 Algemene wet inzake Rijksbelasting te brengen zijn en daarmee ook onder de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR.

De beoordeling van het verweer door de rechtbank

Ingevolge het bepaalde in artikel 69, vierde lid AWR is strafvervolging op grond van artikel 225 tweede lid Sr uitgesloten indien het feit waarvoor de verdachte wordt vervolgd tevens onder een van de bepalingen van het eerste of tweede lid van artikel 69 AWR valt.

De verdachte verweten gedraging in onderhavige strafzaak is echter gestoeld op het eerste lid van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Noch uit de wettekst, noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze buiten-toepassing-verklaring ook ter zake het eerste lid van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht geldt dan wel is beoogd. De stelling van de verdediging dat vervolging op basis van artikel 225 eerste lid Sr in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, vindt dan ook geen steun in het recht. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen en de rechtbank acht de officieren van justitie ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 1.

Integrale vrijspraak feiten 1, 2 en 3

Zorg in Natura

Verdachte is in dit onderzoek naar voren gekomen in verband met haar betrokkenheid bij de onderneming medeverdachte bedrijf 1 (waarover hieronder meer), die zich bezig hield met de bemiddeling in het kader van zorgverlening. De zorg die via de bemiddeling van medeverdachte bedrijf 1 werd verleend bestond, voor zover van belang in deze zaak, uit Zorg In Natura (ZIN), die werd gefinancierd via de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Om deze zorg te krijgen heeft een persoon een indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) nodig. Dit is een besluit waarin staat welke zorg iemand nodig heeft en op hoeveel uren zorg men recht heeft. De uitvoering van deze zorg geschiedt vervolgens onder verantwoordelijkheid van regionale zorgkantoren, in de regio Haaglanden (waar het in deze zaak om draait) is dit CZ-Zorgkantoor (hierna: CZ). Zorgkantoren maken jaarlijks productieafspraken met zorgaanbieders over prijs en volume van AWBZ-zorg, lopende het jaar worden deze afspraken bijgesteld aan de hand van gerealiseerde productie en na afloop van het jaar vindt een nacalculatie plaats.

Medeverdachte bedrijf 1

Medeverdachte bedrijf 1 en medeverdachte bedrijf 2 zijn gevestigd in Nijmegen en zijn actief als aanbieder van thuiszorg. Verdachte en medeverdachte 6 zijn bestuurders van medeverdachte bedrijf 1. Verdachte is enig (middellijk) aandeelhouder en (middellijk) bestuurder van medeverdachte bedrijf 2. Medeverdachte 6 is in loondienst bij medeverdachte bedrijf 2 (hierna aangeduid als: medeverdachte bedrijf 1).

Medeverdachte bedrijf 1 heeft in 2010, 2011 en 2012 productieafspraken gemaakt met CZ voor de regio Haaglanden. In dat kader heeft medeverdachte bedrijf 1 in de periode 2010 tot en met 2012 jaarlijks een Bestuursverklaring ingediend bij CZ, alsmede jaarlijkse productieafspraken en/of budgetafspraken met productiecijfers, budgetformulieren en herschikkingen daarvan ingeleverd, ten behoeve van de bevoorschotting en nacalculatie.

Medeverdachte bedrijf 1 heeft tot en met 2011 in Excelbestanden die door CZ werden verstuurd ingevuld wat de verleende zorguren waren. Vanaf 2012 werden door medeverdachte bedrijf 1 de verleende zorguren gemeld middels een zogenaamd AW319 bestand. Getuige 1, medewerkster van medeverdachte bedrijf 1, heeft verklaard dat deze bestanden werden gevuld aan de hand van de gewerkte uren van de zorgverleners en dat aan de hand van deze bestanden door het zorgkantoor werd gebudgetteerd. Voor door medeverdachte bedrijf 1 geleverde zorg in Nijmegen controleerde zij dit aan de hand van urenbriefjes van de zorgverleners. Voor ‘Den Haag’ (de rechtbank begrijpt medeverdachte bedrijf 3, eigendom van medeverdachte 3 en medeverdachte bedrijf 4, eigendom van medeverdachte 4), had zij lijsten die zij per maand uitdraaide en dan getekend door de cliënt terugkreeg.

Samenwerking medeverdachte bedrijf 1 met medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4

Medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 hadden zelf als zorgaanbieders geen contract met een zorgkantoor. Medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 zijn in 2010 gaan samenwerken met medeverdachte bedrijf 1, dat wel een contract had met CZ. Medeverdachte 3 heeft op internet gezocht naar een hoofdaannemer met een actieve AGB code (de rechtbank begrijpt: een Algemeen Gegevensbeheercode, waarmee zorgaanbieders kunnen worden herkend en die ‘actief’ is als een zorgaanbieder een contract heeft met een zorgkantoor) en is zo bij medeverdachte bedrijf 1 terecht gekomen. Medeverdachte 3 heeft telefonisch een afspraak gemaakt is vervolgens met medeverdachte 4 naar medeverdachte bedrijf 1 geweest waar zij hebben gesproken met verdachte over de mogelijkheden tot samenwerking en over de uurtarieven die medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 aan medeverdachte bedrijf 1 zouden declareren.

In het dossier bevinden zich samenwerkingsovereenkomsten tussen medeverdachte bedrijf 1 en medeverdachte bedrijf 3 en tussen medeverdachte bedrijf 1 en medeverdachte bedrijf 4. Deze documenten zijn op 5 november 2010 getekend door verdachte, respectievelijk op 1 november 2010 getekend door verdachte en S. Medeverdachte 5 (de rechtbank begrijpt: medeverdachte 4). De overeenkomsten betreffen de periode van 1 november 2010 tot en met 31 oktober 2011. Daarin is onder meer vermeld dat partijen na een succesvolle samenwerking na 31 oktober 2011 de samenwerking mogelijk middels een franchiseformule willen continueren

In deze samenwerkingsovereenkomsten is in artikel 4 (Wijze van uitvoering, taakverdeling) onder 3 overeengekomen: medeverdachte bedrijf 3/medeverdachte bedrijf 4 zal medeverdachte bedrijf 1 wekelijks informeren betreffende het verloop van cliënten en het aantal gerealiseerde CIZ- geïndiceerde extramurale zorguren.

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte en medeverdachte 6 hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had op het plegen van misdrijven zal de rechtbank eerst bespreken of er strafbare feiten zijn gepleegd waaraan verdachte en medeverdachte 6 hebben deelgenomen en, zo ja, of dat heeft plaatsgevonden in het kader van een criminele organisatie.

Het informeren van CZ over de samenwerking van medeverdachte bedrijf 1 met medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4

medeverdachte bedrijf 1 heeft CZ geïnformeerd over de samenwerking met medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4. De werkzaamheden zijn vanaf 2010 verricht en medeverdachte bedrijf 1 zag haar omzet aanzienlijk groeien. Dat was ook de reden dat met CZ hogere budgetten werden afgesproken. In een verslag van een overleg van medeverdachte bedrijf 1 met CZ van 1 oktober 2010 heeft medeverdachte 6 namens medeverdachte bedrijf 1 aangegeven dat met medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 een franchiseovereenkomst is gesloten.

In de in beslag genomen bedrijfsadministratie van medeverdachte bedrijf 1 is een Bestuursverklaring 2012 aangetroffen. Deze verklaring is op 26 juli 2011 door verdachte ondertekend. Alle pagina’s zijn voorzien van een watermerk ‘DEFINITIEF’. Getuige 2 van CZ heeft verklaard dat dit stuk door medeverdachte bedrijf 1 bij CZ is ingeleverd tussen 26 juli 2011 en 1 augustus 2011. Het watermerk, het woord ‘DEFINITIEF’ is het watermerk van CZ. Deze bestuursverklaring heeft medeverdachte bedrijf 1 gedownload van de site van CZ. Op pagina 8 van deze bestuursverklaring is te zien dat de onderaannemers medeverdachte bedrijf 4 en medeverdachte bedrijf 3 niet zijn vermeld, terwijl dat wel had moeten gebeuren. De hiervoor genoemde samenwerkingsovereenkomsten tussen medeverdachte bedrijf 1 enerzijds en medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 waren op het moment van inlevering van de Bestuursverklaring 2012 al overeengekomen en er werd conform die overeenkomsten samengewerkt.

De rechtbank stelt vast en is van oordeel dat medeverdachte bedrijf 1 – en daarmee verdachte en medeverdachte 6 – in gebreke zijn gebleven waar het de invulling van pagina 8 van de Bestuursverklaring 2012 betreft. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte daarvan een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Heeft verdachte met het niet vermelden het opzet gehad een vals document op te stellen met het oogmerk dat als echt en onvervalst te gebruiken tegenover CZ en heeft zij het opzet gehad CZ daarmee te bewegen tot de afgifte van een bedrag van ruim 3,1 miljoen euro? De rechtbank is van oordeel dat zulks niet het geval is. Weliswaar was in 2011 en vervolgens ook begin 2012 sprake van samenwerking met medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4, maar het niet vermelden van die samenwerking die ook voor 2012 werd voorzien, leidt in de eerste plaats tot handelen in strijd met de overeenkomst tussen medeverdachte bedrijf 1 en CZ. CZ heeft in mei 2012, toen zij ontdekte dat medeverdachte bedrijf 1 handelde in strijd met de opgave in de Bestuursverklaring 2012 wel door contracteerde, de bevoorschotting met onmiddellijke ingang stopgezet (brief van CZ aan medeverdachte bedrijf 1 van 10 mei 20912).

Weliswaar heeft medeverdachte bedrijf 1 in de jaren 2010 tot en met 2012 jaarlijks stukken ingeleverd bij CZ (productieafspraken en/of budgetafspraken met productiecijfers, budgetformulieren en herschikkingen daarvan) en gaf geen van deze stukken blijk van onderaanneming, dan wel door contractering aan medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4, maar daarvan kan niet zonder meer worden gezegd dat daarmee CZ in strafrechtelijke zin, derhalve wederrechtelijk, is bewogen tot de afgifte van zorgbudgetten. Daarbij is van belang dat de aangevraagde zorg was gebaseerd op - op zichzelf genomen - reële indicatiestellingen. Weliswaar is de zorg vervolgens uitgevoerd op een andere manier dan in de verschillende stukken is vermeld, maar op grond daarvan kan niet worden gesteld, laat staan wettig en overtuigend bewezen, dat medeverdachte bedrijf 2., verdachte en medeverdachte 6 zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting en/of verduistering.

Verschil tussen gedeclareerde uren en verleende zorg

De FIOD heeft bij een aantal cliënten van medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 onderzocht of er verschil is geweest tussen het aantal bij medeverdachte bedrijf 1 gedeclareerde uren en het aantal daadwerkelijke uren geleverde zorg door medeverdachte bedrijf 3. De rechtbank heeft bij uitspraken van heden in de zaken van onder meer medeverdachte 3 en medeverdachte 4 wettig en overtuigend bewezen verklaard dat aan medeverdachte bedrijf 1 duizenden uren meer dan de daadwerkelijk verleende zorguren in rekening zijn gebracht doordat niet aan medeverdachte bedrijf 1 werd gefactureerd op basis van de daadwerkelijk geleverde zorguren, maar op basis van de (maximale) omvang van de uren die op grond van de indicatiestelling voor zorg beschikbaar waren. CZ heeft op basis van het aantal geïndiceerde uren bedragen aan medeverdachte bedrijf 1 voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is daardoor sprake van valsheid in geschrift en oplichting van CZ. De rechtbank heeft in die zaken tevens geoordeeld dat medeverdachte 3 en medeverdachte 4 hebben deelgenomen aan een criminele organisatie, zij het dat de rechtbank tevens heeft geoordeeld dat zij – tezamen met anderen - ieder deel uitmaakten van een verschillende criminele organisatie.

Ten aanzien van de gemaakte afspraken tussen medeverdachte bedrijf 3/medeverdachte bedrijf 4 en medeverdachte bedrijf 1

Medeverdachte 3 heeft, geconfronteerd met het verschil tussen gefactureerde en verleende zorguren verklaard dat medeverdachte bedrijf 3 vanaf het begin van de samenwerking aan medeverdachte bedrijf 1 maandelijks bij medeverdachte bedrijf 1 het aantal uren zorg heeft gedeclareerd zoals deze door het CIZ per cliënt waren geïndiceerd en dat dit nooit is veranderd. Medeverdachte 3 heeft gesteld te hebben gehandeld conform afspraken met medeverdachte bedrijf 1. Haar verklaring wordt bevestigd door de verklaring van medeverdachte 1. Hij heeft verklaard dat deze wijze van factureren was afgesproken met medeverdachte bedrijf 1 en dat hij voor het factureren alleen de indicatiestelling nodig had en niet de urenadministratie. Ook medeverdachte 2 heeft verklaard dat bij medeverdachte bedrijf 1 altijd zo is gewerkt, omdat dit van medeverdachte bedrijf 1 zo moest.

Medeverdachte 4 heeft verklaard dat verdachte heeft gevraagd om op basis van de indicatie te factureren. Medeverdachte 5 maakte de facturen aan medeverdachte bedrijf 1. Medeverdachte 5 heeft verklaard dat dat hij de uren vermeld op de indicatiestelling factureerde aan medeverdachte bedrijf 1.

Verdachte heeft ontkend dat zij namens medeverdachte bedrijf 1 de afspraak heeft gemaakt dat de indicatie uren door medeverdachte bedrijf 3 gedeclareerd mochten worden, volgens haar mochten alleen de daadwerkelijk gewerkte uren worden gedeclareerd. Getuige 1 was bij medeverdachte bedrijf 1 verantwoordelijk voor betalingen van de facturen van medeverdachte bedrijf 3. Zij heeft verklaard dat met haar niet is afgesproken dat volgens indicatie mocht worden gefactureerd en bij haar weten ook niet met anderen binnen medeverdachte bedrijf 1, dat dit ook niet mag en dat medeverdachte bedrijf 1 alleen geleverde uren zorg betaalt. Getuige 3 was zorgcoördinator bij medeverdachte bedrijf 1. Hij stelde voor de klanten van medeverdachte bedrijf 3 zorgovereenkomsten op en stuurde die naar medeverdachte bedrijf 3 en controleerde of deze getekend terugkwamen. Hij heeft verklaard dat alleen geleverde zorg gedeclareerd mag worden en hij er niet van op de hoogte was dat dit door medeverdachte bedrijf 3 niet gebeurde. Volgens hem heeft medeverdachte bedrijf 3 nooit gevraagd om een controle.

De verklaringen van verdachte, getuige 1 en getuige 3 worden bevestigd door de afspraken in het contract. De rechtbank hecht meer waarde aan de verklaringen van verdachte, getuige 1 en getuige 3 dan aan de verklaringen van medeverdachte 3,medeverdachte 1 en medeverdachte 2. Voor verdachte, getuige 1 en getuige 3 geldt dat zij uitgebreid en, met betrekking tot de vraag of een afspraak was gemaakt om volgens declaratie te declareren, consistent hebben verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank ligt dit laatste bij medeverdachte 1, medeverdachte 3 en medeverdachte 2 anders.

De rechtbank stelt vast dat uit deze eerste verklaringen van medeverdachte 1 en medeverdachte 2 niet blijkt dat er afspraken waren met medeverdachte bedrijf 1 om volgens de indicatie te declareren. Medeverdachte 3 heeft hierover wel verklaard, maar niet dat dit een afspraak was die gemaakt was met verdachte, sterker nog, met haar was daarover geen contact geweest.

Nu de verklaringen van medeverdachte 3,medeverdachte 1 en medeverdachte 2 niet alleen worden weersproken door het contract en de verklaringen van de genoemde getuigen, maar ook door eerder afgelegde eigen verklaringen, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat tussen medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 enerzijds en medeverdachte bedrijf 1 anderzijds de afspraak is gemaakt om alle geïndiceerde uren te factureren.

Ten aanzien van de zorgroosters

In het dossier bevindt zich een groot aantal maandstaten die betrekking hebben op één cliënt, waarop per dag een bepaalde soort en aantal minuten zorg is weergegeven. Deze staten zijn voorzien van handtekeningen. In de verklaringen worden zij wisselend aangeduid als zorgroosters en als urenlijsten.

Getuige 1 heeft ten aanzien van deze stukken verklaard dat zij deze naar medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 stuurde en dat ze bij terugkomst getekend moesten zijn door de cliënt. Zij ging ervan uit dat daarop vermelde uren zorg dan ook geleverd waren. Zij controleerde of het aantal uren op het zorgrooster overeenkwam met de factuur. Aan de hand van de afgetekende zorgroosters ging medeverdachte bedrijf 1 akkoord met de meegezonden factuur.

Getuige 4 was bij medeverdachte bedrijf 1 managementassistent zorg. Tot haar taken behoorde de urenverantwoording in de administratie. Voor wat betreft de controle door medeverdachte bedrijf 1 met betrekking tot de vraag of de gedeclareerde uren ook daadwerkelijk gewerkt werden, verklaart ook zij over de zogenaamde zorgroosters, die maandelijks door medeverdachte bedrijf 1 werden uitgedraaid, naar medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 per mail werden verzonden en dan per post retour kwamen. Zij vertrouwde erop dat deze urenlijsten met daarop de handtekening van de cliënt, in orde waren.

De rechtbank heeft in de zaken tegen onder meer de medeverdachte 3 en medeverdachte 4 wettig en overtuigend bewezen geacht dat op de zorgroosters steeds meer zorg is vermeld dan daadwerkelijk is verleend. Uit de verklaringen van de cliënten blijkt voorts dat zij, of hun partners namens hen, deze documenten niet zelf hebben getekend. Nu die handtekeningen daar echter wel op staan heeft de rechtbank geconcludeerd dat deze documenten zijn vervalst.

De rechtbank leidt uit voorgaande bevindingen en verklaringen van getuige 1 en getuige 4 over de zorgroosters voorts af dat deze door medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 gebruikt werden om aan medeverdachte bedrijf 1 de gefactureerde uren verleende zorg te verantwoorden: medewerkers van medeverdachte bedrijf 1 controleerden of het aantal gefactureerde uren overeenkwam met de op de zorgroosters vermelde uren, en verbonden aan het feit dat er een handtekening op deze documenten stond de conclusie dat de daarop geleverde zorg ook daadwerkelijk geleverd was. Uit de verklaring van getuige 1 volgt voorts dat getuige 1 deze stukken ook gebruikte voor de verantwoording van het aantal geleverde uren naar CZ. De rechtbank stelt vast dat CZ (mede) op basis hiervan is overgegaan tot het definitief vaststellen van de rechtmatigheid van eerder uitgekeerde voorschotten aan medeverdachte bedrijf 1.

Nu de wijze van declareren op basis van indicatie niet is afgesproken met medeverdachte bedrijf 1 en medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 voorts gebruik hebben gemaakt van vervalste zorgroosters ter onderbouwing van de facturen, heeft de rechtbank geconcludeerd dat medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 deze facturen valselijk hebben opgemaakt en dit gebeurd is met als doel bij medeverdachte bedrijf 1 het te doen voorkomen dat de op de facturen vermelde zorg daadwerkelijk was geleverd en aldus op het, via medeverdachte bedrijf 1, wederrechtelijk verkrijgen van AWBZ gelden van CZ.

Uit het vorenstaande blijkt, aldus het oordeel van de rechtbank, dat medeverdachte bedrijf 1 niet op de hoogte was van het verschil tussen de daadwerkelijk geleverde zorguren en de aan medeverdachte bedrijf 1 gefactureerde uren. verdachte en medeverdachte 6 hebben zich naar het oordeel van de rechtbank niet schuldig gemaakt aan het vervalsen van zorgroosters.

Conclusie feiten 1, 2 en 3

De rechtbank acht het bewijs dat het wederrechtelijk verkrijgen van gelden van CZ gebeurde in samenspraak met medeverdachte bedrijf 1 niet geleverd. Uit het dossier kan wellicht worden afgeleid dat medewerkers van medeverdachte bedrijf 1, onder verantwoordelijkheid van verdachte en bij haar afwezigheid van medeverdachte 6, onvoldoende controle hebben uitgeoefend op de door medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 gedeclareerde uren, maar bewijs dat medeverdachte bedrijf 1 daadwerkelijk ervan op de hoogte was dat een groot aantal uren zorg niet was verleend heeft de rechtbank niet aangetroffen. Anders dan de officieren van justitie ziet de rechtbank in het gegeven dat medeverdachte bedrijf 1 richting CZ geen melding heeft gemaakt van onderaannemerschap door medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 geen bewijs voor het ‘administratief toedekken’ van door medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 gepleegde fraude. CZ heeft niet verklaard dat zij niet tot uitkering zou zijn overgegaan als het onderaannemerschap wel expliciet zou zijn vermeld. Bovendien blijkt uit het dossier dat verdachte enmedeverdachte 6 de samenwerking van en uitbesteding van de productie aan medeverdachte bedrijf 3 en medeverdachte bedrijf 4 niet koste wat het kost hebben willen verhullen voor CZ.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte vanaf januari 2010 tot april 2012 opzettelijk deel heeft uitgemaakt van een samenwerkingsverband dat het oogmerk had het plegen van misdrijven. Niet is komen vast te staan dat verdachte het opzet had deel te nemen aan een criminele organisatie die het oogmerk had op het plegen van misdrijven. Voorts acht de rechtbank geen bewijs in het dossier voorhanden dat verdachte de onder feit 1 subsidiair, meer en meest subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan. Dat geldt ook ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde primaire en subsidiaire feit en het onder 3 tenlastegelegde feit. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van deze feiten.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF