Vrijspraak: Aanwijzingen voor betrokkenheid bij bedrijfsvoering maar onvoldoende voor flessentrekkerij

Rechtbank Noord-Nederland 16 februari 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:565

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Voor een bewezenverklaring van flessentrekkerij is nodig dat vastgesteld kan worden dat verdachte handelde met het oogmerk om de beschikking over de goederen te krijgen zonder daarvoor te betalen. Daar is echter geen sprake van. Voor de airco's van aangever slachtoffer1 heeft verdachte offertes opgevraagd en hij heeft er via de mail contact over gehad. Vast staat dat deze airco's zijn besteld op het moment dat verdachte nog maar korte tijd werkzaam was voor medeverdachte 2. Verdachte wist niet dat het niet de bedoeling was om ervoor te betalen. Verdachte weet niet meer of hij banden heeft besteld, maar als dat al zo is, dan was dat in opdracht van medeverdachte2. Hij is éénmaal thuis gebeld door medeverdachte2 met de mededeling dat er banden bij hem thuis zouden worden afgeleverd, maar dat heeft verdachte geweigerd. Verdachte is ook niet de persoon geweest op de scooter waar telkens over gesproken wordt, omdat hij een blauwe Peugeot scooter had en geen witte Vespa. Bij de bestelling van de airco's van aangever slachtoffer3 is verdachte op geen enkele wijze betrokken geweest. Omdat verdachte eerder betrokken is geweest bij de 'foute' bedrijfsvoering van medeverdachte2 had verdachte juist deze keer extra eisen gesteld, zoals een arbeidsovereenkomst en een uittreksel van de Kamer van Koophandel. Op het moment dat verdachte ontdekte dat medeverdachte2 wederom niet eerlijk handelde is verdachte direct vertrokken.
 

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

De tenlastelegging valt uiteen in drie onderdelen, de aanschaf van de airco's van aangever slachtoffer1, de aanschaf van de banden en de aanschaf van de airco's van aangever slachtoffer3.

Ten aanzien van het sluiten van de koopovereenkomsten van de airco's van slachtoffer1 kan enkel worden vastgesteld dat verdachte offertes heeft opgevraagd en er via de mail contact over heeft gehad. Verdachte was op dat moment nog maar korte tijd werkzaam voor medeverdachte medeverdachte2. Uit de bewijsmiddelen is niet af te leiden dat verdachte wist dat het de bedoeling was om niet voor de airco's te betalen.

Met aangever slachtoffer2 is contact gelegd door ' naam ' namens bedrijfsnaam. Uit de bewijsmiddelen is niet af te leiden dat het verdachte is geweest die de koopovereenkomsten heeft gesloten met slachtoffer2.

Ten aanzien van het sluiten van de koopovereenkomst van de airco's van slachtoffer3 kan uit het dossier evenmin worden afgeleid dat verdachte daar op enigerlei wijze bij betrokken is geweest.

In het dossier bevinden zich derhalve weliswaar aanwijzingen van betrokkenheid van verdachte bij de “bedrijfsvoering” van bedrijfsnaam, maar die aanwijzingen zijn onvoldoende om van wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van de hem verweten flessentrekkerij te spreken.

Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF