Vormverzuimen bij binnentreden en doorzoeken

Rechtbank Rotterdam 6 december 2012, LJN BY6548 De rechtbank heeft de volgende feiten bewezenverklaard:

  • in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vals of vervalst is, meermalen gepleegd (feit 2 primair);
  • een gewoonte maken van witwassen (feit 3 primair);
  • een gewoonte maken van opzetheling (feit 4);
  • voorwerpen voorhanden hebben, wetende dat zij bestemd zijn tot het valselijk opmaken of vervalsen van reisdocumenten, meermalen gepleegd (feit 5);
  • als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard (feit 6).

Bewijsuitsluitingsverweer

Standpunt verdediging

Het binnentreden en de doorzoeking van de woning van verdachte was onrechtmatig. Er is sprake van diverse vormverzuimen:

  1. Niet kan worden vastgesteld dat er een geldige machtiging is afgegeven. Het binnentreden is klaarblijkelijk geschied met een schriftelijke machtiging van de hulpofficier van justitie Koolhof. Deze machtiging is niet opgenomen in het dossier. Niet kan worden vastgesteld dat daadwerkelijk een machtiging is afgegeven, wanneer deze zou zijn afgegeven en aan welke specifieke verbalisant. Nu dit niet is vast te stellen, moet het er voor worden gehouden dat is binnengetreden zonder machtiging, hetgeen een vormverzuim oplevert.
  2. Indien een machtiging is afgegeven is dit ten onrechte door een hulpofficier van justitie gebeurd. Er is binnengetreden ter doorzoeking en aanhouding. De machtiging binnentreden ter doorzoeking en aanhouding mag op grond van art. 55a Sv echter uitsluitend worden afgegeven door een officier van justitie. De hulpofficier van justitie is daartoe niet bevoegd en had de machtiging dan ook niet mogen afgeven, hetgeen een vormverzuim oplevert.
  3. De binnentredende verbalisanten hebben zich niet voorafgaand aan het binnentreden gelegitimeerd, zoals voorgeschreven in art. 1 lid 1 en art. 2 lid 1 van de Algemene Wet op het Binnentreden (‘Awbi’), de machtiging binnentreden is niet voorafgaand getoond en het doel van het binnentreden is niet voorafgaand medegedeeld. In het verslag binnentreden is vermeld dat de genoemde verplichtingen niet zijn nageleefd omdat dit naar redelijke verwachting strafvordering zou schaden. Waarom dit het geval zou zijn, is echter geenszins onderbouwd. Het strafdossier biedt hiervoor geen enkel aanknopingspunt. Het huisrecht van verdachte is geschonden.
  4. De RC is niet voortdurend lijfelijk aanwezig geweest bij de doorzoeking. De rechter-commissaris is verplicht om indien hij het onderzoek van een afstand leidt, maatregelen te treffen in verband met zijn bereikbaarheid. Van deze maatregelen moet rekenschap worden afgelegd in een proces-verbaal. In het dossier is geen proces-verbaal aanwezig waarin de rechter-commissaris de gang van zaken bij de doorzoeking relateert.

Deze vormverzuimen dienen ieder voor zich, maar zeker in onderlinge samenhang beschouwd, te leiden tot bewijsuitsluiting van al hetgeen op het binnentreden en doorzoeken is gevolgd, te weten: het aantreffen van de gestolen paspoorten, het contante geld, de constatering van de overgemaakte geldbedragen via Western Union en het constateren van het ongewenst vreemdelingschap. Deze bewijsuitsluiting dient te leiden tot integrale vrijspraak van verdachte.

Standpunt OvJ

Er is geen sprake van vormverzuimen bij het binnentreden en de doorzoeking van de verblijfplaats van verdachte, laat staan dat er grond zou zijn voor bewijsuitsluiting.

  1. Weliswaar ontbreekt de originele machtiging, maar uit het verslag van binnentreden volgt dat een machtiging is opgemaakt en later is getoond. Uit de overgelegde printscreen blijkt dat op 11 april 2011 om 9.31 uur een machtiging binnentreden is opgemaakt met betrekking tot verdachte.
  2. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat OvJ IJzerdoorn bij de opening van de doorzoeking aanwezig is geweest.
  3. De reden waarom niet direct werd gelegitimeerd, het doel van binnentreden werd medegedeeld en de machtiging werd getoond, was de beoogde aanhouding van verdachte, het mogelijk door hem onttrekken hieraan en het mogelijk wegmaken van bewijs. Uit het verslag binnentreden blijkt dat de verplichting tot legitimatie, mededeling van het doel van binnentreden en het tonen van de machtiging, later alsnog is nagekomen.
  4. Het betrof een door de RC goedgekeurde doorzoeking van de woning. De RC is niet steeds bij de doorzoeking aanwezig geweest omdat er op hetzelfde moment meerdere doorzoekingen plaatsvonden. Er is wel steeds telefonisch contact geweest. Door deze gang van zaken is verdachte niet in zijn belangen geschaad.

Oordeel rechtbank

Krachtens het bepaalde in art. 359a Sv kan de rechtbank, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld, bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde. Bij de toepassing daarvan houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben zich bij het binnentreden in de woning van (de vriendin van) verdachte, bij de aanhouding van verdachte en bij de doorzoeking ter inbeslagneming geen vormverzuimen voorgedaan die bewijsuitsluiting kunnen rechtvaardigen. De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

1. Ontbreken machtiging in dossier

Vooropgesteld zij dat de Hoge Raad meermalen heeft beslist dat niet vereist is dat de machtiging tot het binnentreden in een woning zich bij de processtukken bevindt. Dat met een dergelijke machtiging is binnengetreden kan ook op een andere wijze worden vastgesteld.

In dit geval bevindt zich in het dossier het “verslag van binnentreden in woning” waarin staat vermeld dat is binnengetreden krachtens een machtiging van de hulpofficier van justitie en voorts dat kort na het binnentreden de schriftelijke machtiging aan de bewoonster is getoond. Daarnaast heeft de officier van justitie aan het dossier toegevoegd:

a. een zogenoemde printscreen waarop te zien is dat op 11 april 2011 om 9.31 uur een machtiging tot binnentreden is opgemaakt, en

b. een uitdraai van een uit het digitale bestand van het OM in deze zaak afkomstige (niet getekende) machtiging tot binnentreden van de woning ter aanhouding van verdachte, welke digitaal is opgemaakt op 11 april 2011 en waarop een geldigheidsduur is vermeld van 3 dagen na afgifte.

Op basis van voornoemde stukken kan naar het oordeel voor de rechtbank afdoende worden vastgesteld dat op 11 april 2011 een machtiging tot binnentreden van de woning voor de aanhouding van verdachte is afgegeven door een hulpofficier van justitie.

Aan de hand van voornoemde stukken kan weliswaar niet worden vastgesteld of de machtiging ook door de hulpofficier Koolhof was getekend, hetgeen wel vereist is op grond van art. 6 aanhef Awbi, doch ook als dit niet het geval zou zijn levert een enkel niet ondertekende machtiging geen tot bewijsuitsluiting leidend vormverzuim op (zie HR 16 juni 2009, LJN BH9929).

2. Geen machtiging door de officier van Justitie

Er is binnengetreden ter aanhouding. Op grond van het bepaalde in art. 55 Sv jo. art. 2 en 3 Awbi is de hulpofficier van justitie bevoegd hiertoe een machtiging af te geven, zoals in dit geval ook is geschied. Anders dan de verdediging betoogt, was geen sprake van een doorzoeking ter aanhouding bedoeld in art. 55a Sv, waarvoor een machtiging van de officier van justitie is vereist.

In het verslag binnentreden in de woning staat vermeld dat de hulpofficier van justitie in afwachting van de komst van de tot doorzoeking bevoegde autoriteit de situatie heeft bevroren. De aanwezige personen werden in de woon- annex slaapkamer bij elkaar geplaatst onder toezicht en in afwachting van de komst van de rechter-commissaris, die omstreeks 7.40 uur arriveerde. Vervolgens heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de OvJ. Hiermee is gehandeld overeenkomstig het bepaalde in art. 110 Sv. Van enig vormverzuim is geen sprake.

3. Krachtens art. 1, lid 1 Awbi dient de bij binnentreding in een woning verantwoordelijke persoon zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van binnentreden

Ingevolge lid 2 van dit artikel gelden deze verplichtingen slechts voorzover de naleving daarvan kan worden gevergd, in het geval dit naar redelijke verwachting strafvordering schaadt.

Bij het binnentreden in de woning hebben verbalisanten zich niet direct gelegitimeerd en evenmin direct mededeling gedaan van het doel van het binnentreden. In het verslag van binnentreden is als reden aangegeven dat naleving van deze verplichtingen de strafvordering zouden schaden.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldaan aan het bepaalde in art. 10 lid 2 onder g Awbi dat als van deze uitzonderingsmogelijkheid gebruik wordt gemaakt, zulks moet worden verantwoord in het verslag van binnentreden.

Voorzover de verdediging bepleit dat een nadere redengeving in het verslag dient te worden opgenomen, vindt dit geen steun in de wet. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier ruim voldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat de vermelde omstandigheid zich hier voordeed. Uit de aard van de zaak vloeit voort dat de naleving van voornoemde verplichting bij het binnentreden naar redelijke verwachting strafvordering zou schaden. Immers, het betrof de aanhouding van een illegaal in Nederland verblijvende verdachte, zonder vaste woon of verblijfplaats, die werd verdacht van het voorhanden hebben van valse of vervalste reisdocumenten, in dat geval bestaat er gevaar voor vlucht en voorts het wegmaken van bewijsmateriaal.

Naar het oordeel van de rechtbank is van enig vormverzuim op dit punt geen sprake.

4. In het verslag binnentreden staat vermeld dat de hulpofficier van justitie in afwachting van de komst van de tot doorzoeking bevoegde autoriteit de situatie heeft bevroren in afwachting van de komst van de rechter-commissaris, die omstreeks 7.40 uur arriveerde.

De doorzoeking op 12 april 2011 in de woning van (de vriendin van) verdachte vond plaats onder leiding van de rechter-commissaris. Gelijktijdig vond een doorzoeking in een andere woning plaats (eveneens in het kader van het onderzoek Heiloo), vide het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2011.

De rechter-commissaris was derhalve niet steeds aanwezig maar kan de doorzoeking vanaf een afstand leiden. De leidinggevende taak van de rechter-commissaris houdt onder meer in dat hij maatregelen treft met het oog op zijn bereikbaarheid. Van de getroffen maatregelen dient hij in het proces-verbaal rekenschap af te leggen.

In dit geval bevindt een dergelijk proces-verbaal van de rechter-commissaris zich niet tussen de processtukken, zodat niet kan worden vastgesteld welke maatregelen de rechter-commissaris heeft getroffen. Op geen enkele wijze is echter gebleken - en dit wordt ook niet door de verdediging betoogd - dat verdachte hierdoor in enig rechtens te respecteren belang is geschaad.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de onder 1. en 4. bedoelde vormverzuimen, noch op zichzelf beschouwd, noch in samenhang bezien, kunnen worden aangemerkt als een tot bewijsuitsluiting leidend vormverzuim. Het verweer faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF