Wrakingsverzoek n.a.v. afwijzende beslissing op geformuleerde (nadere dan wel hernieuwde) onderzoekswens

Rechtbank 's-Gravenhage 25 oktober 2012, LJN BY6584 Voorgeschiedenis en procesverloop

Op 25 oktober 2012 is ter openbare terechtzitting van deze rechtbank de behandeling voortgezet van de strafzaak tegen verzoekster.

Ter zitting heeft verzoekster de rechtbank verzocht om de eerdere afwijzende beslissing op het verzoek om X als getuige horen, te heroverwegen. De meervoudige kamer heeft - na een onderbreking - ter zitting meegedeeld dat zij haar afwijzende beslissing handhaaft.

Verzoekster heeft de rechters ter zitting mondeling gewraakt. De rechters hebben kenbaar gemaakt niet in de wraking te berusten, en de wrakingskamer daarvan in kennis gesteld.

Mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek 

Op 25 oktober 2012 is ter openbare terechtzitting van deze wrakingskamer het wrakingsverzoek behandeld.

Standpunt verzoekster 

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing van het verzoek om getuige X te horen dermate onbegrijpelijk is, dat daarvoor geen andere verklaring is dan dat de afwijzing door vooringenomenheid is ingegeven. Bezien in samenhang met eerdere afwijzende beslissingen op verzoeken van de verdediging, vormt de afwijzing van het verzoek om X als getuige te horen een patroon dat er op duidt dat de rechtbank al een beslissing over de schuldvraag van verzoekster heeft genomen. Om het belang van dat patroon te onderkennen dient de wrakingskamer ook kennis te nemen van het verhandelde tijdens de voorafgaande zittingen.

Standpunt rechters 

De rechters hebben zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken van de verdediging telkens op hun merites zijn beoordeeld, en dat de rechtbank zorgvuldig en gemotiveerd op de verzoeken heeft beslist. Van vooringenomenheid, of de objectief gerechtvaardigde schijn daarvan, is dan ook geen sprake.

Standpunt OvJ

De officieren van justitie hebben zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

Beoordeling

Het wrakingsverzoek ziet op de afwijzende beslissing van de rechters op een door de raadslieden van verzoekster geformuleerde (nadere dan wel hernieuwde) onderzoekswens.

Voorop staat dat het niet aan de wrakingskamer is om een dergelijke beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering op inhoudelijke juistheid te beoordelen. De vraag in het kader van een wrakingsverzoek als het onderhavige is, of de door de rechtbank genomen beslissing en/of de motivering daarvan zodanige uitzonderlijke feiten of omstandigheden opleveren dat daaruit blijkt van vooringenomenheid van de rechters dan wel dat op grond daarvan de vrees voor partijdigheid van de rechters objectief valt te rechtvaardigen. De wrakingskamer stelt vast dat zij zich bij het vormen van een oordeel over de beantwoording van die vraag kan baseren op het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 oktober 2012 en de daaraan gehechte brief van de advocaten van verzoekster van 28 februari 2012, alsmede op het separate proces-verbaal wraking van 25 oktober 2012. Uit deze stukken blijkt - en dat zeer uitgebreid - zowel het standpunt van verzoekster als de gewraakte beslissing van de rechtbank en de motivering daarvan. Een verdere kennisneming van de stukken uit het strafdossier, laat staan kennisneming van zo goed als dat volledige dossier, zoals verzoekster kennelijk voorstaat, gaat het toetsingskader van de onderhavige wraking te buiten.

De wrakingskamer beantwoordt de in het vorenstaande omschreven vraag ontkennend. De beslissing van de rechtbank betreft een processuele beslissing. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 oktober 2012 blijkt dat de rechtbank heeft kennisgenomen van de standpunten van verzoekster en de officier van justitie, alsmede dat de rechtbank het handhaven van de eerdere afwijzende beslissing op het verzoek tot het horen van getuige X zeer uitgebreid heeft gemotiveerd. Aan de eisen van hoor en wederhoor en motivering is dan ook voldaan.

De wrakingskamer kan uit de desbetreffende beslissing en de motivering daarvan, ook in het licht van de stukken waarvan zij heeft kennisgenomen, zoals de brief van de raadslieden van verzoekster van 28 februari 2012 en de motivering van het wrakingsverzoek zoals neergelegd in laatstgenoemd proces-verbaal, geen uitzonderlijke feiten of omstandigheden afleiden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat de rechters jegens verzoekster een vooringenomenheid koesteren, dan wel dat de vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af. Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF