Btw-carrousel fraude: Over de oplettend koopman, diens wetenschap en zorgvuldigheid

Een ondernemer die verwikkeld is geraakt in een btw-carrousel loopt het risico zijn aftrek van voorbelasting of toepassing van het nultarief te verliezen. Bepalend daarvoor is of  een ondernemer wetenschap had kunnen hebben van de fraude en of hij voldoende maatregelen heeft getroffen om daar niet bij betrokken te raken. In deze scriptie van Martin Lambregts wordt onderzocht hoe de rechtspraak invulling geeft aan deze toets die voor het eerst is geïntroduceerd door het HvJ EG in de zaak Kittel (2006). Welke omstandigheden rechtvaardigen het oordeel achteraf dat een ondernemer ‘had moeten weten’ van de fraude en welke mate van zorgvuldigheid mag van een ondernemer worden verlangd?Indien er geen voor de ondernemer waarneembare signalen van fraude zijn, volstaat een zogeheten minimale toets waarbij een ondernemer aan al zijn wettelijke verplichtingen dient te voldoen. Zijn er wel onregelmatigheden aan te wijzen dan activeert dat een buitenwettelijke onderzoeksplicht die maakt dat een ondernemer de betrouwbaarheid van zijn zakenrelaties zal moeten verifiëren (extensieve toets). Een maximale toets, waarbij ondernemers als een soort fraudejagers fungeren, kan echter niet worden gevergd. Ondernemers mogen immers niet de dupe worden van het feit dat de EU-lidstaten nog altijd geen definitieve oplossing voor carrouselfraude hebben gevonden.

Lees verder:

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF