Vordering benadeelde partij, art. 361 lid 3 Sv, AG anders

Hoge Raad 3 juli 2012, LJN BW3751

Het Hof heeft de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Die door het Hof gehanteerde maatstaf is ontleend aan art. 361 lid 3 Sv dat is ingevoerd bij de op 1 januari 2011 in werking getreden Wet versterking positie slachtoffer in het strafproces. 

Het kennelijke oordeel van het Hof dat ten tijde van de behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2011 genoemde bepaling van toepassing is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 

Het middel is tevergeefs voorgesteld. 


AG Knigge: anders

Het Hof had moeten beoordelen of de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Het Hof heeft anders gezegd ten onrechte het nieuwe recht toegepast. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF