Vordering benadeelde partij: Andere (zwaardere) eisen aan toekennen vergoeding bij aantasting in de persoon (bedreiging) dan bij aantasting van de eer of de goede naam (belediging)

Gerechtshof Amsterdam 30 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4379

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mondelinge bedreiging van een man die het zusje van de verdachte op haar gedrag had aangesproken. Door zijn handelen heeft de verdachte het slachtoffer angst aangejaagd en bij hem gevoelens van onveiligheid teweeggebracht. Dat laatste geldt ook voor de echtgenoot van deze man die van dit incident getuige is geweest. Een maand later heeft de verdachte die tweede echtgenoot beledigd. De verdachte heeft hem met die belediging danig gekrenkt. Op zijn beurt was het eerste slachtoffer getuige van het tweede voorval, hetgeen ook bij hem flinke gevoelens van onbehagen heeft veroorzaakt.
 

Vordering van de benadeelde partij slachtoffer 1

De benadeelde partij slachtoffer 1 heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriële schadevergoeding. Deze bedraagt € 325,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 225,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 225,00. De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht de vordering af te wijzen, primair omdat hij meent dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken en subsidiair omdat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij kampt met een posttraumatische stressstoornis (PTSS).

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Lichamelijk letsel of een aantasting in de eer of goede naam zijn door de benadeelde partij niet gesteld. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op de vergoeding van het op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast, is het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen (vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519). Het hof ziet geen aanleiding om op dat uitgangspunt in het onderhavige geval een uitzondering te maken.

De benadeelde partij heeft gesteld dat hij als gevolg van de bedreiging lijdt aan PTSS en heeft toegelicht dat hij vanwege die PTSS-klachten is verwezen naar een psychiater, die meent dat de PTSS-klachten het gevolg zijn van de onder 1 ten laste gelegde bedreiging, en dat hij in verband hiermee op korte termijn EMDR-therapie zal ondergaan.

De stelling van de benadeelde partij is voldoende gemotiveerd, maar waar de vordering zijdens de verdachte is betwist en door de benadeelde partij ter onderbouwing van de stelling geen stukken van - bijvoorbeeld - de psychiater zijn overgelegd, kan het hof thans niet vaststellen dat de benadeelde partij daadwerkelijk geestelijk letsel heeft opgelopen door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit. De benadeelde partij heeft op de terechtzitting in hoger beroep aangeboden zijn stelling alsnog met stukken te onderbouwen. Het hof is echter van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, wanneer de benadeelde partij in deze (late) fase van het strafproces in de gelegenheid wordt gesteld nader bewijs bij te brengen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in diens vordering; hij kan deze nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
 

Vordering van de benadeelde partij slachtoffer 2

De benadeelde partij slachtoffer 2 heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriële schadevergoeding. Deze bedraagt € 250,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 250,00.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, waarbij mede in aanmerking is genomen dat deze vordering van de zijde van de verdachte in het geheel niet is betwist. De begroting van de omvang van immateriële schade is echter voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (HR 17 november 2000, NJ 2001/215). Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 50,00 waarbij in het bijzonder is gelet op (a) de omstandigheid dat de benadeelde, zo komt naar voren uit het schadeonderbouwingsformulier, in het bijzonder is geraakt door de bewezen verklaarde woorden, omdat hij homoseksueel is en (b) de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Voor het overige gaat toekenning van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade de grenzen van de billijkheid te buiten, zodat dat deel zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof realiseert zich dat het voorgaande betekent dat ter zake van een belediging wel, maar ter zake van bedreiging geen bedrag aan schadevergoeding wordt toegekend en dat deze uitkomst een onevenwichtige indruk zou kunnen maken. Echter, het recht, in het bijzonder artikel 6:106 BW, stelt aan het kunnen toekennen van een vergoeding ter compensatie van immateriële schade bij de aantasting in de persoon (bedreiging) andere (zwaardere) eisen dan bij een aantasting van de eer of de goede naam. Daarnaast is de wijze van procederen door partijen, zoals hierboven uiteengezet, op deze uitkomst van invloed geweest.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

 

Print Friendly and PDF