Voorhanden hebben van uit eigen misdrijf afkomstige tegoeden en Audi A6 witwassen?

Hoge Raad 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2527

De verdachte is bij arrest van 20 november 2014 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uur wegens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1 en 2). 

Ten aanzien van de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde heeft het hof geoordeeld dat dit feit niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en heeft het de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. 

Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het Hof het volgende overwogen:

"Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich gedurende lange tijd heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen. Voorts volgt uit die bewijsmiddelen dat verdachte meer geld heeft uitgegeven dan hij aan legale inkomsten heeft ontvangen. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de aangetroffen contante geldbedragen, de personenauto (middellijk) en de banktegoeden van misdrijf afkomstig zijn, te weten van overtreding(en) van de Opiumwet."

Het Hof heeft de verdachte ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging en heeft omtrent de strafbaarheid dienaangaande het volgende overwogen:

"Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte contante geldbedragen, een personenauto en banktegoeden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat die afkomstig waren uit enig misdrijf; uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat deze voorwerpen afkomstig waren uit overtredingen van de Opiumwet.
Indien evenwel niet kan worden vastgesteld dat het voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat van een zodanig voorhanden hebben sprake is geweest. Het bewaren van een deel van het bewezenverklaarde geld in een oven levert geen "verbergen of verhullen" in de zin der wet op en het omzetten van contante geldbedragen in een personenauto en in giraal geld verschilt niet wezenlijk van het enkele voorhanden hebben van die voorwerpen.
Uit dit één en ander trekt het hof het gevolg dat het onder 3 bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen noch als enig ander strafbaar feit.
De verdachte zal derhalve worden ontslagen van alle rechtsvervolging."

Middel 

Het derde middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 3 bewezenverklaarde voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring onder c genoemde personenauto (Audi A6) en de onder d genoemde tegoeden niet kan worden gekwalificeerd als witwassen.

Het middel klaagt niet over het oordeel dat het onder 3 bewezenverklaarde voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring onder a en b genoemde geldbedragen als witwassen kan worden gekwalificeerd.

Beoordeling Hoge Raad

In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de Audi A6 en de tegoeden afkomstig zijn uit enig door de verdachte zelf begaan misdrijf. Gelet daarop is voor de beoordeling van het middel het navolgende van belang.

In recente rechtspraak over in het bijzonder het "verwerven" of "voorhanden hebben" van "onmiddellijk" uit "eigen" misdrijf afkomstige voorwerpen worden bepaaldelijk eisen gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75)

Uit de hiervoor weergegeven overwegingen omtrent de bewezenverklaring en de kwalificatie volgt dat naar het oordeel van het Hof de Audi A6 niet "onmiddellijk" door eigen misdrijf is verkregen. Gelet daarop alsmede op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, is het oordeel van het Hof dat het voorhanden hebben van deze auto niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, onjuist. Het middel klaagt daarover terecht.

Uit evenbedoelde overwegingen vloeit ten aanzien van de tegoeden op spaarrekeningen voort dat het Hof heeft geoordeeld dat deze "onmiddellijk" uit eigen misdrijf afkomstig zijn en dat het enkele voorhanden hebben van die tegoeden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, en dat aan een en ander niet afdoet dat deze tegoeden op kennelijk op eigen naam staande en in Nederland aangehouden spaarrekeningen zijn ontstaan door omzetting van contante geldbedragen in giraal geld.

Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt daarbij het volgende in aanmerking.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, houdt onder meer het volgende in:

"Onmiddellijk of middellijk; indirecte opbrengsten
Zoals hiervoor aangegeven beslaan witwastrajecten veelal vele achtereenvolgende stappen, waarbij de uit misdrijf afkomstige voorwerpen worden omgezet in andere, die op hun beurt worden omgezet, enzovoort. Om ook handelingen aan het eind van het traject effectief te kunnen aanpakken, dient een desbetreffende strafbepaling niet alleen het witwassen van de directe opbrengsten uit misdrijf strafbaar te stellen, maar ook het witwassen van een voorwerp dat indirect, middellijk afkomstig is uit enig misdrijf. Ook meergenoemde internationale overeenkomsten gaan uit van een ruim begrip 'opbrengsten'. De helingbepalingen van artikel 416, eerste lid, en 417bis, eerste lid, Sr kunnen op dit punt problemen opleveren, omdat wordt aangenomen dat onder «een door misdrijf verkregen goed» niet valt het indirect verkregene - hetgeen voor gestolen geld is gekocht -, zodat ten aanzien daarvan geen sprake kan zijn van heling (J. Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2 op art. 416). Om zeker te stellen dat de artikelen 420bis en 420quater zich ook uitstrekken tot witwashandelingen ten aanzien van de indirecte opbrengsten, zijn daarin de woorden 'onmiddellijk of middellijk' (afkomstig uit) opgenomen."

alsmede:

"«Omzetten» wordt door Van Dale omschreven als: (geld en goederen) verwisselen met een andere geldswaarde of met zekere handelsartikelen. Het gaat om die handelingen (vervanging, ruil, investering) waardoor de betrokkene een ander voorwerp verkrijgt dat het voordeel uit het oorspronkelijke misdrijf belichaamt. Het hiervoor genoemde kopen van luxegoederen kan dus behalve «gebruik maken» ook «omzetten» opleveren. Omzetten zal veelal tot doel hebben de criminele opbrengsten weer in het legale verkeer te investeren." (Kamerstukken II, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 17, resp. 15).

Uit de memorie van toelichting blijkt dat met het gebruik van de term 'middellijk' is beoogd ook gevallen waarin sprake is van witwashandelingen ten aanzien van de indirecte opbrengsten van een misdrijf binnen het bereik van de delictsomschrijvingen van de art. 420bis en 420quater Sr te brengen, bijvoorbeeld de omzetting van uit misdrijf afkomstige voorwerpen in andere voorwerpen (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302). Bovendien is voor "omzetten" méér vereist dan het enkele storten van contant geld op een op eigen naam staande en in Nederland aangehouden bankrekening (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500).

Opmerking verdient nog dat het onderhavige geval verschilt van het geval dat aan de orde was in HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302. In die zaak ging het namelijk om het voorhanden hebben van banktegoeden die in buitenlandse valuta op buitenlandse rekeningen ten name van de verdachte werden aangehouden. Deze tegoeden waren ontstaan als gevolg van het omzetten van bedragen die door slachtoffers waren gestort op bankrekeningen ten name van een ander dan de verdachte.

Voor zover het middel klaagt over de kwalificatiebeslissing ten aanzien van het voorhanden hebben van de banktegoeden, faalt het.


Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly and PDF