Vier jaar gevangenisstraf voor oplichting bank door incassofraude

Rechtbank Gelderland 1 maart 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:1112 De rechtbank veroordeelt een 46 jarige ex horecaondernemer tot een gevangenisstraf van vier jaren voor grootschalige oplichting van ABN AMRO door middel van een geraffineerd systeem van incassofraude. De man heeft gedurende drie jaar ruim €11 miljoen afgeroomd tijdens het rondpompen van meer dan €705 miljoen op basis van ten minste 74.000 incasso opdrachten, die voor het overgrote deel weer werden gestorneerd. De man is ook veroordeeld voor het doen van onjuiste aangifte inkomstenbelasting en voor feiten die onder de noemer faillissementsfraude vallen. De verdachte heeft grote financiële schade veroorzaakt. Door zijn toedoen is het voor ondernemers moeilijker geworden om van een incassoservice gebruik te maken.

Aanleiding onderzoek

Op 28 september 2011 heeft ABN AMRO Bank NV aangifte van oplichting gedaan tegen verdachte en zijn broer medeverdachte (en tegen aan hen gelieerde vennootschappen). Door vermoedelijk frauduleus handelen bij het gebruik van incassocontracten, waarbij in de periode van januari 2007 tot en met januari 2010 in totaal 76.503 incasso’s ten laste van rekeningen bij de Postbank zijn uitgevoerd, welke incasso’s vrijwel allemaal weer zijn gestorneerd, is ABN AMRO volgens de aangifte tot een bedrag van ruim €11 miljoen benadeeld.

Uit een boekencontrole door de Belastingdienst is daarnaast de verdenking ontstaan dat verdachte over 2007 een onjuiste aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan.

Verder is tegen verdachte door de curator in het faillissement van hem in privé en door de curator in het faillissement van de bedrijf 4 aangifte gedaan van het ten onrechte niet verstrekken van inlichtingen of het verstrekken van onjuiste inlichtingen.

In het tripartiete overleg van 3 september 2012 is besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 – als medepleger –, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht aan de hand van haar schriftelijke requisitoir.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 en 2 tenlastegelegde, dat wat betreft het onder 3 tenlastegelegde primair de dagvaarding nietig dient te worden verklaard en subsidiair dat verdachte van dat feit dient te worden vrijgesproken, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde en dat wat betreft het onder 5 en 6 tenlastegelegde primair het Openbaar Ministerie (deels) niet‑ontvankelijk moet worden verklaard en subsidiair dat voor die feiten eveneens integrale vrijspraak dient te volgen. De raadsman heeft het standpunt van de verdediging ter zitting toegelicht aan de hand van zijn pleitnota.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

bedrijf 4 hield een franchiseorganisatie in stand. Verdachte was (getrapt) bestuurder van bedrijf 4. Binnen de franchiseorganisatie werden verschillende horecaformules uitgebaat, zoals namen. Per franchiseformule was er een vennootschap: vennootschappen enzovoort. Per vestiging was er een locatievennootschap. De horecabedrijven zelf werden over het algemeen in de vorm van eenmanszaken op naam van, en gelieerd aan de desbetreffende franchisenemer geëxploiteerd. In de tenaamstelling van de locatievennootschappen, die de overeenkomsten sloten met de franchisenemers, was steeds de desbetreffende plaatsnaam opgenomen, zoals: vennootschap. Deze bedrijven samen vormden bedrijf 4.

Verdachte was – middellijk – houder van 1/3 van de aandelen in bedrijf 4. bedrijf 4 was 100% aandeelhouder van de formulevennootschappen, die op hun beurt weer voor 100% aandeelhouder waren van de locatievennootschappen.

Vanaf de oprichting op 10 december 2003 tot en met 31 maart 2004 was verdachte bestuurder van bedrijf 4. Van 31 maart 2004 tot en met 31 augustus 2007 waren Haak Consult BV en Den Besten Horeca Holding BV bestuurder en van 31 augustus 2007 tot en met 17 september 2010 was JDB Holding BV bestuurder. De verdachte was bestuurder van JDB Holding BV.

Op grond van de franchiseovereenkomst was de franchisenemer aan bedrijf 4 als franchisegever vergoedingen verschuldigd. Het ging om een eenmalige entreevergoeding, een franchisevergoeding die deels afhankelijk was van de omzet, een reclamevergoeding en een gebruikersvergoeding van eveneens een bepaald percentage van de behaalde omzet. Naast de franchiseovereenkomst werden er met franchisenemers ook huur- en onderhuurovereenkomsten gesloten. De franchisenemers gaven een machtiging tot automatische incasso van de verschillende vergoedingen af. Voor het innen van deze vergoedingen werden rekeningen bij de Rabobank in Epe (later: Rabobank Noordoost‑Veluwe en Rabobank Noord Veluwe) aangehouden. Omdat de hoogte van de franchisevergoeding deels was gebaseerd op de behaalde omzet gebruikte de franchisenemer een bepaald kassasysteem aan de hand waarvan de franchisegever op afstand, met gebruikmaking van internet en autorisatiecodes, kon inloggen om de omzet uit te lezen. Deze vergoeding, die dus varieerde, werd naast andere vergoedingen, zoals de huur, periodiek gefactureerd en geïnd. Wekelijks werd er een voorschot op de aan de omzet gerelateerde vergoeding geïncasseerd. Op naam van de locatievennootschap werd er aan de franchisenemer gefactureerd.

Administratieve werkzaamheden werden gedaan door bedrijf 5. Vanaf 28 december 2004 is enig aandeelhouder en bestuurder van die vennootschap bedrijf 6, van welke vennootschap verdachte eveneens (middellijk) bestuurder was. Het administratiekantoor, dat was gevestigd aan adres 1 in Apeldoorn, hield zich bezig met de administratie van alle vennootschappen van bedrijf 4 en van andere aan verdachte gelieerde vennootschappen, inclusief het factureren en incasseren van de door franchisenemers te betalen vergoedingen.

Begin 2007 zijn er bij de ABN AMRO in Zwolle 25 bankrekeningen geopend. Die bankrekeningen stonden op naam van locatievennootschappen van bedrijf 4. Later zijn er nog twee bankrekeningen bij ABN AMRO geopend. Zestien van deze vennootschappen, die door verdachte en zijn broer werden vertegenwoordigd, hebben met ABN AMRO een incassocontract gesloten. De ingangsdata van die contracten liggen tussen 23 februari en 27 maart 2007. De incassovariant is telkens de doorlopende machtiging bedrijven met de faciliteit Automatisch Herhaald Aanbieden. Het maximumbedrag per incassobatch – een verzameling van incasso‑opdrachten met betrekking tot dezelfde incasserende bankrekening – bedraagt €100.000,- en het aantal batches maximaal dertig per maand. Het maximum aantal incasso’s per batch is telkens honderd. Als omschrijving worden in de incassocontracten de termen ‘geleverde diensten, huur e.d.’ gebruikt. De verdachte en zijn broer hebben bij het openen van de bankrekeningen en bij het sluiten van de incassocontracten aangegeven dat de incassofaciliteit van ABN AMRO zou worden gebruikt voor het incasseren van vergoedingen van de franchisenemers van bedrijf 4.

Uit de aangifte van ABN AMRO Bank NV komt naar voren dat er in de periode januari 2007 tot en met januari 2010 op basis van deze incassocontracten 76.503 incasso’s van gemiddeld ruim €9.500,- zijn uitgevoerd. In veel gevallen ging het om ronde bedragen van bijvoorbeeld €10.000,-. Dit betreft in totaal een bedrag van €722.290.000,-. Van deze incasso’s is 96% weer gestorneerd.

Uit het onderzoek door de fiscale recherche komt naar voren dat er 74.124 incasso‑opdrachten zijn ingezonden voor een totaalbedrag van €705.475.650,-.

Incasso is een product van Currence Incasso BV. Equens verwerkt in Nederland incasso‑opdrachten. De incasso-opdrachten worden door de incassant, de opdrachtgever van de incasso, via zijn bank bij Equens aangeleverd. Op basis van een afspraak tussen Equens en de banken worden incassobatches door Equens direct op de rekening van de incassant gecrediteerd. Equens probeert gedurende vijf dagen, als er sprake is van Automatische Herhaald Aanbieden, de bedragen vervolgens te incasseren van de debetrekeningen. Als een incasso, geboekt op dag X, om welke reden dan ook, niet bij de debiteur geïncasseerd kan worden, wordt de incasso op dag X+5 gestorneerd met valutadatum dag X. De rekening van de incassant wordt dan gedebiteerd met als dag X als valutadatum.

Ook in dit geval werd een incasso‑opdracht op dag X met de oorspronkelijke valutadatum op dag X+5 gestorneerd als er sprake was van gebrek aan saldo op de rekening van de geïncasseerde. Tussen het moment van incasseren en het storneren van de uitgevoerde opdrachten zijn er automatisch gecrediteerde bedragen vanaf de zestien ABN AMRO‑rekeningen doorgeboekt of opgenomen. Op de incassorekening ontstond zo een nihil- of debetsaldo op dag X. Op dag X+5 werd in dat geval echter weer een nieuwe incassobatch, met een hoger bedrag, aangeleverd. Op die manier werd een door de stornering op dag X+5 ontstane debetstand niet zichtbaar, aangezien het debetsaldo diezelfde dag weer werd opgeheven, en bleef een signaal in het kader van kredietbeheer uit: er werd ’s ochtends gestorneerd en ’s middags werd er weer geïncasseerd, waardoor aan het eind van de dag de incassorekening weer een creditsaldo liet zien. Dit proces heeft zich telkens herhaald.

Door de stornoboekingen met terugwerkende valutadatum kon er een zogeheten valutaire debetstand ontstaan, in het geval het bedrag dat op dag X was gecrediteerd direct was doorgeboekt of was opgenomen. Over die debetstand is debetrente in rekening gebracht. Ter compensatie van de verschuldigde debetrente, de betalingen aan derden en de overboekingen naar andere bankrekeningen, waren er telkens hogere incassobedragen nodig om een debetsaldo weer tijdelijk op te kunnen heffen. Het gaat dan om een steeds groter aantal incasso’s en/of een steeds groter incassobedrag. Het aantal incasso’s per kwartaal van de zestien rekeningen met een incassofaciliteit is volgens ABN AMRO gestegen van enkele duizenden in de periode 2007‑2008 tot meer dan 10.000 in 2009. Dit komt overeen met een per kwartaal geïncasseerd totaalbedrag van circa €50 miljoen in de periode 2007‑2008 tot meer dan €100 miljoen in 2009. Over 2009 bedroeg het geïncasseerde bedrag in totaal ruim €460 miljoen en het gestorneerde bedrag €454 miljoen. ABN AMRO heeft de incasso’s op 21 januari 2010 stopgezet. De gezamenlijke debetstand op de zestien rekeningen – die zichtbaar werd doordat er geen nieuwe incasso‑opdrachten meer werden uitgevoerd – bedroeg op dat moment €11.139.958,-.

Verdachte heeft óf zelf via internetbankieren de incassobatches ingestuurd óf hij heeft voor het insturen opdracht gegeven aan een medewerkster van administratiekantoor bedrijf 5. Na het inloggen met bankpas en daarbij behorende pincode kon de incassobatch ingebracht worden. Vervolgens werden de opdrachten met gebruikmaking van een bankpas en pincode gefiatteerd en automatisch naar ABN AMRO verzonden. De bank stuurde de opdrachten vervolgens automatisch door naar Equens. Na verloop van tijd werden de incasso‑opdrachten elke (werk)dag ingestuurd.

De incasso‑opdrachten hadden op een enkele uitzondering na géén betrekking op rekeningen van franchisenemers, maar op (22) rekeningen die werden aangehouden bij de voormalige Postbank van vennootschapen van de bedrijf 4 zelf. Van die 22 rekeningen werden er negentien niet actief gebruikt en op géén van die rekeningen kwamen grote bedragen binnen. Er zijn (dus) géén aanwijzingen dat er vergoedingen van franchisenemers door middel van de zestien rekeningen bij ABN AMRO werden geïncasseerd. Voor de automatische incasso’s via ABN AMRO waren in de administratie van bedrijf 4 ook geen brongegevens beschikbaar.

Uit een onderzoek naar de geldstromen is naar voren gekomen dat er tijdens het stopzetten van de automatische incasso’s per 21 januari 2010, als gezegd, sprake was van een totale overstand op de rekeningen bij de ABN AMRO van €11.139.958,- en dat de incassopositie, het positieve verschil tussen de som van de met betrekking tot de zestien rekeningen ingediende incasso’s en de som van de daarbij behorende storneringen, op dat moment €13.250.000,- bedroeg. Omdat de automatische incasso’s waren stopgezet kon dit bedrag niet meer worden gestorneerd. Het verschil tussen €11.139.958,- en €13.250.000,- wordt met name verklaard door ontvangsten, van andere rekeningen van bedrijf 4, op de rekeningen bij de ABN AMRO van in totaal €2.136.109,-. Uit hetzelfde onderzoek komt naar voren dat het grootste deel van de incassopositie werd gebruikt voor overboekingen naar Rabobank‑rekeningen van bedrijf 4 (€8.912.165,-) en voor andere uitgaven (€4.198.024,-).

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het uit de hand is gelopen en dat de incassofaciliteit van ABN AMRO en het herhaald aanbieden van incasso‑opdrachten met de mogelijkheid van het wegboeken van bedragen, hem en bedrijf 4 de kans bood om zichzelf als het ware krediet te verschaffen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat degene die de hiervoor beschreven werkwijze/constructie heeft opgezet en heeft uitgevoerd – verdachte – de bedoeling heeft gehad om zich een illegale inkomstenbron te verschaffen. In de handelwijze van verdachte ligt het bewijs voor opzet op oplichting besloten. Bij het openen van de rekeningen bij ABN AMRO en daarna is een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. De rekeningen zijn niet gebruikt voor het incasseren van vergoedingen bij franchisenemers. Dat dit ook geen enkel moment de bedoeling is geweest, leidt de rechtbank af uit het gegeven dat aan de franchisenemers nooit een rekeningnummer van de ABN AMRO is doorgegeven, zoals de facturen aan de franchisenemers ook altijd alleen rekeningnummers bij de Rabobank vermeldden. Niet anders is gebleken dan dat de franchisenemers de betalingen op rekeningen bij de Rabobank deden, zoals zij steeds hadden gedaan. Uit getuigenverklaringen komt naar voren dat verdachte degene is geweest die zich vrijwel dagelijks bezighield met het plaatsen van de incasso‑opdrachten. Het moet gedegen kennis van de door beide banken gehanteerde systemen vergen, om bedragen op deze manier weg te boeken en daarbij uit het zicht van de banken te blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een samenweefsel van verdichtsels en van listige kunstgrepen. Verdachte heeft welbewust verkeerde informatie verstrekt, rekeningen geopend en doen voorkomen alsof die rekeningen in het kader van een normale bedrijfsvoering zouden worden gebruikt voor het incasseren van franchisevergoedingen, terwijl de betalingsstroom met de franchisenemers feitelijk via de Rabobank bleef lopen. De structuur van de incassocontracten bij ABN AMRO en de rekeningen bij de Postbank is nooit bedoeld geweest voor het incasseren van franchisevergoedingen. De structuur is vrijwel alleen gebruikt voor het heen‑en‑weer laten gaan van bedragen tussen eigen rekeningen van aan verdachte gelieerde vennootschappen, met als doel om bedragen af te romen en zo (tekorten van) bedrijf 4 te financieren.

Voor zover verdachte een andere gang van zaken heeft gepresenteerd is die niet aannemelijk geworden.

De raadsman heeft aangevoerd dat ook de eigen rol van ABN AMRO van belang is bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van oplichting. Volgens de raadsman heeft de bank zozeer gehandeld in strijd met de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid, dat van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht geen sprake kan zijn.

Wat er ook zij van het optreden van ABN AMRO, van de medewerkers van die bank kon naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevergd dat zij de onwaarheid van de mededeling dat de incassofaciliteit zou worden gebruikt voor het incasseren van franchisevergoedingen van franchisenemers van bedrijf 4, onderkenden. Verdachte en zijn broer stonden als gevestigde horecaondernemers bekend en wat zij aan de medewerkers van ABN AMRO vertelden hoefde geen argwaan te wekken. Het raffinement van het frauduleus handelen zit hem in de gebruikte constructie met het steeds weer insturen van incasso‑opdrachten, het wegboeken van bedragen na een incasso, het gebruikmaken van de faciliteit Automatische Herhaald Aanbieden en de bijzonderheid dat als er bij ABN AMRO ’s ochtends werd gestorneerd en later die dag weer werd gecrediteerd, de rekening aan het eind van de dag, als er automatische controles werden uitgevoerd, geen debetsaldo liet zien. Hierdoor kon de handelwijze van verdachte geruime tijd onopgemerkt blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke of rechtspersonen heeft gehandeld. Het tenlastegelegde medeplegen zal daarom niet bewezen worden verklaard.

Feit 2

Het onderzoek van de FIOD is voortgekomen uit een boekencontrole door de Belastingdienst, in het kader waarvan de Belastingdienst kennis heeft genomen van een vaststellingsovereenkomst tussen verdachte en ABN AMRO van 5 juli 2010. Verdachte en zijn broer medeverdachte hebben om te voldoen aan de door ABN AMRO verlangde zekerheden een overzicht van hun onroerend goed waaronder onroerend goed op Bonaire overgelegd. Dit vastgoed werd gehouden door middel van een Nederlands Antilliaanse Stichting Particulier Fonds (SPF): stichting 1. stichting 1 was door middel van belangen in onder meer bedrijf 2 en bedrijf 3 eigenaar van het vastgoed. stichting 1 hield 2/3 van de aandelen in bedrijf 2 en 2/3 van de aandelen in bedrijf 3. De andere 1/3 van die aandelen werd gehouden door stichting 2. stichting 2 is te linken aan een derde persoon ( naam 1 ). Verdachte en zijn broer waren achterligger – economisch eigenaar of begunstigde – van stichting 1.

stichting 1 is op 25 augustus 2004 opgericht en volgens het handelsregister gevestigd op het adres 2, Bonaire. Als bestuursleden staan ingeschreven: naam 1 en bedrijf 7 van naam 2.

In 2007 is de helft van de aandelen in bedrijf 2 en bedrijf 3 met winst verkocht. Vaststaat dat verdachte noch van zijn betrokkenheid bij stichting 1 als achterligger noch van het op die aandelentransactie behaalde resultaat aangifte heeft gedaan voor de inkomstenbelasting over 2007. Bij vraag 39 van het aangifteformulier wordt geïnformeerd naar betrokkenheid bij een trustvermogen of een daarmee te vergelijken doelvermogen (naar buitenlands recht), zoals een Antilliaanse Stichting Particulier Fonds, en wordt erop gewezen dat als daarvan sprake is het desbetreffende hokje moet worden aangekruist. De aangifte, gedateerd 27 maart 2009 en elektronisch gedaan in Apeldoorn, is in opdracht van verdachte opgemaakt door een boekhouder, die niet op de hoogte was van de betrokkenheid van verdachte bij stichting 1 of van het resultaat van de aandelentransactie.

Die boekhouder, naam 3, heeft verklaard dat hij niet heeft geweten van een trustvermogen of van andere belangen van verdachte op de Nederlandse Antillen. Van de term achterligger had hij ook niet eerder gehoord.

Een letter of intent en een daaraan gehechte verklaring van 6 februari 2007 houden in dat bedrijf 8 met stichting 1 en stichting 2 overeenkomt dat bedrijf 8 de helft van de aandelen in bedrijf 2 en bedrijf 3 verwerft. Ook is volgens dat document overeengekomen dat bedrijf 8 de vorderingen van stichting 1 en stichting 2 op bedrijf 2 en bedrijf 3 overneemt. De koopprijs is bepaald op $ 1.000.000,- waarop in mindering wordt gebracht de helft van de waarde van bedoelde vorderingen op bedrijf 2 en bedrijf 3. Betaling van de koopprijs zou als volgt plaatsvinden: 50% bij de akten van levering van de aandelen en 50% bij de start van een nader genoemd vastgoedproject. Een Overeenkomst en akte houdende aandelenoverdracht houden diezelfde afspraken in.

Op 8 februari 2007 heeft naam 4 van bedrijf 8 opdracht gegeven aan de Rabobank Rijssen Enter om een bedrag van $ 500.000,- over te maken aan bedrijf 9 in Epe op bankrekeningnummer o.v.v. ‘Voorschot aankoop aandelen bedrijf 3 en bedrijf 2 ’. Op 28 juni 2007 wordt een vergelijkbare betalingsopdracht gegeven o.v.v. ‘aankoop aandelen bedrijf 3 en bedrijf 2 ’.

naam 2 heeft verklaard dat de achterligger bepaalt wat er gebeurt en dat als de achterligger zegt dat er verkocht of gekocht moet worden, er verkocht of gekocht wordt, alsmede dat de achterligger kan beschikken over het inkomen en vermogen van de SPF. Verdachte en zijn broer waren in feite handelingsbevoegd voor de SPF. naam 2 was formeel wel tekenbevoegd maar in de praktijk zou hij niet mogen tekenen, omdat zijn managementcontract dat niet toeliet. Verdachte en zijn broer waren feitelijk beslissingsbevoegd voor stichting 1

Naar het oordeel van de rechtbank is stichting 1 transparant en konden verdachte en zijn broer over het inkomen en vermogen van stichting 1 beschikken als ware dat hun eigen inkomen en vermogen. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte het vakje waarmee hij kenbaar kon maken dat hij als achterligger betrokken was bij een trust of een ander doelvermogen naar buitenlands recht zoals een Stichting Particulier Fonds naar Nederlands Antilliaans recht moeten aankruisen. Verdachte had dit ook uit de vraagstelling en de toelichting daarop moeten begrijpen. De omstandigheid dat verdachte geen bestuurder van stichting 1 is, kan niet tot een ander oordeel leiden. Met vraag 39 van de aangifte inkomstenbelasting wordt opgave verlangd van een gegeven waarvan kennisneming van belang kan zijn voor de heffing, zodat de Belastingdienst in de gelegenheid is nader onderzoek te doen en de juiste heffing te bepalen.

Omdat stichting 1 transparant is diende verdachte de winst van de verkoop van de aandelen in bedrijf 2 en bedrijf 3 op te geven in box II als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Dat (een gedeelte van) de prijs van de aandelen in opdracht van verdachte en zijn broer is overgemaakt op een rekening van bedrijf 9, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Verdachte heeft nagelaten informatie over stichting 1 te verstrekken aan degene die voor hem de aangifte inkomstenbelasting 2007 verzorgde. Door zo te handelen heeft hij, gegeven zijn betrokkenheid als achterligger bij de als transparant te beschouwen stichting 1 en gegeven het op de aandelentransactie behaalde resultaat, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een onvolledige en (daardoor) onjuiste aangifte inkomstenbelasting 2007 zou doen.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde als hierna aangegeven.

De Belastingdienst heeft het fiscale nadeel berekend op €42.062,-.

Feit 3 en feit 4

De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde nietig moet worden verklaard, omdat de tenlastelegging ten aanzien van dat feit onvoldoende feitelijk is. Onduidelijk is waarop wordt gedoeld met de omschrijving ‘een of meer kostbare sieraden’, terwijl voor de feitelijke omschrijving met betrekking het voeren van een administratie is volstaan met een herhaling van terminologie uit de delictsomschrijving.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding wat betreft het onder 3 ten laste gelegde voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, nu daarin voldoende specifiek naar feitelijkheden, plaats en tijd is weergegeven waaruit de aan verdachte verweten gedragingen bestaan. Voor zover daarbij de tenlastelegging nauw aansluit bij bestanddelen van artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht, waarop feit 3 van de tenlastelegging is toegesneden, acht de rechtbank die voldoende feitelijk. De tenlastelegging dient niet alleen te worden beoordeeld aan de hand van de tenlastegelegde tekst zelf, maar ook aan de hand van het onderliggende dossier, waaruit naar voren komt – ter zake van zaaksdossier 3a‑PV – dat er een aantal specifieke sieraden onder verdachte in beslag is genomen. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep van de raadsman op partiële nietigheid van de dagvaarding.

De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om curator nader te horen over de inhoud van twee ordners die de broer van verdachte op verzoek van verdachte aan de curator heeft overhandigd en waarin ook een brief van verdachte zou zitten, waarin hij ingaat op door de curator aan hem gestelde vragen.

Uit de processtukken komt naar voren dat de door de broer van verdachte aangeleverde stukken zijn onderzocht door een medewerker van de curator, die in een notitie van 8 november 2011 heeft uiteengezet dat met die stukken niet een complete administratie is aangeleverd. Van een brief zoals door verdachte ter zitting ter sprake gebracht, wordt geen gewag gemaakt. De notitie geeft steun aan de door de curator tegenover de fiscale recherche afgelegde verklaring dat het merendeel van de door hem aan verdachte gestelde vragen met de stukken uit de twee ordners niet waren beantwoord. De rechtbank acht het mede daarom niet noodzakelijk om de curator nader als getuige te horen en wijst het verzoek daartoe dan ook af.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hierna is weergegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank was verdachte, gelet op zijn activiteiten in verband met de onderneming (betreffende de verhuur van het pand adres 3 ) en maatschap en gelet op de daarmee behaalde belastbare winst uit onderneming, administratieplichtig in de zin van artikel 3:15i van het Burgerlijk Wetboek en artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Voor een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde is voorwaardelijk opzet op verkorting van de rechten van de schuldeisers voldoende (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK4797), wat betekent dat voor het bewijs van opzet voldoende is dat de handelingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de schuldeisers heeft doen ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in deze zaak het geval, wat is af te leiden uit het niet gelijk verstrekken van alle door de curator verlangde informatie en het buiten de boedel houden van een aantal sieraden. Bovendien is voor een bewezenverklaring voldoende dat de gedraging tot benadeling van de schuldeisers in de verhaalsmogelijkheden heeft kunnen leiden (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BI4691). Voor zover de schuldeisers in dit geval uiteindelijk niet daadwerkelijk zijn benadeeld, staat dat een bewezenverklaring dus niet in de weg.

Verdachte heeft over de bij de doorzoeking in zijn woning aangetroffen sieraden verklaard dat niet hij daarvan eigenaar is maar een aan hem gelieerde vennootschap, maar die verklaring acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.

Feit 5 en feit 6

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie wegens schending van het gelijkheidsbeginsel niet‑ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte voor de feiten onder 5 en 6. Ten tijde van het faillissement had bedrijf 4 naast verdachte twee andere bestuurders en toch is alleen verdachte vervolgd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen al daarom niet slagen, omdat verdachte voor meerdere feiten wordt vervolgd en zijn geval daardoor niet met die van de andere bestuurders is te vergelijken. Het enkele gegeven dat de bedrijf 4 nog andere bestuurders had, maakt dan ook niet dat de officier van justitie verdachte, die ook daadwerkelijk actief was als bestuurder van genoemde vennootschap, niet zou mogen vervolgen. Het beroep wordt verworpen.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat de officier van justitie wat betreft feit 6, eerste gedachtestreepje, niet‑ontvankelijk dient te worden verklaard. In samenhang met feit 5 is er in zoverre sprake van dubbele vervolging.

De delictsomschrijvingen van artikel 343 en artikel 194 van het Wetboek van Strafrecht, waarop de feiten onder respectievelijk 5 en 6 zijn toegesneden, dienen elk een (iets) ander rechtsbelang. Artikel 194 van het Wetboek van Strafrecht ziet op een correcte afwikkeling van het faillissement en artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht ziet met name op de bescherming van de belangen van schuldeisers. Bij een bewezenverklaring is er sprake van meerdaadse samenloop, wat naar het oordeel van de rechtbank nog niet betekent dat de officier van justitie in zoverre niet‑ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Het daartoe strekkende verweer wordt dan ook verworpen.

Verdachte heeft, als de daarvoor verantwoordelijke bestuurder, in eerste instantie niet de volledige voorhanden zijnde administratie overgelegd of doen overleggen, terwijl ook de later alsnog tevoorschijn gekomen administratie fragmentarisch en onvolledig bleek te zijn. Contante betalingen waren niet verantwoord en onderliggende gegevens ontbraken.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hierna is weergegeven. Hierbij is in aanmerking genomen – ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde – zoals hiervoor ook ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde is overwogen, dat ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ – als bedoeld in artikel 341 en artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht – moet worden verstaan: handelen met het (voorwaardelijk) opzet om de rechten van schuldeisers te verkorten, dat niet is vereist dat de rechten van schuldeisers daadwerkelijk zijn verkort en dat voor bewijs van het opzet voldoende is dat de verweten handeling de aanmerkelijk kans op verkorting van de rechten van schuldeisers heeft doen ontstaan.

De rechtbank zal verdachte, gelet op de datum van het faillissement van de bedrijf 4 – 31 mei 2011 – vrijspreken van het ten laste gelegde niet‑overleggen van de jaarrekeningen 2010 en 2011.

Bewezenverklaring 

  • Feit 1: Oplichting, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;
  • Feit 3: Bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd;
  • Feit 4: In staat van faillissement verklaard, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven;
  • Feit 5: Als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, niet voldaan hebben aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 2:10, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3:15i, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in die artikelen bedoeld;
  • Feit 6: Als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF